Topadvocaat Grapperhaus op zoek naar bezielend verband

Het Gesprek
2

Er is iets „verrots” in de staat van Nederland, schrijft topadvocaat en hoogleraar Ferdinand Grapperhaus. Een toenemend verschil tussen bevolkingsgroepen leidt samen met een afnemende sociale cohesie tot ontwrichting van de samenleving. Wat te doen? „We kunnen geloof er niet bij de mensen inpompen.”

In het chique kantoor van Allen & Overy in Amsterdam-Zuid zit Grapperhaus (58) op de afgesproken tijd voor het interview nog midden in een „conference call” met partners in het buitenland. Direct na het interview duikt hij opnieuw zo’n „meeting” in. Een fatsoenlijke lunch schiet er vandaag bij in.

De afgelopen twee jaar bestierde Grapperhaus het Nederlandse hoofdkantoor van de prestigieuze internationale advocatenfirma, die ruim veertig vestigingen telt in meer dan dertig landen. Na de zomer is hij er bestuursvoorzitter af. Dan is het tijd voor andere zaken. Misschien wel voor de politiek.

Want dát Grapperhaus, die in 2010 verantwoordelijk was voor het CDA-verkiezingsprogramma, op dat gebied ambities heeft, spat af van elk van de 125 bladzijden uit zijn dit voorjaar verschenen boek ”Rafels aan de rechtsstaat”.

Grapperhaus, die naast zijn werk in de commerciële advocatuur ook hoogleraar Europees arbeidsrecht is in Maastricht, maakt zich duidelijk zorgen. Hoewel Nederland van veraf een van de meest egalitaire landen ter wereld lijkt, is ons land volgens hem „steeds minder” een land van gelijke kansen. En, stelt Grapperhaus, „als de gelijkwaardigheid in een samenleving onder druk staat, komt de rechtsstaat in gevaar.”

Hoe groot is dat gevaar voor Nederland?

„Ons land is nog altijd een rechtsstaat, maar er zitten wel rafels aan. We hebben een voortreffelijke, niet-corrupte rechterlijke macht, een goed in elkaar gezet bestuurlijk systeem, een prima functionerende democratie. De rafel is dat, terwijl mensen aan de bovenkant er de afgelopen jaren fors op vooruitgingen, er aan de onderkant een steeds grotere groep is die niet meer mee kan komen en in inkomen, gezondheid, opleiding en woonsituatie achterop raakt. Die mensen moeten we er weer bij zien te trekken. Dat is de eerste rafel.”

Wat is de tweede?

„Dat we, voornamelijk uit winstbejag, in onze samenleving de solidariteit uit het oog aan het verliezen zijn. Deregulering, liberalisering en globalisering hebben een doorgeslagen individualisme in de hand gewerkt, waardoor mensen zich zijn gaan distantiëren van de gezamenlijkheid. Er wordt door de hedendaagse winnaars te weinig achteromgekeken om te zien dat er, warempel, een hele groep is die achterblijft. En dat terwijl de samenleving ooit is ontstaan omdat we gezegd hebben dat we willen dat er een gezamenlijkheid is. Maar dan moet iedereen in die samenleving wel een gelijke kans krijgen om mee te doen. Dat betekent dat het individuele ondergeschikt gemaakt moet worden aan het collectieve. Het waarborgen van gelijke kansen voor iedereen staat haaks op een ongebreideld vrijheidsideaal.”

U bent arbeidsrechtexpert. Arbeid is een productiefactor, net als kapitaal. Is die laatste de eerste niet steeds meer gaan overvleugelen?

„Toevallig sprak ik daar gisteren over met collega’s van mijn vakgroep in Maastricht. Het volledig voor hun eigen rekening brengen van werkenden is een van mijn allergrootste zorgen. Steeds meer zzp’ers, oproepkrachten en mensen met kortdurende flexcontractjes moeten het maar zelf uitzoeken en bouwen niet tot nauwelijks iets op aan sociale verzekeringen of pensioen. Daarbovenop komt de oprukkende automatisering en robotisering, die maakt dat steeds meer menselijke vaardigheden vlekkeloos door machines kunnen worden gereproduceerd. Zelfs in de journalistiek worden de mensen die algemene nieuwfeitjes produceren al door robots vervangen. Wat moeten al die mensen straks doen? Er zijn toch al genoeg hippe espressobars in Amsterdam?”

Tijdens een verkiezingsdebat antwoordde premier Rutte instemmend op de stelling: „Er moeten minder vaste banen komen.”

