Dr. R. A. Veen: van doopsgezind naar Gereformeerde Bond

Dr. R. A. Veen. beeld Sjaak Verboom

Hij was docent aan het Doopsgezind Seminarium in Amsterdam, maar dat werd hem te vrijzinnig. Nu is dr. R. A. Veen lid van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland. „Ik kreeg steeds meer eerbied en liefde voor Gods Woord.”

De cirkel is nu rond, zegt de predikant in de pastorie van de hervormde gemeente in IJmuiden-West. „Ik groeide op binnen de Vergadering van gelovigen, met een hoge visie op de Schrift: die was helder, voldoende, gezaghebbend en noodzakelijk. Maar toen kwam ik in aanraking met filosofen als Paul Tillich en Friedrich Nietzsche en de historische kritiek op de Bijbel. Ik dreigde het geloof te verliezen. Via de doopsgezinden, de Zwitserse theoloog Karl Barth en vervolgens gereformeerde theologen als John MacArthur, R. C. Sproul, D. A. Carson en Tim Keller kwam ik echter weer terug bij de Bijbel als het gezaghebbende Woord van God.”

De weg naar het predikantschap was grillig. Ds. Veen (61) sloot zich in 1994 bij de doopsgezinden aan. „Ik had een baan als boekhouder en gaf daarnaast allerlei cursussen en lezingen op filosofisch en theologisch gebied. Toen twee verschillende mensen me vroegen waarom ik geen predikant werd, begon ik daarover na te denken. Op advies van een van hen meldde ik me aan bij het Doopsgezind Seminarium.”

Veen volgde daar de kerkelijke opleiding en werd de beoogde opvolger van prof. dr. Sjouke Voolstra, hoogleraar ethiek en systematische theologie. „Dat ik doopsgezind werd, kwam mede doordat ik het werk van Menno Simons leerde kennen. Een buitengewoon boeiend persoon. Hij legde niet alleen de nadruk op ethiek en de scheiding van kerk en staat, maar had ook een zeer hoge visie op de Schrift als Gods Woord. Pas later kwam ik er achter dat doopsgezinden hun eigen kerkvader niet meer volgen.”

Kerkvader?

„Ja, ik noem Menno Simons bewust zo. Naast Luther, Zwingli en Calvijn vertegenwoordigt hij –ondanks zijn eenzijdigheden en vergissingen– de vierde hoofdstroming in de Reformatie. Simons en Luther, die de rechtvaardiging van de goddeloze herontdekte, vormen samen de ideale combinatie. Mede door Simons begon mijn doopsgezind avontuur.”

Veen kreeg voor vier jaar een aanstelling als predikant in Appingedam, met een studieopdracht voor een promotie. Hij promoveerde in 2001 bij Sjouke Voolstra op een onderzoek naar het functioneren van de wet in de christelijke ethiek vanuit mennonitisch perspectief. „In het Nieuwe Testament staan 1054 geboden en imperatieven, zeg maar opdrachten. Wat moet een christen daarmee? Vallen die onder het gebod tot naastenliefde? In de traditie van de mennisten werd er over de toepassing van de geboden gediscussieerd, want het was de opdracht van de gemeente om te binden en te ontbinden.

Dat leek zó op de manier waarop rabbijnen in de eerste eeuw over ethische regels nadachten. Daar werd ik razend enthousiast over. Ik wilde daarom aantonen dat er zoiets als christelijke ”halacha” bestaat, een wetgeving die tot stand komt door met elkaar de regels vast te stellen.”

En zo denk u er nog over?

Hij schudt zijn hoofd. „Dat was 2001. Er is allereerst een praktisch bezwaar: deze manier van overleggen werkt niet meer. Belangrijker nog: dat stond Paulus ook niet voor ogen. In mijn dissertatie komt de Romeinenbrief uitgebreid aan de orde, maar later zag ik pas hoe revolutionair Paulus dacht. De apostel nam nadrukkelijk afstand van de eerste-eeuwse vorm van halachisch denken. In Romeinen 10 zegt hij dat Israël aan de wet van de gerechtigheid niet is toegekomen. Waarom niet? Omdat ze dat deden op grond van vermeende werken.

