Abraham van de Velde: De eerste gereformeerde geschiedschrijver

De Nieuwe Kerk van Middelburg, waar Abraham van de Velde predikant was. beeld wikimedia, chris06 wikimedia, chris06
4

Gods hand in de vaderlandse geschiedenis aantonen. Dat typeert ”De wonderen des Allerhoogsten”, het beroemde geschiedwerk van de predikant Abraham van de Velde (1614-1677). Dit jaar is het 400 jaar geleden dat hij werd geboren.

Toen in 1970 de zestiende druk van het geschiedwerk verscheen, schreef het kerkelijke periodiek De Wachter Sions dat het boek zó algemeen bekend is „dat hierover niet verder geschreven hoefde te worden.” Dat geldt niet meer voor onze tijd. Historicus A. Th van Deursen citeerde eens een Russische schrijver: „Geen mens verdient dat men zijn lot vergeet.” Dat geldt zeker voor de schrijver van ”De wonderen des Allerhoogsten”. Zijn boek is een monument dat de gereformeerde geschiedschrijving gestempeld heeft.

Zijn betrokkenheid bij een conflict in Utrecht over de kapittelgoederen gaf Van de Velde in de Republiek landelijke bekendheid. In de middeleeuwen kwamen de grondopbrengsten van de kerk, in dit geval van het Utrechtse aartsbisdom, toe aan de rooms-katholieke geestelijkheid. Na de Reformatie streken de gereformeerd geworden beheerders van deze bezittingen, veelal stadsbestuurders en adellijke figuren, de inkomsten op. Met de hoogleraren Voetius en Essenius, de predikanten Van Lodenstein en Johannes Teellinck was Van de Velde van mening dat de renteopbrengsten rechtens toekwamen aan de Gereformeerde Kerk. De bronnen geven aanleiding om te stellen dat Van de Velde een grote en actieve rol speelde in het Utrechtse conflict tussen kerk en staat. Uiteindelijk verloren Van de Velde en Teellinck de verbale oorlog.

Rode draad

In de tijd dat hij in Middelburg stond heeft Van de Velde niets van zijn radicaliteit verloren, zo blijkt uit zijn twist met de coccejanen. Deze volgelingen van de gereformeerde theoloog Johannes Coccejus (1603-1669) kwamen vooral met Voetius in botsing.

Van de Veldes gelegenheidsgeschriften laten een grote historische interesse zien. Of het nu zijn eerste geschrift over de oordelen Gods betreft, zijn publicaties over de kapittelgoederen in Utrecht, de vervolging van de hugenoten, zijn pennenvruchten over de zondagsontheiliging, zijn geschrift over het betrachten van de ware godzaligheid in Indië of dat om het zijn schotschrift tegen de coccejanen gaat; het is vooral geschiedenis wat de klok slaat. De geschiedenis staat bij hem altijd in het kader van de handhaving van de gereformeerde leer en het streven naar een leven waarin alleen God de eer krijgt. Geschiedschrijving is bij Van de Velde dus geen doel op zichzelf, maar staat in dienst van de oproep om God te dienen en alleen op Hem te vertrouwen.

Aanspraak

Dat blijkt uit zijn ”De wonderen des Allerhoogsten”. In de eerste drukken staan zijn aanspraak tot de gemeente van Middelburg en zijn ”Tot den leser” na elkaar. In de laatste drukken zijn deze verkort samengevoegd tot één inleiding.

Van de Velde laat de lezer niet lang in het onzekere over zijn bedoeling. Volgens hem heeft God „Zich omtrent ons vaderland zodanig bezig gehouden, dat Hij het onder alle landen op een bijzonder wijze schijnt verkoren te hebben, om het ons ten goede tot een voorwerp van al Zijn wonderen te maken.” De laatste woorden vormen het diepste motief voor Van de Velde om zijn boek te schrijven: „Zo ergens des Heeren doen majesteit en heerlijkheid is, het is omtrent Zijn volk, Zijn gemeente, Zijn erfdeel waaraan Hij Zich blinkend in al Zijn heerlijkheid en heerlijke eigenschappen vertoont.” Van de Velde zegt hier hetzelfde als de hervormde theoloog dr. C. A. Tukker (1938-2007): „Alleen een ware gelovige kan geschiedschrijving beoefenen.” Waarmee hij aangeeft dat alleen voor iemand die Gods genade en trouw kent, het licht over de duiding van de geschiedenis opgaat.

