Scholen mogen van Slob homoseksualiteit niet „verderfelijk” noemen

Minster Slob. beeld ANP, Robin van Lonkhuijsen

Minister Slob vindt dat scholen niet mogen uitdragen dat homoseksualiteit „verderfelijk” is.

Dat schrijft de bewindsman in de schriftelijke voorbereiding op de Wet burgerschapsvorming. De wet gaat over rechten en plichten van burgers, maar de politieke discussie spitst zich vooral toe op de manier waarop orthodoxe scholen met een christelijke, joodse en islamitische achtergrond moeten omgaan met homoseksualiteit. Onderwijsjuristen en scholenkoepels plaatsten al eerder kritische kanttekeningen. De Kamer debatteert later dit jaar over de wet.

Slob (ChristenUnie) laat de Kamer weten dat scholen níet mogen uitdragen „dat homoseksualiteit verderfelijk is.” Een dergelijke uitlating levert in de visie van de minister „spanning op met het beginsel van de gelijkwaardigheid.” Met het „ongenuanceerd” verkondigen van dit standpunt „voldoet de school dan ook niet aan de voorwaarde dat respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat wordt bevorderd.”

Bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat is een belangrijk thema van de wet. Het wetsvoorstel verwijst dan naar de Grondwet en naar de universeel geldende rechten van de mens. In de toelichting op de wet geeft Slob daar een bepaalde invulling aan. Hij noemt dan alleen de thema’s verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en non-discriminatie.

Slob noemt in de nota naar aanleiding van het verslag, dat enkele dagen geleden naar de Kamer ging, een concreet voorbeeld waarin hij de puntjes op de ‘i’ zet: „Uit de vrijheid van onderwijs vloeit voort dat een school mag vinden dat het hebben van een homoseksuele relatie niet strookt met een leefwijze die de school passend acht vanuit de godsdienstige overtuiging van de school. Het is tevens toegestaan dat scholen dit openlijk uitdragen en in hun schoolplan opnemen dat religieuze opvattingen het fundament vormen van hun burgerschapsonderwijs.”

Direct daar achteraan schrijft Slob: „Echter, de burgerschapsopdracht verplicht het bevoegd gezag de basiswaarden te bevorderen en zorg te dragen voor een schoolcultuur die hiermee in lijn is. Hieruit vloeit voort dat zij hun leerlingen bijbrengen dat lhbti-personen gelijkwaardig zijn aan heteroseksuelen en dat zij exact dezelfde rechten hebben.”

Ook dient een school zijn „leerlingen te leren dat Nederland een land is waar homoseksualiteit geaccepteerd is door het merendeel van de bevolking en discriminatie op grond van seksuele oriëntatie, genderidentiteit en genderexpressie verboden en onacceptabel is.”

De burgerschapswet draagt scholen ook op om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de democratische basiswaarden. Ook dienen scholen leerlingen actief te stimuleren in de omgang met deze waarden. Dat betekent concreet dat „een leerling zich vrij voelt om zichzelf te zijn en uit te komen voor zijn of haar geaardheid, zonder dat hij of zij onder druk wordt gezet om dit niet te doen.”

Tevens moeten leerlingen „de vrijheid voelen binnen een schoolcultuur om een standpunt in te nemen en uit te dragen dat niet strookt met de opvattingen van de school.”