Puzzelverhaal: De reis van Louise #7
Deze zomer plaatsen we wekelijks een aflevering van het puzzelverhaal ”De reis van Louise”. Hoofdpersoon Louise maakt in de loop van het verhaal een lange tocht door Nederland. De vraag is elke week: Waar is ze nu? Puzzel mee en maak kans op een boek. Deze week aflevering 7: Treinen in de nacht.

Treinen in de nacht
Je kunt je bijna niet voorstellen dat hier overdag onafzienbare mensenstromen langstrekken. Nu, rond middernacht, is de enorme stationshal met zijn hoge overkapping bijna spookachtig leeg en kaal, ook al lopen er hier en daar nog reizigers gehaast naar de laatste treinen. Af en toe doen een paar politieagenten de ronde.
Louise zit op een bankje te kijken hoe de wijzers van de klokken telkens met een schokje verspringen. Weer een minuut voorbij.
Het station van Utrecht is de hele nacht open, daar heeft ze geluk mee. En er is straks één nachttrein die rondrijdt door de Randstad: Utrecht, Amsterdam, Schiphol, Leiden, Den Haag, Rotterdam – en dan weer terug.
Ze heeft besloten dat ze in die trein gaat zitten. In de trein is het ’s nachts veiliger en beschutter dan hier in de stationshal, vermoedt ze. En ze kan nu toch onbeperkt reizen met de ov-kaart van Emily’s moeder. Over de kosten zal ze zich later wel het hoofd breken.
De nachttrein vertrekt om tien over één. Dat duurt nog een uur.
Ze pakt de Nokia uit haar rugzak, en het papiertje waarop ze –bij het achterlaten van haar eigen telefoon– een paar nummers heeft opgeschreven. Haar ouders. Mark. Een vriendin uit Amsterdam. Geen van allen kan ze nu bellen. Maar er is nog een andere mogelijkheid: Emily. Emily heeft haar nummer in de Nokia gezet, in de telefoonwinkel. Met de verzekering dat ze dag en nacht contact kon opnemen, mocht ze hulp nodig hebben.
Louise aarzelt even. Dan drukt ze het knopje in.
Emily neemt meteen op.
„Ben jij dat, Louise? Is het gelukt, met je pakje? En ben je nu thuis?”
„Nee”, zegt Louise.
„Wat dan, wat is er gebeurd?”
„Er ging iets mis”, zegt Louise. „Ik vertrouwde het niet.”
Ze vertelt Emily het verhaal van haar telefoontje naar Amsterdam, haar vlucht naar Utrecht. Maar over haar nieuwe plan vertelt ze niet. Nog niet.
„Wacht”, zegt Emily, „ik moet jou ook iets vertellen.”
„Wat dan?” zegt Louise.
„Mijn moeder heeft contact gehad met je broer. Weet je wel, ze had die oproep van hem gezien. Over jou. En ze vond dat ze toch een berichtje moest sturen.”
Louise weet even niets te zeggen.
„Het spijt me heel erg”, zegt Emily, „dat ze dat gedaan heeft.”
„Geeft niet”, zegt Louise werktuiglijk. „Ze weet toch niet waar ik nu ben. Toch?”
„Nee, natuurlijk niet”, zegt Emily. „Maar ze had wél haar telefoonnummer in dat bericht gezet. En toen heeft je broer haar opgebeld. Ik zat erbij, ik heb het gehoord. Hij vroeg of we iets aan je wilden doorgeven, als je ons misschien zou bellen.”
„Wat dan?” zegt Louise. Ze staat nu op scherp.
„Hij zei: Vertel asjeblieft aan Louise dat het allemaal nep is.”
„Dat het nep is? Wat? Dat pakje? Die achtervolging? Het was zo echt als het maar kan, dat kan ik je verzekeren!” zegt Louise verontwaardigd.
„Hij wou er verder niets over zeggen tegen mijn moeder. Maar hij vroeg of je alsjeblieft contact met hem wilde opnemen. Omdat hij dan alles kon uitleggen.”
Louise zwijgt.
„Misschien moet je dat doen”, zegt Emily. „Hem opbellen.”
„Ik weet niet”, zegt Louise. „Ik vertrouw het nog steeds niet.”
„Wat wil je dan? Wat ga je dan doen? Waar ben je nu?”