„Ik denk dat hij daar wel gelijk in heeft. Ik denk dat we allemaal flexibeler moeten worden, maar je moet wel je zekerheid houden; je paraplu. Dit kabinet wilde meer flexibiliteit en meer zekerheid op de arbeidsmarkt. Meer flexibiliteit kwam er, maar níét meer zekerheid. Onlangs bleek dat vier op de tien zzp’ers geen belasting betalen. Bovendien verzekeren ze zich niet. Dat is totaal verkeerd! In gedachten zie ik op een oprit voor een leuke woning met een nieuwe keuken en een royale hypotheek een glanzende stationwagen staan, van een zzp’end stel dat ieder jaar op vakantie gaat naar Bali. Maar ze hebben géén verzekering voor ziekte, arbeidsongeschiktheid of pensioen. En dan komen zzp’ers dus twee keer langs. Een keer om alle fiscale voordelen te genieten waarmee ze werknemers uit hun vaste baan hebben weggeconcurreerd, en later nóg eens om te zeggen: „De maatschappij moet mijn pensioen of ziekte-uitkering maar betalen, want ik heb niets gespaard.”

Hoe gaan we dit oplossen?

„Toen ik nog in de SER zat (Grapperhaus was van 2009 tot 2015 kroonlid in de Sociaal-Economische Raad, MtB) was ik hierover al een roepende in de woestijn. In 2010 waren er 600.000 zzp’ers, nu al 1 miljoen. Ik zei toen: dit gaat niet goed! Je moet die mensen collectief inbedden in verzekeringen en pensioenen. Het recht op fiscale aftrek moet je afhankelijk maken van de plicht om je als zzp’er adequaat te verzekeren. Het kan niet zo zijn dat, zoals nu, flexwerk goedkoper is dan vast werk. Wie dat uiteindelijk moet gaan betalen? Voor een belangrijk deel ook de werkgevers. Sowieso vind ik dat zij veel meer oog moeten hebben voor de samenleving om hen heen. Als je ergens een fabriek neerzet, moet je niet eisen van de overheid dat je belastingfaciliteiten wilt plus een goede infrastructuur. Je zult ook zélf een bijdrage moeten leveren.”

Welke bijdrage levert uw Allen & Overy aan de Nederlandse samenleving?

„Mensen die hier werken, moeten verplicht hun vaardigheden ook buiten deze commerciële omgeving ten goede laten komen. Zo is vanuit dit kantoor ”Amsterdam Cares” opgezet: een project waarbij mensen met mijn soort banen worden ingezet in heel eenvoudig vrijwilligerswerk. Zelf heb ik niet zo lang geleden een bingo geleid met een groep bejaarden. Dat kost je twee uur, maar is enorm leuk. Ook zetten we mensen in op onderwijsprojecten en zijn we samen met andere advocatenkantoren gestart met ”Havendiners”. Elke week organiseert een delegatie van een groot kantoor een diner met vluchtelingen. Voor hen is dat echt een avond uit, voor ons een manier om uit onze comfortzone te stappen.”

Mensen die het goed hebben, moeten hun vooruitgang dus meer delen met groepen aan de onderkant?

„Ja, in wezen zeg ik dat. Maar het komt natuurlijk gewoon uit de Bijbel. Ik heb dat niet zelf bedacht.”

In uw boek haalt u vaak de Bijbel aan. Welke rol speelt geloof in uw leven?

„Een grote. Dat komt ook doordat ik bij de jezuïeten ben opgevoed. De Bijbel is een onuitputtelijke bron voor levenswijsheid. Een tijdje geleden sprak ik tijdens een keynote-toespraak over de tekst: „Aanziet de vogelen des hemels.” Kort daarna gebruikte ik in een andere speech de Bijbel opnieuw. Ik krijg dan van collega-advocaten te horen: „Het was wel wéér de Bijbel vandaag, hé.” Op de rouwkaart van mijn vorig jaar overleden vrouw staat het prachtige gedicht van Ed Hoornik over de dochter van Jaïrus, u weet wel: het meisje dat uit de dood zou zijn opgestaan. Dat was een van haar lievelingsgedichten. Al geloof ik, in alle eerlijkheid, niet dat Jezus écht mensen tot leven heeft gewekt. Volgens mij moet je dat niet letterlijk nemen, maar metaforisch lezen.”

Gelooft u in een God Die de wereld heeft geschapen?

„Ik geloof dat ons ontstaan niet willekeurig is geweest, maar geleid is door een Schepper. Laat ik een voorbeeld geven. Stel: ik krijg ’s avonds eters. Ik sta bij de kassa van de supermarkt en denk plots: helemaal vergeten, we zouden aardbeien eten! Dan kan ik twee dingen doen. Ik kan de winkel uitlopen en denken: ik verzin wel wat, ik heb thuis nog pruimen op sap. Of ik loop terug de winkel in. Het scheelt vijf minuten. Bij die ene beslissing ga ik direct de winkel uit en kom vervolgens bij een kruispunt waar een vrachtwagen door rood rijdt precies als ik aan kom fietsen. De tweede mogelijkheid is dat ik die aardbeien haal en vijf minuten later bij dat kruispunt arriveer, waar ik constateer dat er zojuist een verschrikkelijk ongeluk is gebeurd met een fietser en een vrachtwagen. Ik geloof dat er veel dingen in het leven zijn bepaald, maar tegelijk óók dat je met je handelingen je noodlot ietwat sturing kunt geven. Het is misschien een wat lang antwoord op uw vraag, maar in mijn ogen is er dus een Kracht die ons leven wel degelijk leidt. Als ik hier intern jonge mensen opleid, onderzoek ik altijd scherp of ze ook zo’n leidend beginsel hebben. Ik vind dat enorm belangrijk.”

