Tumult in het trappenhuis
Als je iemand echt wilt leren kennen, kun je het beste in zijn prullenmand kijken. Dat is een van de eerste dingen die ik ontdekte sinds ik deze zomer solliciteerde als kantoorschoonmaakster in de avonduren. Niet uit vrije wil, natuurlijk. Ik had allang een gevierd historica kunnen zijn als ik in mijn laatste semester niet met de Spaanse Successieoorlog in de clinch was geraakt. De tijd van vorsten en regenten heeft me al nooit erg gelegen, maar dit eindeloze gekibbel om de Habsburgse troon deed me de das om – met het pijnlijke gevolg dat ik nóg minstens een halfjaar kamerhuur op moet hoesten.

Prullenmanden, dus.
Het is werkelijk onvoorstelbaar wat je allemaal te weten kunt komen over een man door drie keer per week zijn vuilnis buiten te zetten. Neem nu de manager van het verzekeringskantoor op de tweede etage (louter desinfectiedoekjes en vitamine C-capsules) of de secretaresse van de vegetarische groothandel op de begane grond (BiFi-verpakkingen, zorgvuldig verfrommeld en slinks begraven onder de drinkpakjes amandelmelk).
Maar mijnheer Jansonius was me aanvankelijk een raadsel.
Wekenlang kon ik van de afvalbak op de derde verdieping geen chocola maken. De ene dag vond ik een lege bus kruipolie tussen zijn boterhamzakjes, de volgende keer viste ik drie valse acrylnagels uit een opengeknipt blikje Budweiser. Pas toen hij me op een avond op heterdaad betrapte met mijn neus in een krat valse haarstukjes, ontdekte ik dat mijnheer Jansonius de kost als privédetective verdient. (Hij was niet boos omdat hij me tussen zijn snorren had aangetroffen. Nieuwsgierigheid, zei hij, is een uitstekende eigenschap, zolang ze maar met een schoon geweten gepaard gaat.)
Sinds die dag maken we regelmatig een praatje wanneer ik hem buiten de kantooruren nog aan zijn bureau vind. Mijnheer Jansonius verklaart het prettig te vinden om af en toe een redelijk denkend wezen te spreken, aangezien het gros van zijn klanten uit wantrouwende werkgevers en jaloerse echtgenotes bestaat. „En dankbaar? Ho maar! Niets dan ellende in dit vak, juffrouw Wouda. Dan kun je maar beter vloeren dweilen en rijtjes markgraven stampen.” Want ik had hem natuurlijk over mijn Habsburgers verteld.
Maar vanavond brandt er geen licht op de derde verdieping. Mijnheer Jansonius is al de hele week afwezig, en zal dat nog wel een tijdje blijven ook, aangezien hij een undercoverbeveiligingsklus voor het Stedelijk Museum in M. draait. Ik heb hem zelden zo in zijn nopjes gezien als de dag waarop hij hoorde dat hij zijn frauduleuze filiaalmanagers en minnekozende maîtresses zes weken lang voor een Romeinse muntschat mocht verruilen. Ik zit intussen mooi met de brokken, want een leeg kantoor wordt niet vies, en dat betekent dat ik na werktijd een uur langer met de hertog van Marlborough opgescheept zit.
Ik wil net de sleutel omdraaien voor een snelle stofbeurt van de archiefkasten, als ik vlugge voetstappen in het trappenhuis hoor. „Mijnheer Jansonius!” galmt een mannenstem. „Mijnheer Jans … Oh, pardon …!”
„Ik ben bang dat mijn klanten in groot gevaar zijn”
De kleine man die buiten adem de gang in stommelt, ziet eruit als een mix van een maître d’hôtel __ en een ruiende humboldtpinguïn. Hij draagt een verfomfaaid driedelig pak en een vlinderdas die op halfzeven hangt. Zijn gezicht betrekt en klaart op in één vloeiende beweging van zijn wenkbrauwen zodra hij mij in het oog krijgt. „Mevróúw Jansonius”, corrigeert hij zichzelf. „Neem me niet kwalijk. Op uw website … Ik dacht … Enfin.” Hij neemt een nieuwe hap lucht en veegt met de rug van zijn hand terloops langs zijn al wat wijkende haarlijn. „Bijzónder blij dat ik u hier nog aantref. Het is namelijk zo …”
Overrompeld schud ik mijn hoofd. „Het spijt me”, begin ik, „maar ik ben …”
„… juist van plan om naar huis te gaan”, zegt het mannetje haastig. „Dat begrijp ik, dat begrijp ik. Maar mijn goede naam … En de klanten …” Hij vist met zijn pink een wijnrood pochet uit zijn borstzakje en dept er met een geroutineerde beweging zijn voorhoofd mee af. Dan stoot hij plotseling uit: „Ik ben bang dat ze in groot gevaar zijn!”
Vond u dit artikel nuttig?
- Meer over
- RDMagazine
- Feuilleton