Van de Veldes boek is niet chronologisch, maar thematisch van opzet. Hij kiest historische gebeurtenissen die passen bij zijn thema: de wonderen van God die tot bekering en dankbaarheid dienen te leiden. In het eerste deel geeft hij een overzicht van de geschiedenis van wat tegenwoordig als Nederland wordt aangeduid.

Aan de hand van een groot aantal wonderen vertelt hij hoe ons land onderdrukt en op wonderlijke wijze werd verlost. God Zelf is de eerste oorzaak van gebeurtenissen in de geschiedenis. Dat wil zeggen dat er een rechtstreeks en causaal verband bestaat tussen het handelen van God en een historische gebeurtenis. De middelen die God gebruikt, zijn vanuit een natuurwetenschappelijk kader beschouwd curieus. Zo vertelt Van de Velde dat God in de slag bij Nieuwpoort (1600) de zon gebruikte om de ogen van de vijand te verblinden. Ook regen en droogte, storm en onweer, vorst en dooi werden door God gebruikt om de plannen van de vijand te verijdelen. Door het gebed van de kinderen Gods en de geschonken moed en wijsheid aan de Oranjes werd de vijand verslagen.

Dienstmaagd

In het tweede deel van zijn boek geeft Van de Velde een Bijbels-theologische toepassing van de geschiedenis. Hierin valt de nadruk op de verschuldigde dankbaarheid en de oproep tot (nationale) bekering. Hij begeeft zich daarmee niet langer op historisch terrein, maar op dat van kerk, geloof en theologie. Maar dit is Van de Velde niet aan te rekenen. Pas in de 19e eeuw wordt geschiedenis een zelfstandige wetenschap. Tot die tijd is zij in heel Europa dienstmaagd van de filosofie of van de theologie.

Dat betekent echter niet dat Van de Velde er vanuit historisch oogpunt met de pet naar gooit. Hij beheerst zijn bronnen en weinig ontgaat hem. Hij citeert zowel protestantse als rooms-katholieke schrijvers. En ook tijdgenoten in binnen- en buitenland duiden de geschiedenis nog niet als een autonoom proces. De grote drie historieschrijvers van de 17e eeuw, Bor, Van Meteren en Van Reyd, zijn meer dan kroniekschrijvers. Ook zij verklaren de loop van de gebeurtenissen met behulp van metafysische, bovennatuurlijke factoren.

Alva als farao

De manier waarop Van de Velde met de rol van mensen in de geschiedenis omgaat, roept bij hedendaagse historici terecht vragen op. Zijn consequente vergelijking (niet: gelijkstelling) van personen en gebeurtenissen in de Nederlanden met die in Israël, is zowel eigentijds als riskant. Zo typeert hij Alva als de farao, de handelsbloei in de Republiek als het manna van de 17e eeuw, en vergelijkt hij de vluchtende Willem van Oranje met David.

Natuurlijk gebruikt een predikant beelden die aan de Bijbel zijn ontleend. Maar welke plaats krijgen de Zuidelijke Nederlanden in deze vergelijking? Is de selectie van Van de Velde niet te specifiek? Waarom zijn de gebieden waar de Nederlandse Reformatie –met Datheen en Guido de Brès– is begonnen en waar zo veel bloed van martelaren is gevloeid, weer volledig rooms-katholiek geworden? Van de Velde lijkt daar geen oog voor te hebben.

We kunnen in de 21e eeuw niet veel meer met de historische methode van Abraham van de Velde. Aan bronnenkritiek deed hij niet. Dat blijkt uit het verhaal van de ”dubbele ebbe” in 1672. Van der Velde vertelt dat hij uit goede bron vernomen heeft dat in het Rampjaar de Engelsen niet konden landen op Texel omdat de eb enkele uren langer aanhield dan gewoonlijk. In werkelijkheid heeft op de bewuste datum, 21 juli 1672, de eb even lang geduurd als normaal. Van de Velde heeft de gebeurtenis ten onrechte overgenomen van de historicus Valkenier, die er voor het eerst over spreekt in zijn boek uit 1675.