Zoekt u die leidende Kracht ook weleens in het gebed?

„Weleens. Voor anderen. Nooit voor mezelf, dat is heel gek. Dat doe je niet. Ik zou vroeger ook nooit voor een examen gebeden hebben. Nu heb ik niet zo veel examens meer, maar ik heb ook niet voor mezelf gebeden in de recente tijd van tegenspoed. Ik geloof dat het offer van Abraham een beproeving was: hoe ver ben je bereid te gaan? Abraham bracht dat offer niet voor zichzelf. Ik vind dat ik bevoorrecht ben. Als ik dan tegenslag heb, moet ik dat óók aanvaarden. Dat hoort bij die leidende kracht. Ik vind het serieus jammer dat ik in mijn directe omgeving steeds minder dit soort gedachten kan uiten, omdat mensen enorm geseculariseerd zijn.”

Die secularisering is volgens Grapperhaus ook een van de belangrijkste redenen waardoor het gezamenlijke belang in Nederland verwatert. Er zijn geen bezielende verbanden meer. Oude verbanden, zoals geloofsgemeenschappen, raakten in onbruik; nieuwe kwamen er niet bij. Het individu creëert meer en meer zijn eigen ruimte. „Vrijheid overvleugelde gelijkheid en drong de broederschap weg”, stelt hij. Daardoor boette de publieke zaak in aan gezag en hebben steeds minder mensen nog belang bij de deelname aan collectieve voorzieningen. Gemeenschapszin is volgens Grapperhaus hét medicijn voor die hedendaagse kwaal.

Gezamenlijkheid is als vertrouwen: het komt te voet en gaat te paard. Hoe krijgen we haar terug? Door, zoals uw CDA onlangs voorstelde, op scholen weer staand het Wilhelmus te gaan zingen?

„Dat lijkt me geen speerpunt, maar ik vind het ook niet verkeerd om op die manier te proberen weer een gevoel van gezamenlijkheid te creëren. Geloof kunnen we er niet bij de mensen inpompen. Wel denk ik dat de overheid dichter bij burgers moet komen te staan. Zodat mensen zeggen: „Ja, nú heb ik er wat mee!” Ook moet de overheid actiever worden en meer vanuit solidariteit gaan financieren. Een hogere belastingschijf voor mensen zoals ik, bijvoorbeeld. Mijn sterkere schouders kunnen best wat meer dragen. Het elimineren van ongelijkheid is geen doel op zich, wél dat we allemaal op een redelijke manier toegang houden tot dezelfde mogelijkheden. Daarom is onderwijs zo van belang. Dat moet goed zijn voor iedereen. Geen financiële barrières opwerpen dus, zoals dit kabinet deed met het leenstelsel.”

In 2015 zei u op de vraag of u ooit politiek actief zou worden: „Vast. Maar niet de komende twee jaar.” Die twee jaar zijn voorbij en er wordt gewerkt aan een kabinet met het CDA. Zien we u daarin, net als ooit uw vader, straks terug?

„Daar kan ik niets zinnigs over zeggen. Het ís ook niet aan mij. Maar mocht er zo’n deur voor je opengaan, dan vind ik dat je, zoals bij álles wat de maatschappij aangaat, serieus moet overwegen om binnen te stappen. Ik vind dat je als burger dienstbaar moet zijn, óók wanneer je niet bent uitverkoren voor zo’n post. Dan nog moet je stenen de berg op blijven dragen.”

Levensloop Ferdinand Grapperhaus

Ferdinand Grapperhaus studeerde Nederlands recht aan de UvA. In 1984 werd hij advocaat, waarna hij in 1995 promoveerde. In 2000 werd hij partner bij het internationale advocatenkantoor Allen & Overy, waar hij sinds 2015 als bestuursvoorzitter de Nederlandse tak runt. Sinds 2005 is hij daarnaast deeltijdhoogleraar Europees arbeidsrecht aan de Universiteit Maastricht. Van 2006 tot 2015 was hij kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER). Ook was hij in 2010 voorzitter van de programmacommissie van het CDA voor de Tweede Kamerverkiezingen. Grapperhaus verloor vorig jaar zijn vrouw, met wie hij vier kinderen kreeg: drie zoons en een dochter. Zijn vader, fiscaal jurist Ferd Grapperhaus, was eind jaren zestig namens de KVP staatssecretaris van Financiën in het kabinet-De Jong.