Puzzelverhaal: De reis van Louise #9
Deze zomer plaatsen we wekelijks een aflevering van het puzzelverhaal ”De reis van Louise”. Hoofdpersoon Louise maakt in de loop van het verhaal een lange tocht door Nederland. De vraag is elke week: Waar is ze nu? Puzzel mee en maak kans op een boek. Deze week aflevering 9: Het huis aan de Prinsengracht.

Het huis aan de Prinsengracht
Er staat een politieauto bij de ingang van het museum.
Louise voelt Mark naast zich aarzelen. Maar ze moeten hier doorheen, er is nu geen weg terug.
„Kom”, zegt ze, terwijl ze hem bij zijn arm meetrekt. „We gaan het gewoon uitleggen.”
Maar dan, ineens, gebeurt het toch nog.
Vanuit haar ooghoek ziet ze iets schitteren, links van het pad. Glas, metaal?
Ze verstrakt midden in de beweging – ze staat op scherp door de spanning van de laatste dagen. Het is alsof ze het gevaar ruikt al voordat het signaal haar ogen en haar hersenen bereikt heeft. Maar ze heeft zich nog niet omgedraaid of ze ligt op de grond, het zware gewicht van een man boven op zich.
Hij rukt en trekt aan haar rugzak, aan haar arm. Een van de schouderbanden geeft mee, maar ze grijpt de andere met beide handen vast.
Er flitst iets voor haar ogen. Een mes?
Ze heeft geen tijd om bang te zijn. Ineens zijn er nog meer handen en armen en lichamen, in een kluwen van beweging. Ze voelt hoe de rugzak loskomt van haar schouders – heeft haar aanvaller toch nog kans gezien de draagband door te snijden? Maar haar beide handen laten niet los. Ze kan de rugzak niet kwijtraken, ze kan het dagboek niet kwijtraken.
Dan is het voorbij. Even plotseling als het begon.
Mark staat hijgend naast haar, zijn mond vreemd vertrokken. Alsof hij op het punt staat in tranen uit te barsten. Twee politieagenten hebben haar aanvaller vast, een derde haalt een paar handboeien tevoorschijn. Tientallen museumbezoekers staan met bleke, geschrokken gezichten toe te kijken.
Het duurt een seconde of wat, dan komt de wereld weer in beweging. Louise voelt haar handen en knieën trillen, terwijl ze overeind krabbelt. Mark staat erbij als een zoutpilaar. De man met de baard wordt afgevoerd in de richting van de politieauto.
Een van de agenten loopt met Mark en Louise mee naar de ingang van het museum. Langs de zuil met de naam, ”Herinneringscentrum Kamp Westerbork”. Langs het gebouwtjes met de honderden gezichten. Door de schuifdeuren naar binnen.
„Daar is ze!” zegt de dame achter de balie. Ze wijst naar Louise. „Dat is het meisje dat hier met dat dagboek kwam aanzetten!”
De man die bij de balie staat, kijkt om en komt dan op hen af. Een rechercheur?
Louise haalt diep adem en zet een stap naar voren. Ze heeft niets meer te verbergen. Ze zet de rugzak neer, plompverloren op de grond, maakt de sluiting open en haalt het pakje tevoorschijn. „Dit is wat jullie zoeken. Maar het is niet echt.”
Mark kijkt wat ongemakkelijk toe, terwijl ze het pakje aan de rechercheur geeft.
„Het is een kopie”, zegt hij. „Een slechte kopie van het dagboek.”
De rechercheur zegt niets. Hij kijkt fronsend van het pakje naar Louise, en weer terug.
„Ben jij van The Hack Studio?” vraagt hij.
„Zij niet”, zegt Mark. „Dat ben ik.”
„Ze hebben contact met ons opgenomen”, zegt de rechercheur. „Want jij had gebeld omdat je in de problemen zat?”
„Omdat die man hier rondliep”, zegt Mark, „die man van daarnet. Maar dat is nu opgelost. En dat pakje kunnen jullie houden. Dan kunnen wij naar huis gaan.”
„Niks ervan”, zegt de rechercheur. „Jullie gaan met mij mee. Allebei.”
Mark kijkt naar Louise. Die haalt haar schouders op: „Wat had je dan gedacht?”
Het duurt uren, op het politiebureau van Assen. Allebei moeten ze, tot in detail, hun verhaal vertellen. Eerst ieder afzonderlijk, daarna samen.