Nee, de eisen van de wet worden vervuld in hen die naar de Geest wandelen. Christenen moeten steeds opnieuw gehoorzaam zijn aan wat de Geest zegt en luisteren naar de aanwijzingen van de Schrift. Dat is weliswaar risicovoller dan het volgen van de regels van de halacha, maar wel de weg die het Nieuwe Testament wijst.”

In uw boek ”Zwaard en Kruis” stelt u dat de gemeente in navolging van Jezus Christus een alternatief vormt voor de staat en die onder kritiek stelt. Dat klinkt behoorlijk doopsgezind.

„Dat is een stukje mennistische traditie dat ik nooit heb hoeven te verloochenen. De verhouding tussen kerk en staat is door mennisten veel scherper gezien dan door andere christenen. De kerk vormt principieel een minderheid en ze legt als zodanig getuigenis af van wat God wil. Daarom heb ik problemen met 5 meivieringen of het Wilhelmus tijdens kerkdiensten.”

Dus dan zingt u gewoon niet mee.

„Meestal spreek ik met kerkenraden af dat ik geen 5 meivieringen leid of dat het Wilhelmus na de dienst wordt gezongen. Veel gemeenten doen dat sowieso al.

Kijk, de kerk mag geen maatschappelijke institutie worden. Ze moet getuigen van Gods gerechtigheid, van de mogelijkheid van een andere wereld. De kerk kan van de maatschappij geen gedrag vragen waarvoor wedergeboorte nodig is.”

U was docent aan het Doopsgezind Seminarium. Waarop stapte u op?

„Toen Sjouke Voolstra in 2004 overleed, veranderde alles. Hij vertegenwoordigde het deel van de Doopsgezinde Broederschap dat terug wilde naar de bronnen, naar het geloof waar Menno Simons over sprak, naar de Bijbel. Daarom zag Voolstra mij als zijn opvolger. Toen hij overleed, ging het roer van de Broederschap met een ruk de andere kant op. Men sloot zich aan bij de zogeheten vrijzinnige oecumene. Dat maakte mijn positie steeds zwakker. Ik kreeg te maken met tegenwerking. Zo werden mijn artikelen niet meer gepubliceerd. Een onhoudbare situatie. Toen hebben we in overleg besloten dat ik zou vertrekken.”

Hij kijkt uit het raam, denkt even na. „Die periode was zó gespannen, dat ik ook uit de kerk stapte. Wat ik verder moest, wist ik echt niet. Dit was toch de weg die God had gekozen? Maar toen was ik terug bij af.”

Enkele jaren later sloot dr. Veen zich aan bij de Protestantse Kerk in Nederland. „Wat mij aantrok in de Protestantse Kerk, was de vrijheid van de prediking. En er was een duidelijke stroming waarmee ik me verwant voelde, de Gereformeerde Bond.”

Ds. Veen werd in 2011 predikant van de protestantse gemeente in Ter Apel. „Maar wat ik hoopte aan te treffen, was er in onvoldoende mate: het gezag van de Bijbel en een verlangen naar een Bijbelse prediking. De gemeente was conventioneel, niet confessioneel. Een Bijbelse gemeente weet wat en waarom ze dingen doet. Zo niet, dan worden bepaalde gewoonten voortgezet of zomaar veranderd.”

Hij kreeg het aanbod om naar IJmuiden te komen. „Dat zou écht een confessionele gemeente zijn. Maar mijn prediking stuit bij sommigen op zwaar verzet. Ik zit nu midden in een conflict en zoek naar een nieuwe gemeente.”

Misschien past u niet zo in de Protestantse Kerk. Spijt van uw keuze?

„Er zijn momenten dat ik mijn overstap zeer betreur. Ik had er ontzettend veel van verwacht, vooral wat betreft de vrijheid van de prediking. Maar ik ben nergens zo beknot als in de Protestantse Kerk. Dat doet mee zeer. Al geloof ik niet dat het elders perse beter is, hoor. Dergelijke conflicten zijn geen aanleiding om de kerk te verlaten. Wat dat betreft onderschrijf ik het uitgangspunt van de Gereformeerde Bond: je blijft trouw aan de kerk.