„Ik stap straks in de trein”, zegt Louise ontwijkend. Ze gaat niet vertellen waar ze heen gaat. Stel dat Mark de familie van Emily opnieuw belt…
„En heb je dan onderdak voor de nacht?” vraagt Emily.
„Maak je geen zorgen”, zegt Louise, „dat komt goed. Maar ik kan je nu echt niet vertellen waar ik heen ga. Morgen bel ik je weer.”
Emily sputtert nog even. Maar ze kan niet anders dan zich erbij neerleggen, natuurlijk.
„Pas op jezelf!” zegt ze, als afscheid.
Dan verbreekt Louise de verbinding en is ze weer alleen met haar eigen gedachten.
Het is een paar minuten over twee als de trein het station van Schiphol binnenrijdt. Daar lijkt het even alsof het gewoon overdag is. Er lopen mensen met koffers over het perron, er stappen mensen in de trein. Het geeft Louise een geruststellend gevoel van betrouwbaar gezelschap, van veiligheid.
Ze heeft een goed plekje gevonden, een plekje waar ze uren rustig kan zitten. Af en toe loopt er een conducteur door de trein. Hij heeft haar ov-kaart één keer gecontroleerd, daarna niet meer.
Ze heeft een beetje gedommeld, maar nu is ze weer wakker. En ze heeft honger. Het laatste broodje uit haar rugzak heeft ze al vroeg in de avond opgegeten. Ze dacht –hoe dom!– dat ze ’s nachts niets nodig zou hebben. En ze wilde zuinig zijn op haar geld, omdat ze niet wist waar ze morgen nog voor zou komen te staan. Maar nu heeft ze spijt.
Is dit nep? Als het echt is, dan heeft ze nu het beroemdste dagboek van het land in haar handen.
Als de trein weer begint te rijden, maakt ze haar rugzak open. Het eerste wat ze ziet is het briefje met de telefoonnummers. Zal ze? Maar als Mark dan opnieuw kan zien waar ze is? Of kan dat niet met een Nokia?
Ze stelt het nog even uit, besluit ze. In plaats van de telefoon haalt ze het pakje tevoorschijn, het pakje waar alles om draait. Ze wikkelt het bruine papier eraf en staart naar het vertrouwde ruitenpatroon. Rood en beige.
Is dit nep? Is dat wat Mark tegen haar wil zeggen?
Ze kan het bijna niet geloven, al hoopt ze het ergens wél. Dat zou het probleem een stuk minder groot maken. Want stel je voor dat het echt is… Dan heeft ze nu het beroemdste dagboek van het land in haar handen.
Ze slaat het behoedzaam open. Ze ziet een compact handschrift, kleine fotootjes en losse, ingeplakte blaadjes. Dat klopt precies met wat ze vanmiddag in de bibliotheek over dit dagboek gelezen heeft.
Ze bladert met voorzichtige handen door het boekje. Het is maar klein, formaat poëziealbum, en soms kan ze het handschrift nauwelijks ontcijferen. Hier en daar leest ze een paar zinnen.
„Het menu was niet zeer aanlokkelijk, tenminste voor mij, daarentegen at mijnheer 3 grote borden.”
„Vanochtend konden we weer gewoon na het ontbijt naar beneden gaan. De loodgieter kwam niet, daar zijn zoon een oproep had voor Duitsland en dadelijk moest vertrekken.”
„Er zijn nu weer 15 gijzelaars doodgeschoten, is dat niet verschrikkelijk?”
Rotterdam is het eindpunt van de trein. Daar zijn ze tegen halfvier. Maar ze kan gewoon blijven zitten, ziet Louise, omdat dezelfde trein straks weer in omgekeerde richting naar Utrecht gaat rijden, met dezelfde grote omweg langs Den Haag en Amsterdam.
Ze kan niet echt slapen, ze zakt alleen af en toe even weg.
Als ze bijna bij Amsterdam zijn, lijkt de lucht langzaam lichter te worden aan de horizon. Nog drie kwartier tot Utrecht. Daar kan ze uitstappen en een broodje gaan kopen. En dan neemt ze de eerste trein naar het noorden.
Er is één zin uit het boekje die haar bijblijft. „Schuilen is een heel gewoon woord geworden.”
Is dat waarom ze zich zo verbonden voelt met het meisje dat dit dagboek geschreven heeft? Ze stond er destijds alleen voor, ze moest zich verbergen, en ze kon zelfs haar eigen gezinsleden niet altijd vertrouwen.
