Pilgrim Fathers op reis naar een nieuw vaderland

Mayflower in Plymouth Harbor," by William Halsall, 1882 at Pilgrim Hall Museum, Plymouth, Massachusetts, USA

Godsdienstvrijheid, daar ging het de Pilgrim Fathers om, toen zij in juli 1620 vanuit Delfshaven naar Amerika vertrokken. Maar geen vrijheid zonder grenzen. Zij zochten vrijheid in gebondenheid: een nieuw vaderland met een samenleving waar Gods Woord centraal staat.

Ongeveer 12 procent van de Amerikanen weet dat ze op een of andere manier afstammen van de Pilgrim Fathers. Onder hen ook de presidenten Bush (sr. en jr.) en Obama. En ze zijn er wat trots op. Want de puriteinen die in november 1620 bij Plymouth aan land kwamen, worden gezien als de grondleggers van de Verenigde Staten. Vandaar dat deze kolonisten in de 19e eeuw –bijna liefkozend– de naam Pilgrim Fathers kreeg. Of de immigranten uit de 17e eeuw daar zelf gelukkig mee zouden zijn? Ja, pelgrims voelden ze zich, maar nog meer naar het hemelse vaderland dan naar een veilig aards oord.

De grote trek van deze inmiddels wereldberoemde groep puriteinen begon in 1608. In het geheim ontvluchtten zij Engeland, waar ze zwaar hadden te lijden onder de druk van koning en kerk. Vanwege hun streven naar een zuivere kerk, afgescheiden van de staatskerk, werden ze niet geduld. Koning Jacobus I gaf zelfs opdracht sommige leden van hun gemeenschap gevangen te zetten.

Het zou te ver voeren om Jacobus een tegenstander van het reformatorisch belijden te noemen. Dat was hij zeker niet. Hij gaf bijvoorbeeld de opdracht tot een Bijbelvertaling, de ook in ons land gewaardeerde King James Version. Namens hem was er permanent een gezant op de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), met wie de vorst een intensieve correspondentie onderhield om voortdurend op de hoogte te blijven van het debat over de arminiaanse leer. Maar Jacobus wilde in zijn land één, hiërarchisch bestuurde kerk met een rijke liturgie waar alle Engelsen toe moesten behoren.

Juist dat bestuur en de vormendienst was voor een groep kerkleden reden om te pleiten voor voortgaande reformatie. Zij werden puriteinen genoemd, kerkleden die streefden naar een zuivere kerk waar Gods Woord centraal stond, ontdaan van liturgische franje, en waar het leven van kerkleden gericht was op de Bijbel. De latere Pilgrim Fathers steunden dat. Maar voor hen kwam er een punt dat zij niet langer wilden en konden behoren tot een kerk „met zoveel onzuiverheid en afgoderij.” Zij scheidden zich af en stichtten onafhankelijke, zelfstandige gemeenten, die vaak het karakter droegen van geheime huiskerken. En juist dit separatisme brak hen op. Daarom werden zij veracht, verdrukt en vervolgd door de koning, de kerk en vaak zelfs ook met steun van andere puriteinen.

Naar Leiden

De vlucht naar de Republiek der Nederlanden, in 1608, stond onder leiding van ds. John Robinson (1575-1625) een puriteinse predikant uit Norfolk. Hij vestigde zich met zijn medestanders in Amsterdam. Maar al spoedig besloot hij die stad te verlaten, omdat er conflicten ontstonden over onder andere de doop. De migrantengemeente vertrok naar Leiden, mede omdat men in de schaduw van de Leidse universiteit, met de bijbehorende academische vrijheid, verwachtte meer ruimte te hebben om de eigen kerk- en geloofsopvatting gestalte te geven.

