Juristen niet eens over strafbaarheid Nashvilleverklaring

Nashvilleverklaring
Fokko Oldenhuis, hoogleraar religie en recht aan de Rijksuniversiteit Groningen. beeld Sjaak Verboom

De rechtsgeleerden Fokko Oldenhuis en Matthijs de Blois denken verschillend over de vraag of de Nashvilleverklaring kan leiden tot een veroordeling. Centraal daarbij staan de artikelen 7 en 12 waarin staat of je homo mag zijn en of dat je daarvan kunt genezen.

Fokko Oldenhuis, hoogleraar recht en religie in Groningen, denkt dat het openbaar ministerie niet snel een strafzaak zal beginnen tegen de opstellers van de Nashvilleverklaring. Maar de burgerlijke rechter kan wel de tekst van artikel 7 en 12 onzorgvuldig noemen.

Jurist dr. Matthijs de Blois acht de kans heel klein dat de civiele rechter de opstellers van de verklaring terugfluit. „We hebben in Nederland vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting. Het lijkt mij heel vergaand dat de rechter delen van de verklaring verbiedt”, zei De Blois. Hij kon maar kort reageren omdat hij op het punt stond in het vliegtuig te stappen.

De pijnpunten zitten volgens Oldenhuis in de artikelen 7 en 12. De Groningse jurist zegt dat de tekst zich niet anders laat lezen dan dat je in de ogen van God geen homo mag zijn en dat je van je geaardheid genezen kunt worden. Met een verwijzing naar een oude zaak zegt hij dat het in deze omstandigheden niet ter zake doet dat de intentie van de opstellers en ondertekenaars nooit is geweest dit te zeggen.

„Evangelistenechtpaar Goeree zei eind jaren 80 dat de Joden de Tweede Wereldoorlog aan zichzelf hadden te wijten en riepen iedereen op zich te bekeren. Als je dat zegt, in een kerk of op straat, dan mag dat. Maar het paar verspreidde zijn boodschap ook ongevraagd via de brievenbussen. Het Centrum Informatie Documentatie Israël (CIDI) spande een privaatrechtelijke procedure aan en won. Daarnaast kwam er een strafrechtelijke procedure. De rechter veroordeelde het echtpaar om de vlugschriften die zij in de bus deden. De rechter zei toen geen boodschap te hebben aan het argument van de advocaat dat hun intentie goed was. Ondanks je goede bedoelingen kan je boodschap dus voor misverstaan aanleiding geven en daarmee onrechtmatig zijn. Een parallel met de Nashvilleverklaring is dat voor de verspreiding ervan bewust is gebruikgemaakt van de moderne brievenbus, namelijk internet.”

Een rechter, zegt Oldenhuis, zal bij zijn afweging rekening houden met het gegeven dat er reformatorische homo’s zijn die, nu hun onwaardigheid zo scherp wordt neergezet, zich van het leven zouden kunnen beroven omdat de kerk waarvan ze lid zijn ook zegt dat je geen homo mag zijn.

De hoogleraar zegt dat hij ontzet is over de tekst van de artikelen 7 en 12 en hoopt dat het niet zover hoeft te komen dat het document onder druk van de rechter van tafel moet. Een sleutelrol is volgens hem weggelegd voor christelijke homo-organisaties. „Ze moeten naar de opstellers toegaan en eisen dat ze artikel 7 en 12 terugtrekken. Willen de opstellers dat niet, dan moeten juist zij, niet het COC, de burgerlijke rechter vragen om een oordeel te vellen. Ik kan me voorstellen dat de rechter de verklaring onzorgvuldig acht. Voor homo’s die worstelen met hun geaardheid zal dat genoegdoening zijn.”

Zeer kwalijk vindt de hoogleraar dat de als jurist geschoolde politicus Kees van der Staaij er geen afstand van heeft genomen. „Ik vind dat Van der Staaij op één dag alle respect heeft verloren dat hij in al die jaren heeft opgebouwd. Hoe jammer is dat! Hij zegt de strekking te onderschrijven, maar uit zijn bewoordingen maandag in het radioprogramma Dit is de Dag en het televisieprogramma Jinek blijkt dat hij de precieze formuleringen niet goed tot zich heeft laten doordringen, want die gaan veel te ver. Hij ziet het document als debatstuk, maar dat is absoluut niet de intentie van de opstellers. Hij kan het ook niet eens zijn met artikel 7 en 12, want dat strijdt met zijn pleidooi voor zorgvuldige omgang met christelijke homo’s die worstelen met hun geaardheid. In de Kamer zegt hij ook niet dat hij het eens is met de strekking van een wet en de artikelen van de wet laat voor wat het is.”

Van der Staaij doet er volgens hem verstandig aan afstand te nemen van de specifieke artikelen. „Je dwingt respect af als je ergens op terugkomt.”