Marjan Haak-Griffioen: Voldaan als anderen tot hun recht komen

Het Gesprek
4

Jarenlang was Marjan Haak-Griffioen (68) actief in politiek en bestuur: Statenlid, wethouder, VBOK-voorzitter. Dat had, zegt ze, alles te maken met haar „enorme drive zich overal mee te bemoeien.” Maar ook met de diepe overtuiging dat het christelijk geloof van ons vraagt ons in te zetten voor mens en samenleving. „Van huis uit kreeg ik mee dat je een opdracht hebt. Je bent er niet om maar een beetje te zitten niksen.”

Wie haar cv uit de printer laat rollen, verbaast zich over het aantal A-viertjes dat het apparaat uitspuwt. Het kan niet anders of Marjan Haak-Griffioen, die na het aflopen van haar tweede termijn binnenkort afscheid neemt van de VBOK en Siriz, heeft in haar leven zelden stilgezeten. Ze was vele jaren Statenlid in Utrecht en voor haar partij, de ChristenUnie, tweeënhalf jaar gedeputeerde. Ze was in drie gemeenten wethouder, respectievelijke De Bilt, Woerden en Almere. En bekleedde daarnaast tal van lidmaatschappen van besturen, adviesraden, klachtencommissies, raden van toezicht en visitatiecommissies. Bij de VBOK, tevens de moederorganisatie van hulporganisatie Siriz, nam ze in juni 2012 de voorzittershamer over van Ad de Boer.

U moet een persoon zijn die overloopt van energie.

„Nou..., ik er houd er vooral van me overal mee te bemoeien. Als mij gevraagd werd: „Wil je in dit of dat bestuur?”, dan had ik al snel iets van: „Yes! Interessant! Weer een stukje van de grote legpuzzel van de maatschappij. En leuk om te gaan ontdekken wat er in deze organisatie gebeurt, waar de plussen en de minnen zitten, wat de richting voor de toekomst zou moeten zijn. Dát boeide mij altijd mateloos.”

Maar je moet er als moeder van vijf kinderen –en nu oma van twaalf kleinkinderen– toch wel de kracht voor hebben.

„Voor mijn gezondheid ben ik altijd dankbaar geweest. De kinderen gingen alle vijf naar school toen ik nog betrekkelijk jong was. En ik was, toen en nu, niet iemand die hele dagen thuis wilde zitten. Korte tijd heb ik wiskunde gegeven aan enkele middelbare scholen. Daarna werd ik gevraagd als ondersteuner voor de Statenfractie van het GPV in Utrecht. En weer later werd ik op de kandidatenlijst gezet en tot Statenlid gekozen. Tja, vervolgens kwam van de ene functie de andere. Dat was weleens druk ja, maar ik was het gewend; vijf kinderen opvoeden kost ook veel energie.”

Onvoorwaardelijke steun van een echtgenoot lijkt ons eveneens onontbeerlijk.

„Mijn man –hij is overleden in 2007– vond het bestuurlijke en politieke werk dat ik deed geweldig. Hij was er trots op. „Jij kan dat”, riep hij altijd. En hij vond het heerlijk om er met mij over te filosoferen. Wel had hij steevast ideeën die dwars stonden op hoe anderen dachten. Dan moest ik steeds bedenken: heeft híj nu gelijk of de rest van de wereld?”

Is een tomeloze maatschappelijke inzet misschien ook een familietrekje?

„Thuis kreeg ik van mijn ouders mee dat je in deze wereld een opdracht hebt en dat je niet op aarde bent om maar een beetje te zitten niksen. Ons gezin telde twaalf kinderen, deels geboren vóór de oorlog, deels erna.

Mijn vader had een eigen veevoederhandel die voor de oorlog bijna ten onder ging, maar na de oorlog opbloeide. Als jong meisje ging ik geregeld mee naar boeren: praten aan de keukentafel. Daar heb ik later, in de politiek, veel aan gehad: goed luisteren naar wat mensen bezighoudt, ontdekken waar hun echte problemen en vragen zitten.

Mijn vader zat ook altijd in allerlei besturen en was onder meer wethouder. Ik kan me nog goed herinneren dat hij mij meenam naar de Jaarbeurs, in Utrecht, waar GPV-leider Jongeling optrad. Aaah, daar stond ik dan ineens, vanuit het dorpje Loenen aan de Vecht, met een kleine gereformeerde kerk, tussen duizenden mensen! Ja, politiek en bestuur zijn ons met de paplepel ingegoten.”

Toen u als vrouw politiek actief werd in het GPV was dat in uw kring nog niet gewoon.

„Dat ik in de Staten kwam, leverde in 1991 wel enige publiciteit op. ”Voor het eerst een vrouw namens kleine christelijke partijen in Staten”, berichtten landelijke kranten. Maar in eigen kring stuitte dat beslist niet op kritiek. Alleen bij de SGP een beetje. Als ik dan bij de koffieautomaat stond en een zucht slaakte, kon mijn collega Nagtegaal, een klassieke, authentieke SGP’er, er weleens een toespeling op maken. Dat kon ik van hem overigens prima hebben.”