In de Sleutelstad diende Robinson de Engelse gemeente als predikant en William Brewster als regerend ouderling. Robinson werd in Leiden gewaardeerd. De gemeente groeide tot ruim 300 zielen. Robinson liet zich inschrijven aan de Leidse universiteit en kreeg daardoor contact met de contra-remonstrantse predikanten Festus Hommius en Johannes Polyander. Laatstgenoemde verzocht hem in 1615 om in debat te gaan met Simon Episcopius, een van de voornaamste arminiaanse predikanten. De academische discussie over de vragen rond de uitverkiezing duurde drie dagen. Volgens William Bradford, de chroniqueur van de Pilgrim Fathers, hielp God hem „om de waarheid te verdedigen en zijn tegenstander de mond te snoeren.”

De academische vrijheid die Leiden kende en koesterde, bood ook ouderling Brewster de gelegenheid een drukkerij te beginnen. Hij drukte onder meer boeken van auteurs die bezwaar maakten tegen het niet-reformatorisch karakter van de Engelse kerk. Dat was koning Jacobus een doorn in het oog en zijn gezant drong er herhaaldelijk bij het Leidse stadbestuur op aan Brewster een uitgeefverbod op te leggen. Uiteindelijk had dat tot gevolg dat deze gevangen werd gezet, zij het voor korte tijd.

Toch voelden de Engelse immigranten zich op den duur niet in Leiden thuis. Zij stoorden zich aan het wereldse leven. Vooral de zondagsviering gaf hen veel zorg. De angst was dat de jeugd bevangen zou worden door deze wereldzin. Daarnaast waren er ook economische problemen. De meeste Engelse immigranten hadden het arm. Als los-vaste arbeiders waren ze geen dag zeker van hun water en brood. Bovendien dreigde rond 1620 het bestand met Spanje af te lopen en kwam de veiligheid in de Lage Landen onder druk te staan.

Dat alles bracht de meerderheid in de immigrantengemeente ertoe te besluiten elders een goed heenkomen te zoeken. Het oog werd gevestigd op de Nieuwe Wereld. Daar was al een Engelse kolonie in Virginia, en de Hollandse kolonie Nieuw Amsterdam, gelegen op de plaats waar nu New York ligt. Na onderhandelingen met verschillende handelscompagnieën kregen de pelgrims toestemming van de Merchant Adventurers om zich te vestigen op de oostkust van Amerika. Niet helemaal verwonderlijk, want deze handelsvereniging, vooral actief in de wolhandel, had nogal wat puriteinen onder hun leden.

Vanuit Leiden gingen de Britse immigranten op een platte schuit naar Rotterdam. Daar hadden de Merchant Adventurers hun handelskantoor. De handelaren hadden hun schip de Speedwell enigszins aangepast om de puriteinse passagiers mee te nemen.

Voordat de landverhuizers vertrokken, werd er eerst nog een bidstond gehouden in de Sint Antoniuskapel, die wij kennen als de Pelgrimvaderskerk. Ds. Robinson preekte over Ezra 8:21: „Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier A’hava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods, om van Hem te verzoeken een rechte weg, voor ons, en voor onze kinderen, en voor al onze have.”

De volgende dag, 22 juli 1620, vertrokken de ”pilgrims”. Voordat ze in Delfshaven aan boord gingen, knielde ds. Robinson met de zeereizigers nog een keer op de kade. Daarna scheepten de dertig ”pilgrims” zich in. Meer mensen kon de Speedwell niet meenemen. Ds. Robinson zelf ging niet mee.

De Speedwell voer naar de Britse havenstad Southampton. Daar voegden de Leidse ”pilgrims” zich bij een groep andere puriteinen. In totaal maakten 102 mensen –overigens niet allemaal mensen met godsdienstige idealen– met de Mayflower de oversteek naar Amerika. De Speedwell bleek bij nader inzien toch niet zo geschikt voor de groepsreis naar de Nieuwe Wereld.