Ik vind wel dat je kritiek op de kerk mag hebben. Af en toe wil ik wat keffen, als een hondje van de Herder. Tegen vrijzinnigheid in de kerk bijvoorbeeld, of tegen de teneur van sommige liederen in het nieuwe Liedboek. Dat wordt me niet in dank afgenomen. Maar ik wil geen geheim maken van waar ik voor sta.”

U noemt zich een ”reformed baptist”. Levert uw visie op de doop geen problemen op met het belijden van de kerk waarin u staat?

„Mijn visie is die van Karl Barth: eigenlijk zouden we kinderen moeten opdragen en volwassenen dopen. Ik zie de kinderdoop als een vorm van vermenging van kerk en staat, gelegaliseerd door de vierde-eeuwse keizer Constantijn de Grote. Maar voor mij is de doop geen breekpunt.”

U doopt gewoon kinderen.

„Ja, maar in de prediking zeg ik daarbij wel dat volwassenen de verantwoordelijkheid hebben om hun doop te bevestigen in hun belijdenis.”

Volgens u is er een vrijzinnige revolutie in de kerk gaande.

„Als het menselijke verstand en de ervaring belangrijker worden dan Gods Woord en het werk van de Geest, dan heb je met vrijzinnigheid te maken. Als iemand in mijn kerk zegt dat Christus misschien niet echt heeft geleefd en dat de Bijbel een verzameling menselijke getuigenissen uit het verleden is, dan kan ik hem niet als christen zien.”

Onlangs verscheen het derde deel van uw commentaar op Johannes. Wat zette u aan het schrijven?

„Een paar jaar geleden kwam ik op internet een serie preken van John MacArthur over Johannes tegen. Mijn vrouw en ik hebben die tijdens een vakantie in Tsjechië beluisterd. Dat maakte diepe indruk. De Schrift werd uitgelegd zoals die zelf wil spreken.

MacArthur gebruikt de expositiemethode, wat we in Nederland exegetisch preken noemen. Hij kiest een tekst en laat daarin de hele omliggende passage meeklinken. Ik denk dat de Schrift zó uitgelegd wil worden. Dan kom je dichter bij wat God wil zeggen dan dat je een tekst kiest en je eigen theologie en pastorale ervaringen erbij haalt.

Johannes is een prachtig Bijbelboek. Meer dan bij de andere evangelisten zie je de volstrekte eenheid tussen Jezus als God de Zoon en Jezus als Zoon des mensen. Je bent getuige van de meest ontroerende emoties die een mens maar kan hebben: Zijn wenen bij het overlijden van Lazarus, het intense verlangen om het Pascha met Zijn discipelen te vieren, de zorg voor de Zijnen in het Hogepriesterlijk gebed. Je ziet Hem dus in Zijn menselijkheid, maar ook in Zijn absolute verhevenheid. Hoe meer Hij in het licht staat, hoe dieper de duisternis om Hem heen lijkt te zijn.”

Dr. R. A. Veen

Robbert Adrianus Veen werd geboren op 29 oktober 1956 in Amsterdam. Hij groeide op binnen de Vergadering van gelovigen. Hij studeerde theologie, filosofie en semitische talen. Na een tijd „kerkloos” te zijn geweest, sloot Veen zich aan bij de doopsgezinden. In 1996 werd hij predikant in Appingedam. Veen promoveerde in 2001 aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift ”Obedience to the Law of Christ: An Inquiry Into the Function of the Mosaic Law in Christian Ethics, from a Mennonite Perspective.” Vanaf 2000 was hij universitair docent christelijke geloofs- en zedenleer vanuit dopers perspectief aan het Doopsgezind Seminarium in Amsterdam. Hij beëindigde zijn dienstverband in 2008 vanwege de in zijn ogen vrijzinnige koers van de opleiding. Dr. Veen publiceerde dat jaar zijn boek ”Zwaard en Kruis”, over de verhouding tussen kerk en staat. Hij stapte over naar de Protestantse Kerk in Nederland. Dr. Veen deed op 22 mei 2011 intrede in de protestantse gemeente in Ter Apel. Sinds april 2016 staat hij in de hervormde gemeente van IJmuiden-West. Dr. Veen, die lid is van de Gereformeerde Bond, voltooide onlangs zijn driedelig commentaar op het Evangelie van Johannes.