De agenten willen Emily’s nummer, om Louises verhaal te checken.
Ze bellen met de supermarkt in Vierlingsbeek. Met het Anne Frank Huis. Met The Hack Studio. Met de man die de kopie van het dagboek maakte. Ze proberen ook Boris te bellen, maar Boris beantwoordt geen oproepen.
„Hij is weggegaan, gisteren, en niet teruggekomen”, zegt Mark.
Louise neemt zich voor hem straks te vragen hoe dat nu zit. Was Boris degene die in verbinding stond met de mensen die het dagboek wilden stelen? Of zat hij juist samen met Mark in het complot, bij The Hack Studio?
Ze denkt het eerste. Anders was hij niet zomaar verdwenen. Maar ze sluit niet uit dat Mark hem bewust heeft gebruikt.
„Waarom hebben jullie niet gewoon contact met ons opgenomen?” vraagt een van de agenten.
„Ik was bang dat Mark iets illegaals had gedaan”, zegt Louise. „Dat hij een strafblad zou krijgen.”
„Ik was bang dat ze Louise iets zouden aandoen, als ik niet meewerkte”, zegt Mark.
„Maar je wilde het ook zelf”, zegt Louise, als ze eindelijk weer buiten staan.
„Wat?” zegt Mark.
„Mij te pakken krijgen. Dat pakketje terugkrijgen.”
Mark haalt zijn schouders op. „Ik wou doorgaan met het plan. Ik wou niet dat het mislukte doordat mijn zusje er ineens tussendoor fietste.”
Louise voelt zich een beetje schuldig, als ze dat hoort.
Mark wilde iets goeds doen. Zij wilde iets goeds doen. Maar ondanks al die goede bedoelingen hebben ze elkaar tegengewerkt. En daardoor allebei niets bereikt.
„Sorry”, zegt ze.
Maar diep vanbinnen is ze ook opgelucht.
De mannen die het dagboek van Anne Frank willen laten verdwijnen zijn machtig. The Hack Studio is gewiekst. Aan alle kanten zijn er grootse plannen gemaakt. En dan komt zij, zomaar een meisje dat een pakje uit de rugzak van haar broer haalt. En daardoor loopt alles in de soep.
Het geeft haar op de een of andere onlogische manier een gevoel van vertrouwen. Alsof ze niet bang hoeft te zijn voor alles wat er in de wereld gebeurt. Zelfs niet voor het gevoel dat de leugen het misschien wel wint van de waarheid, het kwade van het goede, de duisternis van het licht. Mensen kunnen listige complotten smeden, maar ze hebben nooit grip op het eind van het verhaal, denkt ze nu.
Er kan zomaar één mens komen die iets doet, niet eens bewust, waardoor de loop van de gebeurtenissen ineens verandert. Er kan zomaar iets gebeuren wat een wending geeft aan het verhaal. En daardoor gaat alles in het leven altijd nét anders dan je van tevoren denkt.
Een maand later staan ze samen in Amsterdam, Louise en Emily. Bij het huis aan de Prinsengracht, het beroemde huis uit het dagboek van Anne Frank.
Louise heeft, meteen na hun onvrijwillige bezoek aan het politiebureau, samen met Mark haar telefoon opgehaald in de supermarkt van Vierlingsbeek. Ze hebben de witte fiets van de Duitse verhuurder –wonderbaarlijk genoeg– teruggevonden op de plek waar Louise hem had achtergelaten. Mark heeft hem achter in de auto gelegd, en ze zijn ermee naar het station van Kevelaer gereden.
Ze kijkt naar de levensgrote foto van de trein. Drie dagen lang in een afgesloten veewagen.
De dag daarna is ze alleen op stap gegaan, met de trein. Ze heeft de ov-kaart van Emily’s moeder teruggebracht, met een bos bloemen erbij. Ze heeft het geld van haar treinreizen overgemaakt. En ze heeft, samen met Emily, kaartjes besteld voor het Anne Frank Huis. Omdat ze nu eindelijk eens het échte dagboek wilde zien.
Vandaag is het dan zo ver.
In het museum mag je geen foto’s of filmpjes maken, ziet Louise. Dat is jammer, dat had ze juist graag willen doen, want ze heeft een plan. Een plan waar beeldmateriaal voor nodig is. Maar dat moet ze dan maar op een andere manier oplossen. Ze maakt een foto van de ingang. En een selfie, samen met Emily. Er gaan veel mensen zoals zij het museum in, ziet ze. Twintigers, dertigers, uit allerlei landen en culturen.
