Expositie Luthers sterfhuis zet stil bij tijdelijke van het leven

Luthers sterfhuis. Foto RD RD
16

Na zijn dood treffen zijn vrienden in zijn woonkamer in Eisleben een kladje aan. Luthers ”letzter Zettel” (laatste briefje), achtergelaten op een schrijftafel, eindigt met zes woorden: „Wir sind Betler, das ist wahr.” Wij zijn bedelaars, dat is waar.

Luther had het briefje geschreven op 16 februari 1546, twee dagen voor zijn heengaan – op 18 februari, om 2:45 uur. Het luidde in zijn geheel: „De herdersgedichten van Vergilius kan niemand begrijpen, of hij moet vijf jaar herder zijn geweest. Vergilius’ gedichten over de landbouw kan niemand begrijpen, of hij moet vijf jaar akkerbouwer geweest zijn. De brieven van Cicero kan niemand begrijpen, of hij moet zich 25 jaar lang in een grote gemeenschap hebben bewogen. De Heilige Schrift mene niemand genoegzaam te hebben gesmaakt, of hij moet honderd jaar lang met profeten als Elia en Elisa, Johannes de Doper, Christus en de apostelen de gemeenten hebben geregeerd. Verleid deze goddelijke Aeneas niet, maar buig u diep aanbiddend voor zijn sporen! Wij zijn bedelaars, dat is waar.”

De „laatste schriftelijke woorden” van de Duitse kerkhervormer zijn te lezen in ”Luthers Sterbehaus” in Eisleben – dat zijn sterfhuis overigens niet is: dit bevond zich ongeveer op de plek van het huidige adres Markt 56. Het museum onderging in de jaren 2010-2013 een ingrijpende restauratie én uitbreiding. Daarmee is het klaar voor de Reformatie­herdenking in 2017.

Andreaskerk

Het eeuwenoude pand aan de Andreaskirchplatz 7 bevindt zich in de schaduw van de St. Andreaskerk. De beide torens van het evangelische (protestantse) bedehuis hullen zich op deze namiddag in een zachte gloed. Helemaal voorbij is de winter ook hier nog niet: overal liggen hoopjes sneeuw.

Imposant is de voorgevel van Luthers sterfhuis niet. Het staat ietwat ingeklemd tussen een bakkerij en, rechts, een moderner, leegstaand pand.

Achter de zware voordeur bevindt zich echter een ruimte die je er zo niet zou verwachten. Dat wás al zo, maar is sinds de uitbreiding aan de achterzijde alleen nog maar meer geworden.

Werd in 2007 Luthers ”Geburts-haus” (geboortehuis) heropend, begin vorige maand was het de beurt aan zijn sterfhuis. „Ik ben hier in Eisleben geboren en gedoopt – wat, als ik hier zou moeten blijven?” vroeg de Wittenberger reformator zich in februari 1546 af. Hij was op dat moment in Eisleben voor gesprekken met de graven van Mansfeld. Hij zou inderdaad in Eisleben sterven, hoogstwaarschijnlijk aan de gevolgen van een hartinfarct.

De onderhandelingen met de graven, onder andere over de mijnbouw, school- en kerkelijke zaken, vergden dan ook veel van Luther. Wie daaraan schuldig waren, was voor hem duidelijk: de juristen. Op 6 februari 1546 schreef hij aan zijn vriend Melanchthon: „O deze intriganten! O deze sofisten, pest van het mensengeslacht!”

Joden

Wat dat betreft, kon de Duitse kerkhervormer niet alleen tegen de Joden tekeergaan. Want ook dat kon hij – en de expositie schetst daarvan een eerlijk beeld, al meteen aan het begin. Luthers laatste preek in de St. Andreaskerk, die hij –drie dagen voor zijn dood– vroegtijdig moest beëindigen, sloot hij af met een kanselafkondiging contra de Joden. Teneur van zijn betoog was dat zij zich óf tot Christus bekeerden óf het Mansfelder land moesten verlaten.