Toetssteen

Aan ”De wonderen des Allerhoogsten” dankt Abraham van de Velde zijn grote betekenis. Hoewel ook bij tijdgenoten het handelen van God als verklaring voor de geschiedenis wordt gebruikt, heeft het werk van Van de Velde een geheel eigen karakteristiek. De geconcentreerde en consequente uitwerking van Gods daden in de geschiedenis, met tal van pakkende voorbeelden, geeft het boek een ongeëvenaarde zeggingskracht.

Ik zou ”De wonderen des Allerhoogsten” op nummer één zetten van een canon voor gereformeerde geschiedschrijving. Bij nagenoeg elke discussie over Gods hand in de geschiedenis is Van de Velde de toetssteen. In 1985 verscheen tot nu toe de laatste druk van dit standaardwerk, waarvan in totaal zeventien edities zijn verschenen. Dat is fors voor een geschiedenisboek. Een gelijke zou ik in dit opzicht niet kunnen noemen.

Van de Velde heeft de standaard gezet voor de predikantengeschiedschrijving van de 17e en de 18e eeuw. Na hem kwamen in dit genre onder anderen Hermannus Witsius (1636-1708), Jacobus Fruytier (1659-1731), Johan Blomhert (1694-1738), Johannes Alderkerk (1697-1742), Henricus Ravesteyn (1693-1749), Arnoldus Rotterdam (1718-1781) en Johannes Barueth (1710-1782).

Te vaak wordt Van de Velde verkeerd gelezen en gebruikt. Alsof het aanwijzen van Gods hand in de geschiedenis mogelijk zou zijn zonder dat het licht van Gods Woord hierop valt. Dan doen we niet alleen Van de Velde tekort, bij wie het duiden van de geschiedenis altijd een zaak van geloof is, maar ook onszelf. Want dan resteert een geschiedenis waarin God slechts vaag voorkomt of waaruit Hij helemaal verdwenen is. Vandaag zullen weinigen God als eerste oorzaak van een historische gebeurtenis aanwijzen. De betekenis van Abraham van de Velde voor nu is daarom zijn bezielde overtuiging dat God regeert en Zich in de geschiedenis openbaart.


Levensloop

Een precieze geboortedatum van Abraham van de Velde is niet bekend. Lange tijd werd aangenomen dat zijn gelijknamige vader predikant was in het Brabantse Veen. Prof. dr. W. J. op ’t Hof heeft echter onlangs aangetoond dat dit hoogst onwaarschijnlijk is. In 1631 wordt Van de Velde junior namelijk op de Latijnse school van Middelburg ingeschreven. Drie jaar later gaat hij theologie studeren aan de Leidse universiteit. Het studentenalbum maakt melding van Antwerpen als zijn geboorteplaats.

Na zijn studie is Van de Velde een klein jaar predikant in het Zuid-Hollandse Zevenhoven. In zijn tweede predikantsplaats, Schoonhoven, houdt hij het langer uit. Na elf jaar vertrekt hij naar Utrecht. Niemand minder dan Gijsbertus Voetius brengt het beroep op Van de Velde persoonlijk naar Schoonhoven.

In 1660 wordt Van de Velde na een conflict met het Utrechtse stadsbestuur uit de stad verbannen. Een beroep vanuit het Hollandse Medemblik wordt door de machtigste man van Republiek, raadpensionaris Johan de Witt, geblokkeerd. Na twee jaar de gereformeerde kerk van Arnemuiden te hebben gediend, wordt hij in 1663 in Middelburg bevestigd. In de Zeeuwse hoofdstad zal hij zijn grote geschiedwerk schrijven. In 1677 overlijdt hij in Middelburg op 63-jarige leeftijd. Hij is getrouwd geweest met Johanna Honigh.