Dat is wat zij nu ook voelt. Al zijn haar omstandigheden dan ook een stuk minder heftig, en al hoopt ze dat haar eigen gevoel van niemand te kunnen vertrouwen weer overgaat als ze het pakketje eenmaal kwijt is.
Of niet? Is dit het leven? De ontdekking dat je er ten diepste alleen voor staat? Dat er momenten zijn waarin je niet op andere mensen kunt vertrouwen? Is God er dan, op zulke momenten? Daar schrijft het meisje van het dagboek niets over. En zijzelf, wat gelooft zij?
Ze leunt achterover, legt haar handen over elkaar, sluit haar ogen.
Ze heeft in Utrecht een broodje gekocht, en koffie. Ze is opnieuw in de trein gestapt, deze keer in de goede richting, de richting van haar voorlopige bestemming.
Vijftig minuten later is ze in Zwolle, waar ze moet overstappen op de stoptrein.
Dat betekent dat nu bijna het moment gekomen is dat ze Mark gaat bellen. Zelfs al zou hij kunnen zien waar ze is, hij heeft haar nu niet een-twee-drie ingehaald. Tegen de tijd dat hij hier is, heeft ze allang haar bestemming bereikt.
Er zit bijna niemand in de stoptrein – iedereen reist ’s ochtends blijkbaar in omgekeerde richting. Louise voelt bijna fysiek de rust neerdalen als ze de stad eenmaal achter zich hebben gelaten en door het uitgestrekte, Drentse land rijden.
„Louise!” zegt Mark. „Waar zit je toch! We hebben je overal gezocht!”
Bij het station waar ze uitstapt, torent de plaatselijke melkpoederfabriek boven alles uit. Het dorp lijkt verder niet heel indrukwekkend, het stationsgebouwtje is maar simpel. Er zijn twee perrons en een bushalte. Aan de zijkant staat een soort gietijzeren kunstwerk dat uit vier bogen lijkt te bestaan, waarboven allerlei gekleurde plaatjes in ijzeren frames lijken te zweven. Rood en geel en groen en blauw. Ze herkent de afbeelding van een trein. En twee mensen. En een kerktoren, of is het toch iets anders?
Hier moet ze straks de bus nemen naar het volgende dorp. Dan is ze er bijna.
Ze toetst Marks nummer in, drukt de telefoon tegen haar oor.
„Met Louise”, zegt ze, als hij opneemt. „Ik heb gehoord dat je me iets uit te leggen hebt.”
„Louise!” zegt Mark. „Waar zit je toch! We hebben je overal gezocht!”
„Wie zijn ”we”?” zegt Louise.
„Ik en Boris”, zegt Mark.
„Doe niet zo onnozel”, zegt Louise. „Ik heb die man met die baard toch gezien? Wie is dat?”
„Die is hier nu ook”, zegt Mark achteloos, bijna té achteloos.
Louise kent die toon. Zo praatte hij vroeger al, als hij niet wilde toegeven dat hij bang of bezorgd was. „Wacht even”, zegt ze. „Bedreigt hij je soms?”
„Hij verstaat niet wat ik zeg”, zegt Mark, nog steeds op die supernonchalante toon.
Louise beseft dat hij geen antwoord geeft op haar vraag. Maar ze heeft geen tijd voor omzichtigheden. „Mark”, zegt ze dringend, „wat is er aan de hand?”
„Het is niet echt, dat pakje dat je daar hebt”, zegt Mark.
„Dat pakje dat jou 3000 euro waard was?”
„Ik kan het nu even niet uitleggen”, zegt Mark. „Dit is geen goed moment.”
„Weet die man daar bij jou soms niet dat het nep is?” vraagt Louise ongerust. „Of zeg je dat om hem op een dwaalspoor te zetten? Is het tóch echt?”
„Ik kan nu niet verder praten”, zegt Mark. „Kom gewoon naar huis. Of moet ik naar jou toekomen?”
„Waarom zou ik je nog vertrouwen?” zegt Louise, terwijl ze de verbinding verbreekt.
Oplossing gevonden? Stuur je antwoord in via puzzel@rd.nl en maak kans op een prijs.
Dit is de zevende aflevering van een vervolgverhaal dat de hele zomer duurt. Volgende week deel 8: Verzinsels en hersenspinsels.














