Cultuur & boekenWaar is Louise?

Puzzelverhaal: De reis van Louise #8

Fictie

Deze zomer plaatsen we wekelijks een aflevering van het puzzelverhaal ”De reis van Louise”. Hoofdpersoon Louise maakt in de loop van het verhaal een lange tocht door Nederland. De vraag is elke week: Waar is ze nu? Puzzel mee en maak kans op een boek. Deze week aflevering 8: Verzinsels en hersenspinsels.

beeld Sjaak Verboom

Verzinsels en hersenspinsels

De dame achter de balie kijkt haar met grote ogen aan.

„Het dagboek van Anne Frank? Dat kan echt niet. Weet je wel hoe goed dat beveiligd wordt?”

Louise zet haar rugzak neer, haalt het bruine pakje eruit.

„Dit is het. Kijk maar. Ik moet echt iemand spreken die er verstand van heeft.”

Ze kijkt toe hoe de vrouw het papier loswikkelt, de inhoud tevoorschijn haalt, een leesbril opzet en door het boekje bladert.

„Dat is iets héél merkwaardigs, wat je daar hebt”, zegt ze eindelijk. Haar blauwe ogen kijken doordringend over de leesbril heen naar Louise. „Ik wil wel even overleggen met iemand die er meer van weet dan ik. Kan ik het meenemen?”

„Nee”, zegt Louise. Ze legt haar hand beschermend over het pakje.

„Ook goed”, zegt de dame van de balie. „Wacht hier dan maar even. Daar kun je zitten.” Ze wijst naar een rijtje stoelen bij de ingang, overlegt fluisterend met een collega en verdwijnt dan door een deur achter in de ruimte.

Louise drentelt in de richting van de museumwinkel, kijkt naar de boeken die daar uitgestald staan. Er is een hele rij exemplaren van het dagboek van Anne Frank. Allemaal gebaseerd op die paar schriftjes uit het Achterhuis. Alles hangt van die schriftjes af, bedenkt ze. Als die niet echt zijn, zouden dan al die boeken meteen waardeloos worden?

Als ze, nog altijd met het pakje onder haar arm, terugloopt naar de ingang, vertrekt er een groep jongeren. Een of ander zomerkamp? De begeleiders hebben moeite om iedereen in het gareel te krijgen en netjes de parkeerplaats tussen de bomen te laten oversteken. Louise volgt ze met haar ogen. En dan ziet ze iets wat haar hart laat overslaan. Alsof ze een elektrische schok krijgt.

Een gele glimp tussen de bomen.

Ze vergist zich niet, ze hallucineert niet, hij staat daar echt. Marks auto.

Ze is naar buiten gelopen, tussen de bomen door, om het gele voertuig dat tussen het groen door schemert voorzichtig, met een omtrekkende beweging, te naderen. Op de plek waar ze nu staat kan ze het nummerbord zien. Geen twijfel mogelijk.

Maar de auto is leeg. Geen spoor van een bestuurder of passagier, en dat maakt haar ongerust. Waar zijn ze? En hoe is het mógelijk dat ze haar hier gevonden hebben? Dat ze zo snel in het noorden van het land zijn beland?

Ze krijgt het niet goed uitgepuzzeld. Maar ze weet wél wat ze nu moet doen. Snel terug naar binnen. Dat is het veiligst, daar zijn mensen die haar verder kunnen helpen.

Maar ze heeft nog geen tien stappen gezet of ze ziet dat de terugweg is afgesneden. Een donkere man, de man van wie ze het silhouet inmiddels maar al te goed kent, staat bij de deur en lijkt naar binnen te turen.

In een reflex draait ze zich om en haast zich de andere kant op, het bos in. Ze moet haar telefoon uitzetten. Ze moet zich verstoppen. Wachten tot ze weg zijn.

Vijf minuten, tien minuten loopt ze over het pad dat bij de parkeerplaats begint, en waar meer mensen wandelen. Er staan borden dat telefoons uitgezet moeten worden, vanwege de radiotelescopen een stukje verderop. Dat stelt haar op een of andere onlogische manier gerust. Alsof ze hier veiliger is, met alle telefoons in de omgeving uitgeschakeld.

Als ze een bankje ziet, tegenover de groene telescoop-achtige ”fluisterschotels” die op een open veldje in het bos staan, gaat ze zitten. Verscholen achter groene takken. Ze kan de mensen op het pad zien aankomen, maar die zullen haar pas ontdekken als ze bijna voor haar neus staan, eerder niet.

