Op de bres voor de tropenarts

Erik Staal (r.) was tropenarts in Tanzania en is nu werkzaam als chirurg en tropenopleider in het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem. De mogelijk dat Nederlandse artsen zich specialiseren tot arts internationale gezondheidszorg en tropengeneeskunde (AIGT) noemt hij „volstrekt uniek. Als je dit stuk ervaring weggooit, heb je dat niet zomaar terug.” beeld Erik Staal
2

Artsen in Nederland kunnen zich sinds 2014 specialiseren tot arts internationale gezondheidszorg en tropengeneeskunde (AIGT). Nu 5 van de 24 opleidingsziekenhuizen zich hebben teruggetrokken als opleidingsplek, dreigt deze mogelijkheid te verdwijnen.

Volstrekt uniek noemt Erik Staal, voormalig tropenarts in Tanzania en nu werkzaam als chirurg en tropenopleider in het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem de mogelijkheid tot specialisatie. „In sommige landen kun je wel op deelgebieden specialiseren, bijvoorbeeld op infectieziekten. Ook is het soms mogelijk om in de opleiding tropenmodules te volgen. Maar een driejarige opleiding zoals wij die kennen, bestaat nergens. Onze artsen komen goed beslagen ten ijs als ze in de tropen gaan werken.”

Nooit gefinancierd

Hoewel de opleiding tot AIGT al in 2012 als officiële opleiding werd erkend door het college geneeskundig specialismen en in 2014 door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), is ze nooit gefinancierd door de overheid. Als gevolg hiervan dreigt de opleiding te verdwijnen nu 5 van de 24 opleidingsziekenhuizen zich hebben teruggetrokken als opleidingsplek.

De ziekenhuizen en de Nederlandse Vereniging van Tropengeneeskunde en Internationale Gezondheidszorg (NVTG) zijn al sinds 2014 in afwachting van financiering, aldus José Hoppenbrouwer van het opleidingsinstituut Internationale Gezondheidszorg. „De rek raakt nu uit de bereidheid van vooral vakgroepen in ziekenhuizen om door te gaan. Het kan niet af blijven hangen van de inzet van een aantal opleidingsartsen en hun collega’s.”

Doordat artsen in opleiding tot AIGT (aios-IGT) geen geld meekrijgen van de overheid, kan dit tot spanningen leiden op de werkvloer. Hoppenbrouwer: „Iemand in opleiding kost geld vanwege zijn salaris, maar er zijn ook kosten in instructietijd, begeleidingstijd, beoordelingstijd en voor een portfolio. Tijd die in een aios-IGT wordt gestopt, kan niet besteed worden aan een aios-chirurgie of aios-gynaecologie die wél een rugzakje met geld meebrengt. Dat geeft soms scheve gezichten. Je moet als aios-IGT en opleider IGT stevig in je schoenen staan om zoiets de sfeer niet te laten beïnvloeden.”

In 2015 heeft toenmalig minister Schippers het verzoek om financiering afgewezen. Oorzaak was haar overtuiging dat de artsen middels deze opleiding worden opgeleid voor het buitenland, en te weinig bijdragen voor de verzekerde gezondheidszorg in Nederland, zo blijkt uit de beantwoording van 3 februari 2015 op vragen van CU-kamerlid Dik-Faber.

Importziekten

Voor Erik Staal, die nog tweemaal per jaar afreist naar Afrika om met een team te opereren, is dit onbegrijpelijk. Toenemende globalisering, het vluchtelingenvraagstuk en de toegenomen mobiliteit van mensen, zorgen er volgens hem voor dat een arts met internationale ervaring belangrijker is dan ooit. „Doordat wij meer zijn gaan reizen, is er een enorme uitwisseling van ziekten ontstaan. Je ziet ook dat mensen die naar Nederland komen zogenaamde importziekten meenemen. De wereld is kleiner geworden en we krijgen te maken met pathologie die we nog niet kenden.”

Het probleem is volgens Staal dat de toegevoegde waarde lastig te kwantificeren is. „Mensen die terugkomen uit de tropen zien deze ervaring als een enorme toevoeging aan hun ontwikkeling als arts in het algemeen. Hun blik kan verfrissend zijn, want ze kijken met een andere bril. Zelf ontvang ik regelmatig een appje van collega’s die mensen behandelen met een tropische infectie. Ik kan hen dan adviseren door de ervaring die ik heb opgedaan.”

Leren van elkaar

Door de opkomst van het internet is ook het contact met de tropen veel gemakkelijker geworden. Vroeger zat een tropenarts alleen op locatie zonder andere artsen. Tegenwoordig leiden veel Afrikaanse landen hun eigen artsen op. Het blijvend contact met Nederlandse artsen draagt in Afrika enorm bij aan de ontwikkeling van de zorg, aldus Staal. Wat hem betreft, is dit een ander belangrijk aspect van het voortbestaan van de opleiding: „Westerse landen hebben een verantwoordelijkheid in de ontwikkelingssamenwerking.”

In Nederland kunnen wij ook leren van de gezondheidszorg daar, aldus de voormalig tropenarts. „Wij stoeien ook met aspecten als kwaliteit en veiligheid. In Afrika zie je dat ze bepaalde stappen overslaan en dat ze daardoor sneller gaan. Wij leggen ons erg vast in regelgeving en protocollen. Zij kunnen vrijer kijken en zijn meer blanco. Ze hebben daar bijvoorbeeld software ontwikkeld voor de gezondheidszorg. Wij worstelen met patiëntendossiers. Zij zijn bezig na te denken hoe patiënten hun eigen dossier kunnen beheren in een cloud.”

Het verdwijnen van de opleiding is dus een verkeerde ontwikkeling: „Deze opleiding is een stuk erfgoed waarin we heel veel ervaring hebben opgebouwd. Als je dat weg gooit, heb je dat niet zomaar terug.”

CU: Financiering onhoudbaar

CU-Kamerlid Dik-Faber heeft het verdwijnen van opleidingsplekken voor tropenarts onder de aandacht gebracht van minister Bruins voor Medische Zorg. Drie jaar geleden wees Dik er al op dat een deel van de studie, de fulltime cursus tropische geneeskunde van drie maanden bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT), bekostigd moet worden uit private middelen. Voor studenten kan het bedrag oplopen tot 10.000 euro. Het ministerie noemde de situatie destijds niet ongebruikelijk en voldoende duurzaam. Nu diverse ziekenhuizen hun handen aftrekken van de opleiding wil Dik van Bruins weten of hij de situatie nog steeds duurzaam vindt.