Toch is dit niet het beeld van Luther dat je na afloop bijblijft. Eigenlijk is ”Luthers letzter Weg” een indrukwekkende tentoonstelling die je, juist anno 2013, weer even stilzet en bepaalt bij het tijdelijke van het aardse leven, bij het sterven.

Voor middeleeuwers was het niet meer dan normaal dat je daarbij stilstond. Het was voor velen dé grote vraag: Hóé sterf ik? Niet voor niets verschenen er tal van ”ars moriendi”-boekjes. Ook Luther schreef ”Ein Sermon von der Bereitung zum Sterben” (preek over de voorbereiding op het sterven).

Magdalena

Luther en zijn vrouw Katharina wisten ook wat het inhield een kind te verliezen. Hun dochtertje Elisabeth overleed toen het een halfjaar was; een andere dochter, Magdalena, stierf op 12-jarige leeftijd.

Over Magdalena schreef Luther dat hij weliswaar wist dat zij „wedergeboren is tot het eeuwige Rijk van Christus.” En toch: „Het vlees wil er niet aan, het afscheid nemen kwelt iemand bovenmate. Het is zeldzaam te weten dat zij zeker in vrede is en het haar goed gaat, en toch zo treurig te zijn!”

Wittenberg

Vier dagen na zijn overlijden wordt Luther onder buitengewoon grote belangstelling begraven in de Schlosskirche in Wittenberg. Op de deuren van deze kerk had hij op 31 oktober 1517 zijn 95 stellingen aangeslagen. Zijn –niet toegankelijke– graf bevindt zich er nog altijd, in de nabijheid van de kansel, 2,40 meter onder de grond.

Wat betekent Luthers dood vandaag? zo besluit de expositie. „Een antwoord moet ieder zelf vinden. Eén ding is zeker: Luther stierf, maar zijn werken en geschriften bleven. Zij werken tot op vandaag door. Onder een portret van Luther schreef zijn vriend Melanchthon al: „Ook als hij gestorven is – hij leeft.”

Dit is het eerste deel in een drieluik naar aanleiding van de recente heropening van ”Luthers Sterbehaus” in Eisleben en het ”Melanchthonhaus” in Wittenberg. Vrijdag deel 2.

>>martinluther.de


Troostverzen

„Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.” De woorden die de Heere Jezus sprak tegen Martha (Johannes 11:25) waren ook Luther tot troost. Toen de reformator zijn levenseinde voelde naderen, verzamelde hij een aantal ”Trostsprüche” (troostverzen) uit de Bijbel die hem, zo leert de expositie in Luthers sterfhuis, „begeleidden tijdens zijn laatste dagen en hielpen om met de angst voor de dood om te gaan.” De meeste waren afkomstig uit het Nieuwe Testament en de Psalmen. Via een koptelefoon zijn ze te beluisteren: Mattheüs 24:13; Johannes 11:25, 14:2, 15:6 en 16:33; 1 Timotheüs 2:3-4; Psalm 23:4 en 34:8. „Der Engel des HERRN lagert sich vmb die her/ so jn fürchten/ Vnd hilfft jnen aus” (Luthervertaling, 1545): „De engel des HEEREN legert zich rondom degenen die Hem vrezen, en rukt hen uit.”


Luthers laatste woorden

In het vorig jaar verschenen boek ”Luther, een sympathieke potentaat” prikt dr. René Süss volgens zijn uitgever –Van Praag, Amsterdam– de „mythe” door die zou zijn ontstaan „rond het vermeende theatrale sterfbed van Luther.” Deze overleed niet luttele uren na middernacht, omringd door vrienden en bewonderaars, aldus Süss. De voormalige hervormde predikant uit Amsterdam concludeert dat niemand er getuige van was dat Luther de laatste adem uitblies. „Zijn huisknecht trof hem om vijf uur ’s morgens levenloos aan in bed.”