Terwijl ze wacht, kijkt ze naar de bomen, het gras, de groene schotels. Uiteindelijk haalt ze haar telefoon tevoorschijn. Ze durft hem niet aan te zetten. Maar misschien kan Mark haar zelfs volgen als hij uitstaat. Moet ze hem weggooien? Hier achterlaten? Ze aarzelt. Als ze dat doet, heeft ze helemaal niets meer.

Als ze weer opkijkt, ziet ze vanuit haar ooghoek een beweging. Niet op het pad, maar net ernaast, tussen de bomen. De bladeren ritselen. Alsof daar iemand loopt. Ze schiet overeind, de rugzak in de ene hand, de telefoon in de andere, trillend van spanning.

Maar het is al te laat. Een schimmige figuur duikt op tussen de bomen en rent het pad op, naar haar toe. Twee, drie stappen doet ze nog – maar dan heeft hij haar al bij haar arm te pakken.

„Wacht, Louise! Wacht nou!”

Hij is alleen, Mark. Geen spoor te bekennen van de donkere man die daarnet nog bij de museumingang stond. Zijn gezicht staat strak, gespannen, zijn ogen boren zich in de hare.

Louise wil honderd dingen tegelijk zeggen, maar er is één vraag die zich, onverwacht, als eerste naar buiten dringt: „Hoe heb je me in vredesnaam gevonden? Je hebt mijn nummer toch niet? Hoe kun je me dan volgen?”

„Het is je telefoon helemaal niet”, zegt Mark. „In het begin wel, je iPhone. Ik had geen keus, ik moest ze je nummer wel geven. Maar ik had zelf een andere manier. Die heb ik ze nooit verteld.”

Louise voelt zich ijskoud en stijf. Ze is opnieuw op het bankje gaan zitten, ze weet niet goed hoe ze weer in beweging moet komen. Ze weet niet wat ze zeggen of vragen moet. Het is te veel om te verwerken.

Verborgen in de omslag van het dagboek zit een traceerbare smartcard, zo klein en dun als een bankpasje

Ze hoort Mark praten, uitleggen, maar zijn stem klinkt ver weg. Ze kijkt naar het pakketje. Mark heeft het bruine papier eraf gewikkeld en het boekje opengeslagen. Nu ze het weet, snapt ze niet dat ze het niet eerder gecheckt heeft. Verborgen in de omslag van het dagboek dat ze al die tijd met zich meegedragen heeft, zit een traceerbare smartcard, zo klein en dun als een bankpasje.

„Maar dat heb ik nooit aan de anderen verteld” zegt Mark. „En dat pakje is ook niet wat je denkt dat het is. Dacht je dat we het echte dagboek op het spel zouden zetten? Het was gewoon een test. Voor een opdrachtgever. Die kwam ermee, met dat boekje. En hij vroeg of ik er een tracker op kon zetten.”

„En dat doe jij zomaar?” zegt Louise. Ze heeft eindelijk haar stem teruggevonden, maar ze hoort zelf hoe koud en afstandelijk ze klinkt.

„Niet zomaar”, zegt Mark. Hij kijkt haar aan: „Hé, geloof me, ik sta aan jouw kant! Wat dacht je dan?”

„Kom op zeg”, zegt Louise kwaad. „Ik sta aan jouw kant! Waarom zitten jullie me dan met z’n allen achterna? Wat dóé je samen met Boris en die enge vent die ik daarnet nog bij het museum zag staan? Die twee kun je niet vertrouwen, dat zie je toch gelijk!”

Mark haalt zijn schouders op. „Ik heb dat niet goed ingeschat”, geeft hij toe.

„Jij schat nooit iets goed in! Jij bent altijd veel te makkelijk en te goedgelovig! Als je maar spelletjes kunt spelen achter je laptop!”

Mark zegt niets. Zwijgend gaat hij naast haar zitten op het bankje.

„Wat voor opdrachtgever dan?” vraagt Louise uiteindelijk, ondanks zichzelf.

„Van The Hack Studio”, zegt Mark. Hij lijkt opgelucht dat hij het vertellen kan. „Je weet wel, daar kon ik afgelopen voorjaar die training doen.”

