Almere had vier eeuwen geleden al visgroothandel

Archeologen aan het werk op het terrein langs de A27 waar de gemeente Almere een industrieterrein wil vestigen. beeld Gemeente Almere
3

Bij Almere is een constructie uit de nieuwe steentijd ontdekt waarin vissen werden gevangen én bewaard. De vondst is een puzzelstukje in de reconstructie van het dagelijks leven in die tijd.

Vers is de vis niet. Toch heeft de Almeerse stadsarcheoloog Willem-Jan Hogestijn beet. Aan de rand van een tarweakker haalt hij een plastic zakje tevoorschijn met vissenwervels. „Ongeveer 4400 jaar oud”, schat hij. Hogestijn loopt met zijn gele laarzen de akker bij Almere op en wijst naar een afgegraven stuk grond, waarin een laag regenwater staat. Er steken een paar onooglijke paaltjes uit de klei. Hogestijn weet ook wel dat mensen bij archeologische opgravingen liever een muntschat of eeuwenoud aardewerk tevoorschijn zien komen. Maar deze palen vertellen een groter en minstens zo interessant verhaal.

Langs de A27 bij Almere vonden archeologen en tientallen vrijwilligers de afgelopen weken op 2 meter diepte bijna 3000 houten palen. Hogestijn pakt er een landkaart bij. Stipjes markeren de plekken waar palen staan. Samen vormen ze een golvende lijn van ruim 160 meter. Hier en daar hangen er driehoeken aan, alsof het een feestslinger is.

Slijtplekken

De palen zijn onderdeel van een 4400 jaar oud bouwwerk voor het vangen van vis. Tussen de palen bevonden zich gevlochten schermen, vermoedelijk van wilgenhout, en er waren openingen met 2 meter lange fuiken om de vis te vangen.

De fuiken zijn niet meer aangetroffen, maar wel de slijtplekken die ze achterlieten in de grond. „Daardoor is het zeker dat het bouwwerk voor visvangst is gebruikt”, legt de stadsarcheoloog uit. Hij denkt dat er vissen als zalmen, harders en finten op afkwamen, die jaarlijks zoet water opzochten om te paaien.

„Ooit was dit een heel groot brakwatermeer”, zegt Hogestijn. „Daardoor was de gedachte al snel dat de palen onderdeel van een visvangstinstallatie zijn geweest – een zogenoemde visweer. Door de schermen werden de vissen geweerd, daar komt het woord visweer vandaan.”

Een zo grote visweer uit die tijd is in Europa nog niet eerder aangetroffen. „Een enorme installatie, dit gaat om massavisvangst”, verzekert Hogestijn. Bovendien zijn alle bekende visweren in Nederland met de oever verbonden. Dit bleek een ander type te zijn, dat vrij in het water lag.

De houten constructie uit de nieuwe steentijd (volgens onderzoekers 5000 tot 2100 voor Christus) bestond niet alleen uit een vangstinstallatie. Er was ook een aantal onderwaterhokken. Dat zijn de stippen op de kaart die samen afgesloten driehoeken vormen. Ze intrigeren Hogestijn mateloos. „Daar kan geen vis naar binnen zwemmen. Dus die vissen zijn daar door mensen in gebracht.” Ook daarvoor heeft hij een verklaring: zalm die stroomopwaarts zwemt en op zoek is naar een plek om te paaien, is gezond en vooral vet. Vanwege dat vet kun je die vis niet roken. „Het vet wordt ranzig en daarmee bederft die vis”, legt hij uit. Om dat op te lossen, werd de vis in die driehoekige onderwaterhokken gezet, waar de zalmen –roofdieren– nauwelijks te eten hadden. Door dat verplichte dieet verloren ze hun vet en op het moment dat ze mager genoeg waren, werden ze uit de driehoek gehaald, gedood en gerookt. „Het was dus eigenlijk een afslankplek waar de vis levend werd bewaard voordat deze werd gegeten of geconserveerd.”

Geschiedenisboeken

Worden de geschiedenisboeken hier anders van? Hogestijn knikt: „Vanuit de omgeving van de Zwarte Zee en vanuit Zuidwest-Europa trokken 4400 jaar geleden veeweiders met karren Europa in. Wat we weten van die periode komt vooral uit de graven, de grafheuvels. Maar van het gewone leven, zoals dit, is bijna niks bekend. Daarom is zo’n visweer zo interessant. Zo’n enorm bouwwerk zet je daar niet neer als je rondtrekt. Je hebt hectaren grond nodig voor bosbouw om er de palen en wilgentenen van te maken. Dat betekent dat mensen zich rond die tijd kennelijk al gesetteld hadden. Daar komt bij dat de hoeveelheden vis die ze vingen enorm waren. Dat moet ook voor de handel zijn geweest, en dan moet je wel weten waar je handelspartners wonen. Dus dat zijn ook geen rondtrekkende groepen.”

Toevalstreffer

Almere wil in het buitengebied de Stichtsekant een industrieterrein vestigen. In de aanloop daarnaartoe werd in 2013 begonnen met archeologisch onderzoek.

De vondst van de palen van een 4400 jaar oude visweer is een toevalstreffer. Ze bevinden zich 2 meter onder het maaiveld, daaronder zit veen en daar weer onder een laag dekzand. Op die laag zand werden tal van –niet zo zeldzame– kampementjes uit de middensteentijd aangetroffen. Die vindplaatsen worden niet opgegraven, maar vormen wel het uitgangspunt van het ontwerp van het industrieterrein; de bedrijfspanden worden zo veel mogelijk eromheen gebouwd. Drie kampementjes konden niet blijven en bij het weghalen van de bovengrond werden de palen van de visweer gevonden. „Daar kun je niet naar zoeken, dit is een toevallige vondst”, zegt Hogestijn. „Ga je met een grondboor in de weer, dan heb je hooguit een stukje hout in de boor dat je niet herkent als onderdeel van een visweer.”