Het eerste wat ze zien als ze binnen zijn, is een groot portret van Anne Frank. En daarna, in de volgende ruimte, een klein standbeeldje met een opvallende tekst op de wand erachter: „Eens zal deze verschrikkelijke oorlog toch wel aflopen, eens zullen wij toch weer mensen en niet alleen Joden zijn! 11 april 1944.”
Ze laten zich meenemen door de audiotour, door de zwart-witbeelden, de oude filmpjes en documenten, de foto’s en citaten. Ze ervaren het beklemmende gevoel van binnen zitten, achter de gordijnen, terwijl in elke nieuwe ruimte in grote letters op de wanden zwaardere maatregelen tegen de Joden worden opgesomd.
Net als alle andere bezoekers worden ze vanzelf stil. Ze praten fluisterend, wijzen elkaar op het keukenblokje, de knipsels die op het ouderwetse behang zijn geprikt, de porseleinen toiletpot, de streepjes op de muur waarmee de ouders van Margot en Anne Frank bijhielden hoe hard hun dochters groeiden: Anne in al die tijd dat ze ondergedoken zat 13 centimeter, Margot 1 centimeter. Maar Margot was ouder, die was al bijna uitgegroeid toen ze in het Achterhuis kwam.
Dan volgt het ergste deel van de tentoonstelling.
„Zie je dat?” zegt Emily. „De familie Frank zat op het allerlaatste transport naar Auschwitz. Hoe vreselijk is dat?”
Louise knikt. Ze kijkt naar de levensgrote foto van de trein. Drie dagen lang in een afgesloten veewagen. Ze weet hoe het verhaal afloopt. Anne en Margot werden doorgestuurd naar Bergen-Belsen, waar ze kort na elkaar overleden. Vlak voor de bevrijding. Alleen hun vader overleefde de oorlog.
Pas als ze in de Dagboekzaal zijn aangekomen, voelt Louise zich een klein beetje lichter worden.
Daar ligt het dan, het boekje waarover ze deze zomer zo veel zorgen gehad heeft. Het boekje met de rood-beige geruite omslag, opengeslagen bij zomaar een pagina die volgeschreven is in een kinderlijk blokletterhandschrift. Er zijn piepkleine fotootjes bij geplakt.
Het ligt, samen met de schriften waarin Anne haar dagboek verder schreef, veilig in een hermetisch afgesloten glazen vitrine. Ongetwijfeld zwaar beveiligd. Om beurten buigen alle bezoekers zich over het glas, proberen wat woorden te ontcijferen. Je kunt de letters amper lezen, en natuurlijk kun je de bladzij niet omslaan. Maar dat is niet erg. Het is maar goed dat het originele boekje zo goed beveiligd is, denkt Louise. Er zijn andere manieren om de tekst te lezen.
De stem van hun audiotour vertelt over Annes schriften, over de verschillende versies van haar dagboek, over de uitgave. Het duizelt Louise, zo veel onderzoek als er gedaan is naar de tekst die een veertienjarig meisje in de oorlog op papier heeft gezet.
„Dat zou ik nou graag voor m’n werk willen doen”, zegt Emily. „Zo’n tentoonstelling maken, zoals in dit museum.”
Het is iets om je voor in te zetten. Het verhaal van Anne Frank verder vertellen
„Snap ik”, zegt Louise. „En weet je wat ik dan wil? Met een hele schoolklas naar jouw tentoonstelling komen kijken.”
Ze ziet het voor zich, zo levendig als het maar kan. Het is iets om je voor in te zetten. Het verhaal van Anne Frank verder vertellen. Misschien eerst op Instagram – ze is van plan om met haar teruggevonden telefoon langs alle plekken te gaan waar ze deze zomer geweest is, en er dan een mooi beeldverhaal van te maken. Maar toch ook: voor de klas.
„Kom”, zegt Emily. „Dan gaan we het boek kopen.”
Naast elkaar staan ze bij de kassa van de museumwinkel, ieder met een eigen exemplaar.
Vanaf de omslag kijkt het gezicht van Anne Frank hen met een voorzichtig lachje aan.
Dit is de laatste aflevering van een vervolgverhaal dat de hele zomer heeft geduurd.














