De dokter klopt aan de deuren: De dijken zijn doorgebroken

Watersnoodramp 1953
Van het gehucht Capelle op het eiland Duiveland bleef weinig over. beeld Watersnoodmuseum

Van hun boerenbedrijf spoelde alles weg: schuren, bijgebouwen, vee. Alleen de woning doorstond de storm en bleef staan. Dat werd hun redding. Maar de familie Geluk moest, zittend op het dak, bijna een etmaal wachten op hulp.

Ria Geluk kan zich de watersnood nog goed herinneren, ook al was ze nog maar 6 jaar oud toen het water kwam. Het gezin Geluk woonde in Capelle, een gehucht tussen Nieuwerkerk, Ouwerkerk en Zierikzee in de Vierbannenpolder.

De buren waren die avond langs geweest om te kaarten. Hun drie kinderen mochten daarom blijven logeren. In de vroege ochtend van zondag 1 februari werd de familie Geluk gewaarschuwd door de huisdokter. Die had in de polder een bevalling gedaan en klopte her en der aan deuren met de jobstijding dat de dijken waren doorgebroken.

„Ik herinner me dat niemand eigenlijk besefte wat er nu verder ging gebeuren”, vertelt Ria Geluk. Ze weet nog dat al snel twee medewerkers van haar vader opdaagden om te helpen. „Ze gingen eerst de koeien melken, maar al vrij vlug werd duidelijk dat ze niet meer terug naar huis konden vanwege het oprukkende water.”

Niet huilen

De kinderen moesten worden gewekt. „Mijn zusje en ik kregen van mijn moeder te horen dat we ons gedeisd moesten houden. Zeker omdat de buurkinderen erbij waren zonder hun ouders, wilde mijn moeder niet dat er paniek uitbrak. Ze wilde geen huilende kinderen.”

In spanning werd er gewacht op de dingen die komen gingen. Zondagmiddag steeg het water snel door de tweede vloed en besloot de familie Geluk het dak op te klauteren. Daarop stonden twee koekoeken. De pannen rond de dakkapellen werden van het dak gehaald, en ingepakt in winterjassen en dekens wachtten de ouders, Ria en haar zus, de drie buurkinderen en de twee medewerkers op hulp.

Rondom hen louter water. „Maar je kunt je er geen voorstelling van maken hoe dat was”, aldus Ria. „Het was niet alleen het kolkende water, alles wat er in terechtkwam was aan het woelen en bewegen door de genadeloze storm. Het was een puinhoop.”

De tweede vloed

Maandagmiddag pas kwam de redding. Twee mosselvissers uit Zierikzee in een roeiboot haalden Ria en de acht anderen na bijna een etmaal van het dak. Maandagmorgen was de storm gaan liggen en bootjes waren in de ondergelopen polder koortsachtig op zoek naar overlevenden. Dat zou nadien nog dagen doorgaan. „Omdat we droog zaten en goed ingepakt waren, hadden we het niet eens zo heel koud. We zaten op de dakkapel waar je het minst last had van de wind. Er zijn veel ergere drama’s geweest.”

Ria zegt dat er juist bij die tweede vloed zondagmiddag nog heel veel mensen zijn verdronken. „Toen ging het water eigenlijk pas echt rap stijgen. Bij de eerste vloed stond het niet meteen 5 meter hoog. Er zijn bij dat tweede hoogwater ook veel huizen ingestort. Van de 100 inwoners van Capelle zijn er 42 verdronken.”

Dijken dicht

Na de redding heeft de familie Geluk bijna drie jaar elders moeten wonen, eerst bij familie in de Noordoostpolder, daarna in de buurt van Steenbergen bij bekenden, vervolgens in noodwoningen die inderhaast waren gebouwd op een afgegraven dijk in een nabij de Vierbannenpolder gelegen polder.

Het duurde maanden eer in hun eigen polder de dijken waren gedicht en de droogmaking kon beginnen. De laatste sluiting was op 6 november 1953, tevens de laatste dijksluiting in het hele rampgebied in Zuidwest-Nederland. Het gat bevond zich bij Ouwerkerk en werd gedicht met de vier caissons waarin tegenwoordig het Watersnoodmuseum is gevestigd. In het totale watersnoodgebied zaten honderd gaten in de dijken. Het was een enorm karwei om die allemaal te herstellen, en hoe langer het duurde, des te breder en groter werden de gaten door de sterke stroming.

Rampenfonds

Over de gebeurtenissen in die februarinacht werd in het gezin Geluk niet veel gepraat. „Er moest gewerkt worden, het leven ging verder”, zegt Ria.

Pas toen zij twintig jaar geleden aan de oprichting van het Waternoodmuseum werkte, kwam het allemaal weer terug. „Ik ben toen heel erg bezig geweest met wat we hebben meegemaakt. Die ervaringen vormen een belangrijk deel van je leven. Ik heb nog veel vragen, die ik mijn ouders jammer genoeg niet meer kan stellen omdat ze zijn overleden, mijn moeder zelfs op jonge leeftijd. Ik herinner me dat mijn vader een uitkering kreeg uit het Rampenfonds, maar hoe dat allemaal precies in zijn werk ging, weet ik niet.

Ik heb in spullen van mijn ouders wel lijstjes gevonden waarop ze hun inventaris hadden genoteerd. Dat moest om in aanmerking te kunnen komen voor een vergoeding van het fonds. Pa had ook opgeschreven wat hij aan vee had verloren: drie werkpaarden, vier koeien, twintig varkens en zes kippen. Over al die zaken had ik best nog willen praten, maar ik ken ook mensen die helemaal niet praten over wat ze tijdens de ramp hebben meegemaakt. Ze kunnen het niet, omdat het te erg was.”