Louise knikt. The Hack Studio. Waar jongens zoals Mark leren om hun talent in te zetten voor goede dingen. Ethisch hacken. De politie helpen. Hun ouders hadden het idee toegejuicht.

„Het was een experiment, ik weet niet van wie precies. Niks crimineels of zo, iets met een onderzoek naar Holocaustontkenning. En de politie wist ervan, bij de politie weten ze altijd waar The Hack Studio mee bezig is.”

„Een experiment met het dagboek van Anne Frank?” vraagt Louise ongelovig

„Niet het echte dagboek. Dat snap je toch? Dit is gewoon namaak, en niet eens de beste. Er bestaan een paar precies nagemaakte kopieën, wist je dat? Met handschrift en ingeplakte plaatjes en al. Maar dit is niet eens een goede kopie, dit is een nepdagboek. Dat zie je gelijk aan het papier.”

„Jij misschien”, zegt Louise. „Ik niet.”

„En het is met balpen geschreven, dat kan toch helemaal niet? In de oorlog hadden ze nog geen balpennen.”

Louise zwijgt. Maar voordat ze zich écht dom kan gaan voelen, valt haar een gedachte in. Als zij het niet weet, weten anderen het ook niet. Ze kan wel een paar mensen noemen die geloven dat zij het echte dagboek in haar rugzak heeft zitten.

„Dat ze in de oorlog geen balpennen hadden”, zegt ze, „dat heb jij vast niet aan die man met die baard uitgelegd. Toch? Die gelooft dat het wél echt is.”

„Ja”, zegt Mark.

„Wat wil hij er dan mee? Die man is gevaarlijk! Zie je dat niet? Wat doet hij hier?”

Mark kijkt opzij. „Ik dacht dat ik hem afgeschud had”, zegt hij. „Anders was ik nooit achter je aan gegaan. Maar hij moet me op een of andere manier zijn gevolgd. Daar heb ik me op verkeken.”

Het is een lang en ingewikkeld verhaal, dat Mark te vertellen heeft. Louise probeert het zo goed mogelijk te volgen, al duizelt het haar af en toe. Het gaat over obscure websites en duistere forums waar Holocaustontkenners elkaar ontmoeten. Invloedrijke groepen, zegt Mark, vooral invloedrijk in het Midden-Oosten. Groepen die een eigen versie van de geschiedenis hebben. Die het gerucht verspreiden dat het dagboek van Anne Frank niet echt is.

„Echt waar?” zegt Louise.

„Ik verzin het niet, hoor”, zegt Mark. „Ze geloven dat de gaskamers in Auschwitz helemaal niet hebben bestaan. Dat er geen 6 miljoen Joden zijn vermoord. Dat Israël geen bestaansrecht heeft, omdat de hele geschiedenis van de Holocaust alleen maar een mediaverhaal is dat Israël heel handig gebruikt.”

Louise denkt aan Emily’s vader. Die vertelde ook zoiets.

„Ik heb gezegd dat ik ermee wil stoppen. Het wordt te gevaarlijk”

Toch kan ze het niet goed bevatten. Dat er rondom het dagboek van een Joods meisje uit de jaren veertig zo’n enorm web van leugens gesponnen kan worden. Het is alsof ze ineens de diepe onderstroom van de geschiedenis voelt, de gigantische, wereldwijde strijd tussen waarheid en leugen, recht en onrecht, licht en duisternis.

„Maar wat wilde je dan met dat pakketje?” vraagt ze.

„Ik niet”, zegt Mark, „mijn opdrachtgever. Hij wilde kijken wat er zou gebeuren als hij deed alsof hij de beveiliging van het Anne Frank Huis kon hacken. Wie daarop af zouden komen. Wat er met dat fake dagboek zou gebeuren.”

„Nou, het is duidelijk wie daarop afgekomen zijn”, zegt Louise.

Zwijgend zitten ze even naast elkaar.

„Weet je”, zegt Mark dan, „ik heb net The Hack Studio gebeld. Ik heb gezegd dat ik ermee wil stoppen. Het wordt te gevaarlijk.”

„Dat kun je wel zeggen!” zegt Louise. „Had je dat niet twee dagen eerder kunnen bedenken?”

Oplossing gevonden? Stuur je antwoord in via puzzel@rd.nl en maak kans op een prijs.

Dit is de achtste aflevering van een vervolgverhaal dat de hele zomer duurt. Volgende week deel 9 (slot): Het huis aan de Prinsengracht.