Onderzoeker in Uden: Leken lazen voor Reformatie al religieuze teksten

In het Museum voor Religieuze Kunst in Uden, het vroegere klooster van de Birgitinessen, stonden donderdag vroegmiddeleeuwse religieuze teksten centraal tijdens het symposium ”De stad als klooster”. beeld RD
3

Om het klooster van de birgitinessen in het Noord-Brabantse Uden, nu het Museum voor Religieuze Kunst, staat een muur, die de gemeenschap van de stad afscheidde. Dat die muren tussen het geestelijke en wereldse domein niet hoog opgetrokken waren, bleek donderdag op het symposium ”De stad als klooster”.

Het dagvullende programma was georganiseerd door de medewerkers aan het onderzoeksproject ”Cities of readers” aan de Rijksuniversiteit Groningen. De bijeenkomst werd in Uden gehouden in verband met de gelijknamige expositie ”De stad als klooster”, die deze week van start ging in het Museum voor Religieuze Kunst.

In haar openingswoord donderdag zette prof. dr. Sabrina Corbellini, een van de organisatoren, de bedoeling van het project uiteen: het lezen van religieuze teksten uit de late middeleeuwen. Het gaat de Groningse onderzoeksgroep niet alleen om de vraag wat leken in de late middeleeuwen lazen, maar ook hoe ze lazen: stil, alleen of in een groep? Hoe was het lichaam erbij betrokken en welke impact had het lezen op het lichaam en de ziel?

Hoe het kwam dat er in de Nederlanden in de late middeleeuwen relatief veel werd gelezen, legde prof. dr. Marc Boone (Gent) uit. Er waren veel steden, waartussen goederen, ideeën en teksten werden uitgewisseld. Daarvoor waren scholen nodig. Vanaf de elfde eeuw werden die opgezet. Dat mensen in de Nederlanden konden lezen was zodoende eerder regel dan uitzondering.

Teksten beschikbaar

De leescultuur bood kansen aan uitgevers en drukkers, waarvan er vele in de Nederlanden gevestigd waren. In hun winkels, maar ook op andere plaatsen, zoals in kerken en kloosters, waren teksten daardoor beschikbaar voor het publiek. In gemeenschappen, zoals broederschappen, en tijdens evenementen, zoals processies, kregen gewone mensen allerlei mogelijkheden om aan het religieuze leven mee te doen.

Promovenda Joanka van der Laan van de Rijksuniversiteit Groningen liet zien welke rol het lichaam bij het lezen en bidden speelde. Aan de hand van een laatmiddeleeuws Nederlands boek voor leken over de biecht toonde ze aan dat er allerlei lichaamshoudingen mogelijk waren bij het bidden. Van knielen op de grond tot plat op de grond liggen met gestrekte armen en het opheffen van je handen en armen. Deze houding van het lichaam weerspiegelde de innerlijke gezindheid, namelijk nederigheid. Op die manier kon je dicht bij Christus leven.

Dat religieuze teksten ook in bijzondere kunstvoorwerpen geïntegreerd werden, demonstreerde prof. dr. Frits Scholten (Amsterdam). Een van de onderdelen van de bloeiende vroomheid aan het einde van de zestiende eeuw waren religieuze kunstvoorwerpen, zoals monstransen, tabernakeltjes waarin de hostie bewaard werd. Ook bestonden er miniatuuraltaren en gebedsnoten in de vorm van een walnoot.

Afbeeldingen

In deze laatste categorie kunstvoorwerpen, die alleen betaalbaar waren voor de rijken, waren taferelen van Bijbelse personen of heiligen afgebeeld en stonden ook korte teksten, bijvoorbeeld beginregels van gezangen. Zo konden reizigers tot hun beschermheilige, Christoffel, die op een gebedsnoot is afgebeeld, bidden.

Het bestuderen van miniatuurvoorwerpen, zoals de gebedsnoot, werd beschouwd als symbool voor het leren kennen van de onzichtbare oorsprong van de hele kosmos. Andere voorwerpen, zoals een monstrans voor keizer Karel V, hadden een spelelement. In het kunstwerk zijn verschillende onderdelen open te klappen, waardoor verborgen taferelen tevoorschijn komen. Het spel was ter ontspanning van aardse en geestelijke bezigheden en werd door theologen als Thomas van Aquino ook als metafoor voor het beschouwen (contemplatie) en voor de weg naar kennis gebruikt.

Het onderzoek naar religieuze leescultuur in de late middeleeuwen werpt ook de vraag op hoe deze periode zich tot de Reformatie verhoudt. Deze kwestie kwam aan de orde in een lezing van dr. Isabella Gagliardi (Florence).

Aan de hand van het voorbeeld van de veertiende-eeuwse Italiaanse koopman Giovanni Colombini, die zich tot een religieus leven bekeerde, liet Gagliardi zien hoe mystieke theologie voor het volk werd vertaald. Meditatie moest volgens Colombini in stilte en afzondering gebeuren en zou tot visionaire ervaring van God leiden.

Persoonlijke relatie

Colombini droeg een vorm van mystiek uit waarin de persoonlijke relatie van het individu met God centraal stond. Dat roept de vraag op in hoeverre de priester en de kerk dan nog nodig zijn voor het geloofsleven. Gagliardi’s onderzoek laat zien dat deze vraag niet pas in de tijd van Luther oprees.