Cultuur & boekenAchtergrond

Vier op een rij

Wie denkt dat een lift vol onbekenden het toppunt van ongemakkelijkheid is, heeft nog nooit tegenover vier mensen gestaan die zojuist door hun baas als ”de verdachten” zijn bestempeld. Gelukkig zijn zij zelf niet van dit feit op de hoogte. Voor hen ben ik simpelweg Wouda Jansonius, journaliste bij Het dagelijks nieuws, die voor een uitgebreid artikel over De Posterije graag met een aantal personeelsleden wil spreken. Dat de journaliste geen opschrijfboekje heeft en verdacht naar wc-eend ruikt, is een feit dat ze hopelijk over het hoofd zullen zien.

Tekening van vier mensen op een rij. Eerst een jongen met bruin haar, dan een oudere man met kalend hoofd, dan een jonge vrouw met opgestoken bruin haar en als laatste een man met bruin haar.
beeld Inge van der Maas

Terwijl Walter me introduceert, bestudeer ik onopvallend de vier gezichten voor me. Danny, de IT-specialist, staat met zijn handen in zijn zakken naar zijn witte gymschoenen te staren, terwijl hij zachtjes op zijn zolen heen en weer wipt. Ik schat hem een jaar of veertig: sportief, nonchalant ongeschoren en duidelijk met de situatie verlegen. Heeft hij een vermoeden waarom ik hier werkelijk ben? Tenslotte is hij als enige van de collega’s op de hoogte van de inbraken …

Karissa, het hoofd van de schoonmaakploeg, doet in elk geval geen poging om te verbergen hoe zij over nieuwsgierige verslaggevers denkt. Hoewel ze haar lippen stijf op elkaar klemt, fonkelen haar zwartbewimperde ogen van onverholen ongeduld. Haar diamanten oorringen schitteren in het lamplicht. Echte stenen? vraag ik me onwillekeurig af. Ze mag dan volgens Walter bekendstaan als de beste in haar branche, maar geloof me: ik heb inmiddels genoeg vloeren gedweild om te weten dat je in dit vak maar heel zelden miljonair wordt …

De souschef, een al wat oudere man die als Ben is voorgesteld, heeft zijn armen afwerend over elkaar geslagen. Zijn gezicht staat nors, maar of dat door mijn aanwezigheid komt, is maar de vraag; eerlijk gezegd ziet hij eruit alsof hij zelfs een opmerking over de regen nog als een persoonlijke aanval zou opvatten.

De enige die blijft glimlachen is Igor, de jonge, donkerogige chef-kok. „De culinaire ontdekking van de eeuw”, noemde Walter hem, vlak voordat hij het kantoor binnenstapte. „Hij werkt hier nog niet zo lang, maar we kunnen niet meer zonder ’m. Die knul is de beste chef die ik ooit in dienst heb gehad.”

Vier op een rij, denk ik peinzend. Wie speelt hier een spelletje?

„Uiteraard willen we ons in De Posterije van onze beste kant laten zien”, besluit Walter. „Daarom heb ik jullie gevraagd om juffrouw Jansonius te woord te staan. Ik zou zeggen, Wouda, brand los!” Ik heb nooit veel aanleg gehad voor verlegenheid, en ik besluit dat dit niet het moment is om ermee te beginnen. Met vier paar ietwat argwanende ogen op me gericht werk ik met gespeelde geroutineerdheid mijn verkapte kruisverhoor af. Wie is er verantwoordelijk voor de keukenvoorraden? Wie heeft de beroemde reerug op het menu gezet? Maken ze lange dagen? Wie komt ’s ochtends als eerste aan, en wie gaat het laatst weer weg?

„En?” vraagt Walter, als ik mijn vier ondervraagden vriendelijk heb bedankt en met de belofte van een gratis exemplaar van Het dagelijks nieuws naar huis gestuurd. „Iets wijzer geworden?”

„Niet veel”, zucht ik. „Eerlijk gezegd lijken het me allemaal brave, rechtschapen mensen – zij het dan een beetje achterdochtig tegenover de vrije pers.”

„Ik heb er alle vertrouwen in dat je de ware dader er vroeg of laat tussenuit weet te pikken”, zegt Walter bemoedigend. „Tenslotte werk je voor het beste detectivebureau van de stad.”

Wat, strikt genomen, geen onwaarheid is, aangezien mijnheer Jansonius me stipt betaalt om zijn toilet te poetsen.

Een torenklok slaat halftwaalf als ik vanonder de hoge portiek van De Posterije de donkere straat op stap. De eenzame bushalte aan de overkant ziet er niet al te uitnodigend uit, maar ik heb weinig puf om nog naar huis te gaan lopen. Ik wil net de straat oversteken als een gedeukte rode Suzuki het parkeerterrein van het restaurant af draait en piepend naast me tot stilstand komt. Het raampje schuift open. De donkere ogen van Igor, de chef-kok, kijken me vrolijk aan. „Moet je naar het centrum? Ik zet Ben op het station af. Wil je ook een lift?”