Süss’ conclusie is bepaald geen nieuwe, zo blijkt uit de expositie ”Luthers letzter Weg” in Eisleben. Al op 20 februari 1546, twee dagen na het sterven van zijn vriend, merkt Michael Cölius in zijn lijkpredikatie op dat er inmiddels allerlei geruchten de ronde doen. „Er ist noch nicht begraben, auch nicht mehr als einen Tag tot gewesen, da finden sich, wie mir scheint, bereitwillig Leute, die –durch den bösen Geist getrieben– verbreiten, man hätte ihn im Bette tot aufgefunden” (Hij is nog niet begraven, en niet meer dan een dag dood, of er zijn al, naar het mij toeschijnt, bereidwillige mensen, die –door de boze geest gedreven– rondbazuinen dat men hem dood in bed heeft aangetroffen.”

Teken

Vriend en vijand van de reformator, zo vermeldt de tentoonstellingscatalogus, verwachtten een goddelijk teken op het moment dat hij zou sterven. „Sinds de dood van Judas Iskariot (Mattheüs 27:5, Handelingen 1:18) was het een uitgemaakte zaak dat vrome christenen vredig; de vijanden van het geloof echter onder smartelijke of smadelijke omstandigheden stierven.”

Al een uur na Luthers overlijden beginnen zijn vrienden Justus Jonas en Michael Cölius dan ook met het opstellen van een brief aan de Saksische keurvorst Johann Friedrich, waarin zij de gebeurtenissen van de afgelopen nacht nauwkeurig beschrijven. Omdat Cölius en hij overmand zijn door verdriet, dicteert Jonas een en ander aan de secretaris van graaf Albrecht. Vervolgens stelt hij nog wat kleine veranderingen voor, waarna de brief in het net wordt geschreven en naar de keurvorst gestuurd.

Jonas stelt in elk geval twee aanvullingen voor. De eerste informeert de vorst erover hoeveel predikaties Luther in de afgelopen weken nog heeft gehouden en hoe vaak hij de absolutie en het avondmaal ontving.

De tweede aanvulling, aldus de catalogus, benadrukt dat het schrijven om vier uur ’s morgens „eilends” (in allerijl) gedicteerd is. „Jonas wilde met deze laatste opmerking enerzijds duidelijk maken dat men de keurvorst onverwijld op de hoogte had gesteld, en anderzijds verklaren waarom de brief wat gehaast en op tal van plaatsen onvolledig was.”

In de brief die in Luthers sterfhuis te zien is, ontbreken beide aanvullingen nog. „Aan te nemen valt dat dit het oudste bewaard gebleven afschrift van dit eerste bericht over Luthers dood is.” Het exemplaar kon in 2012 uit privébezit worden verworven en is nu voor het eerst sinds eeuwen te zien.

Dr. Christian Philipsen, een van de samenstellers van de catalogus, laat desgevraagd weten overtuigd te zijn van de authenticiteit van het getuigenis. „Ondenkbaar, dat Luther is overleden zonder dat er iemand bij was.” Wat Philipsen betreft, is het dan ook glashelder: „Uit de beschrijving van Jonas en Cölius blijkt duidelijk hoe het die nacht is gegaan. Ze hebben niet alleen het laatste gebed dat Luther deed, opgeschreven, maar ook wat daarna gebeurde. Zij vroegen Luther: „Allerliefste vader, u belijdt dus Christus, de Zoon Gods, onze Heiland en Verlosser?” Daarop antwoordde Luther: „Ja.” Dat was Luthers laatste woord.”

Overigens staat volgens Philipsen buiten kijf dat de reformator in deze laatste momenten ook een crucifix voor zich heeft gehad – zoals de expositie aangeeft. „In zijn ”Sermon von der Bereitung zum Sterben” zegt hij zélf dat de stervenden het crucifix aangereikt moet worden.”

Zoons

Ook Luthers zoons Paul en Martin waren getuigen van het sterven van hun vader. In 1582 schreef eerstgenoemde met zijn ganzenveer in de ”Rudolstädter Medianbibel”: „Toen hem de hevige smarten ruim twee uur dodelijk geplaagd en afgemat hadden, heeft hij kort voor zijn zacht, zalig einde de tekst drie keer duidelijk herhaald, wat ik –naast mijn broer Martin voor het bed staande– zelf heb gehoord: „Alzo heeft God de wereld liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf, opdat allen, die in Hem geloven, niet verloren zouden gaan, maar het eeuwige leven hebben” (Johannes 3:16).