Veelzijdig debat over het ambt van bisschop

V.l.n.r. dr. Joris Vercammen, dr. René de Reuver en Polycarpus. beeld Peter Boer
3

Het ambt van bisschop is vruchtbaar voor de voortgang van de oecumene, in samenwerking met andere bisschoppen en in gemeenschap met de hele kerk, aldus dr. Hans van den Hende. „Ik bid dat uiteindelijk in de zichtbare eenheid van ons als christenen een plaats zal zijn voor het Petrusambt, als een dienst aan de eenheid in Christus.”

De Rotterdamse bisschop dr. Van den Hende was er zaterdag in Utrecht helder in: het bisschoppelijk ambt is niet los te koppelen van het primaat van de paus als hoogste leider van de kerk. Hij sprak tijdens het symposium ”Een bisschopsambt voor kerk en wereld”, ter gelegenheid van het emeritaat van dr. Joris Vercammen als oud-katholiek aartsbisschop van Utrecht.

Voorafgaand aan de pontificale eucharistieviering in de Gertrudiskathedraal vond er een symposium over het bisschopsambt plaats in de Geertekerk. Inleiders uit binnen- en buitenland gingen in op de actuele betekenis van de bisschop voor de kerk en de samenleving.

Dr. Van den Hende sloot zich aan bij de internationale dialoogcommissie van rooms-katholieken en oud-katholieken (IRAD), die stelt dat in het drievoudig ambt van episcopaat, presbyteraat en diaconaat de apostolische dienst wordt overgedragen door handoplegging en gebed. Het episcopaat is geldig als het wordt toegediend door bisschoppen die in de apostolische successie van de kerk staan. „Zo zijn bisschoppen niet alleen degenen die het wijdingssacrament ontvangen, maar in de kerk zijn zij tevens de bedienaars van het sacrament van de wijding.”

Het verschil tussen de Rooms-Katholieke Kerk (RKK) en de Oud-Katholieke Kerk (OKK) is volgens hem dat men in de RKK stelt dat de universele kerk bestaat in de zichtbare kerk met de paus als haar opperherder en hoofd van het college van bisschoppen en dat „de ene en enige Katholieke Kerk” bestaat in en door deze kerken. „Deze invalshoek is de oud-katholieke traditie vreemd. Het begrip universele kerk heeft daar eerder betrekking op de werkelijkheid van de gemeenschap van God met alle generaties gedoopten uit verleden en toekomst.”

Collegialiteit

Dr. Dirk Jan Schoon, oud-katholiek bisschop van Haarlem, stelde dat een bisschop zijn gezag niet aan formele machtsstructuren ontleent of bureaucratisch uitoefent, maar het moet hebben van zijn voorbeeldig geloof, zachtmoedig leiderschap en broeder- en zusterlijke collegialiteit. „Geen wereldwijde structuren anders dan het conciliaire beraad waarin al die bisschoppen met hun adviseurs samenkomen om van en met elkaar inspiratie op te doen door met name geloofservaringen uit te wisselen.”

Robert Innes, bisschop van Gibraltar in Europa (Kerk van Engeland), merkte op dat de groei van de Anglicaanse Kerk vooral te vinden is in gemeenschappen van migrantenchristenen. Het traditionele bisschopsambt krijgt nieuwe vormen naast de oude geografische structuren en die vormen zijn afgestemd op netwerkachtige gemeenschappen. Hij betreurt het dat de christelijke invloed nauwelijks aanwezig is in de Europese Unie, hoewel veel christenen zitting hebben in het Europese parlement. „Religie wordt daar vooral gezien als een problematische en scheidende factor.”

Polycarpus, aartsbisschop van de Syrisch-Orthodoxe Kerk in Nederland, stelde dat er geen consensus onder de vroege christenen was over de manier waarop kerken zouden moeten worden georganiseerd. Toch zijn de belangrijkste aspecten van het bisschoppelijke ambt te vinden in de vroege periode voorafgaand aan het concilie van Nicea. „Dit is een periode die een belangrijk en normatief referentiepunt vormt voor kerk en theologie.”

Het vermogen om naar het Woord van God te luisteren en daarmee het levende Woord aan de kerk en aan de wereld in het algemeen te verkondigen, is voor hem een van de essentiële kenmerken van een bisschop als „apostel en prediker van het Woord.” „Slechts wie werkelijk kan luisteren, kan met een profetische stem tot en voor zijn volk en de wereld van vandaag spreken.”

Classispredikant

Dr. René de Reuver, scriba van de Protestantse Kerk in Nederland, zette uiteen dat in de protestantse traditie de regering van de kerk niet toevertrouwd is aan één bisschop of dominee, maar aan ambtelijke vergaderingen. De discussie over de invoering van een bisschop in de PKN is recent volop gevoerd naar aanleiding van het rapport Kerk 2025, waarin het ambt van classispredikant zijn intrede deed. „In de PKN krijgt het bisschopsambt bovenplaatselijk gestalte in de figuur van de scriba, die geestelijk leiding geeft aan het geheel van de kerk, en in de figuur van de classispredikanten die dit doen binnen de classis. De PKN heeft niet gekozen voor de figuur van een bisschop en daarmee voor een episcopale kerkstructuur, maar heeft episcopè binnen haar eigen presbyteriaal-synodale kerkstructuur een plek gegeven en met de aanstelling van de classispredikanten versterkt. Je zou kunnen zeggen dat de Protestantse Kerk een presbyteriale-synodale schering met episcopale inslag kent.”

Hij memoreerde de ‘profetie’ van dr. Vercammen dat in 2200 alle christenen in Nederland onder de ene aartsbisschop van Utrecht vallen. De Reuver: „De voortekenen van de opbloeiende spirituele oecumene in ons land kunnen misschien wel gezien worden als een wolkje als eens mans hand.”

Leonie van Straaten, priester van het oud-katholieke bisdom Utrecht, stelde dat het bisschopsambt onlosmakelijk verbonden is met de gemeenschap van gedoopten. „Daarbinnen en naar buiten toe is de bisschop degene in wie de eenheid tot uitdrukking komt. Zo is dit ambt teken van eenheid voor kerk én wereld: de wereld is van God en de kerk heeft de opdracht om te laten zien hoe die wereld kan worden. Wat is daarvoor nodig? Dat de kerk stevig is van binnen en open naar buiten. En hetzelfde zou je eigenlijk kunnen verwachten van het bisschopsambt: stevig van binnen en open naar buiten.”

Ongemakkelijk

Inge van Maaren, parochiaan van de oud-katholieke Vitusparochie te Hilversum, constateerde met leedwezen dat de aanwezigen luisterden naar „zes mannen en twee vrouwen”, allemaal nauw verbonden aan een kerk en zeven daarvan ook nog eens beroepshalve. „Onze gemiddelde leeftijd ligt ergens rond de 58 jaar. Ik voel me daar ongemakkelijk bij. Met deze keuze van sprekers is er geen sprake van verbinding, laat staan vooruitgang. Waar zijn de stemmen van andere generaties, van onderzoekers uit andere vakgebieden dan de theologie? Waar de stemmen vanuit de veelkleurigheid van een samenleving?”