Oversteek

De reis was moeilijk en niet zonder gevaar. De passagiers moesten zich acht weken lang behelpen in een kleine bedompte ruimte van 1,5 meter hoog. Men moest er leven, koken, eten en slapen. De meesten van de groep werden zeeziek. Er was sprake van ondraaglijke stank, veroorzaakt door het vele overgeven. Moeders raakten bijna in paniek omdat de kinderen de reis eentonig en zwaar vonden. De zeeziekte ging ook niet over omdat de ene na de andere najaarsstorm over de oceaan raasde. Bovendien brak op zekere dag één van de dwarsbalken van het schip af. Velen dachten dat hun laatste uur geslagen was. Gelukkig lukte het de bemanning de balk te repareren. Tijdens de reis groeide bovendien de spanning tussen de bemanning en de passagiers, want de ruwe zeelui kregen steeds meer een afkeer van de vrome ”pilgrims” met hun strikte opvattingen.

Uiteindelijk arriveerde de Mayflower op 11 november 1620, na 65 dagen varen. Niet bij de Hudsonrivier, zoals gepland, maar honderden kilometers noordelijker, aan de noordkant van Cape Cod. Een vestiging in de al bestaande kolonie Virginia was dus niet aan de orde. Er zijn sterke vermoedens dat kapitein Jones bewust deze noordelijke plaats had uitgekozen op aandringen van Hollandse handelaren, die de ”pilgrims” liever niet op de Hudson zagen, de rivier die hen in Virginia zou brengen. Het probleem van de Hollandse kooplieden was dat aan de Hudson ook hun kolonie Nieuw Amsterdam, het huidige New York, lag. Vandaar dat ze waarschijnlijk kapitein Jones een forse duit in handen hadden gedrukt om de ”pilgrims” niet in hun handelsgebied af te zetten. Hoe dan ook, bij Plymouth gingen de ”pilgrims” aan land. Hier zouden ze hun eerste kolonie stichten. Dat was dus een ander gebied dan waarvoor zij patent hadden gekregen.

Voorzienigheid

Plymouth was een kale rots. William Bradford, de leider van de ”pilgrims”, schreef in zijn reisverslag dat er geen vrienden waren om hen te ontvangen, geen herbergen die hun deuren openden om gastvrijheid te bieden en geen huizen om in te wonen. Kortom, er was bij aankomst alleen kille onherbergzaamheid en ijzige vrieskou.

Toch riep hij, volgens zijn eigen verslag, zijn broeders op om in het geloof op te zien naar het betere vaderland, waar de overste Leidsman en Voleinder des geloofs alles voor hen zal doen. De predikant Cotton Mather schreef later in zijn ”Magnalia Christi Americana”: „Er was inderdaad sprake van de wonderlijkste voorzienigheid van God voor een vroom en biddend volk in deze teleurstelling! De meest kromme weg die ooit gegaan was, zelfs nog meer dan de tocht van Israël door de wildernis, mag een rechte weg genoemd worden. De valse handelswijze van de kapitein bleek een veilige handelwijze te zijn.”

Voordat de ”pilgrims” aan land gingen om Plymouth Colony te stichten, tekenden zij aan boord van het schip een overeenkomst die het bestuur van de kolonie regelde. Daarin staat onder meer dat de pelgrims „tot eer van God en de voortgang van het christelijk geloof en ter ere van onze koning en vaderland” de reis hebben ondernomen „om de eerste kolonie van de noordelijke delen van Virginia te planten.” Ze vormden „plechtig en wederkerig, in de tegenwoordigheid Gods”, een „burgerlijke gemeenschap.”

Het eerste jaar in Plymouth bleek een moeilijk jaar te zijn. Bijna de helft van de groep immigranten stierf als gevolg van ziekten, koude en ontberingen. De verhouding met de indianen die daar woonden was soms gespannen, omdat deze de Pilgrims Fathers zagen als indringers. De indianen waren vastbesloten zich niet te laten verdringen door de nieuwkomers. Er was heel wat tact voor nodig om een vertrouwensband met hen op te bouwen. Ook het bouwen van huizen en het in cultuur brengen van het land was een zware opgave.

Toch zagen de Pilgrim Fathers reden om in november 1621 de eerste dankdag na de oogst te houden, omdat God een nieuwe woonplaats had gegeven.