Wat vindt u, terugblikkend op uw politieke carrière, uw grootste prestatie?

„Ik denk dat ik altijd bezig ben geweest anderen tot hun recht te laten komen. Dat was de manier waarop ik als politicus of bestuurder werkte; zo’n werkwijze kent niet zoveel hoogtepunten.

In De Bilt, waar ik in 2004 als wethouder aantrad, werden er maar geen knopen doorgehakt over de uitbreiding of nieuwbouw van scholen. Overal stonden noodgebouwen. Er werd veel overlegd, maar men kwam er niet uit. Vanuit het onderwijsveld werd natuurlijk volop geklaagd: „Waarom doet de gemeente niets? Het geld wordt overal aan besteed, behalve aan ons.”

Toen heb ik gezegd: „Wacht even. In een volgend overleg kom ik met het totaalbedrag dat de gemeente uitgeeft aan onderwijshuisvesting. En dan kunnen we sámen kijken hoe we dat geld het best kunnen besteden.” Aanvankelijk vertrouwden ze me niet. Zou die nieuwe wethouder écht open kaart spelen over het beschikbare geld? Maar toen ze zich eenmaal realiseerden dat ik dit inderdaad deed, brak het ijs. We kwamen in no time tot besluiten. Zo van: Oké, dan pakken we eerst dit aan, dan dat en dan dat. Iedereen tevreden.

Kijk, daar kan ik warm van worden. En dat dan niemand voor mij de vlag uithangt en iedereen een stukje van het succes claimt, maakt me niet uit. Als er maar schot in de zaak komt.”

Hoe ontstond uw betrokkenheid bij het ongeboren leven?

„De maatschappelijke en politieke discussie over abortus liep in Nederland hoog op in de tijd dat ikzelf kinderen kreeg en ging opvoeden. Dat maakt je vanzelf bewuster van je eigen standpunten en die van anderen. Dat centraal stellen van het zelfbeschikkingsrecht door de voorstanders van vrije abortus; ik vond dat zo vreemd. Je leeft niet primair voor jezelf, had ik van huis uit meegekregen. En: het ongeboren kind heeft evenveel rechten als ieder ander. Ik wist dat, maar ik voelde het ook op het moment dat ik een eigen kind op de arm had: wat een prachtige gave van God. En hoe raar om dan, in een eerdere levensfase van dit schepsel, over een klompje cellen te spreken!

In die tijd ontstond de VBOK en ik vond het fantastisch om te zien hoe mensen daar geholpen werden. Bij die vereniging trof ik een mentaliteit aan die mij aansprak. Zo van: Ja, we maken ons zorgen over de richting die de samenleving inslaat, maar we gaan geen ach en wee roepen, ook niet op onze handen zitten, maar we gaan aan de slag. Zo ben ik betrokken geraakt bij de VBOK. En later in de raad van toezicht van Siriz gekomen.”

Welke momenten bleven u uit al die jaren van betrokkenheid bij Siriz bij?

„Ik denk aan de dag dat ik op kantoor was en een hulpverleenster uit haar werkkamer zag komen. Ze kwam net uit een zwaar hulpverleningsgesprek. Haar cliënte wilde het kind behouden, haar vriend niet. Na een gesprek met de desbetreffende partner bereikte de maatschappelijk werkster dat er weer ruimte kwam voor een open gedachtenwisseling over het thema. Daar was ze enorm blij mee. Mooi om te zien!

Ik denk ook aan een vrouw die ik ontmoette op een bijeenkomst. Mede dankzij de VBOK had zij haar kind behouden. Maar, vertelde zij mij, daarna begonnen de problemen pas echt. Ze had moeite de eindjes aan elkaar te knopen, de mensen in de kerk begrepen haar niet, enzovoort. Daar schrok ik toen enorm van. Het leerde mij dat we als VBOK of Siriz er niet zijn als we iemand hebben kunnen helpen bij de keuze om haar kind geboren te laten worden. We moeten zo’n persoon ook echt op weg helpen in het leven en haar na die beslissing niet in de kou laten staan.”

Is dat, behalve voor Siriz, ook voor kerken een les?

„Ik heb altijd gezegd: laten we niet denken dat deze problemen alleen onder buitenkerkelijken of niet-christenen leven. Het was en is ook een vraagstuk binnen de kerk. Ook in onze kerken, gereformeerde en reformatorische, vinden abortussen plaats. En in zekere zin is het probleem bínnen de kerk groter. Ik bedoel: in de wereld om ons heen wordt er vaak open en bloot over gesproken. Maar in christelijke kring durven we een gesprek erover soms niet aan. Juist voor meisjes in de kerk die onbedoeld zwanger zijn, of voor christelijke vrouwen met een gezin, die het gevoel hebben nóg een zwangerschap niet aan te kunnen, is Siriz daarom zo belangrijk; als plek waar ze veilig en anoniem hun verhaal kunnen doen.”

Tijdens uw interim-wethouderschap in Almere, van februari tot september 2019, keerde uw inzet voor het ongeboren leven zich plots tegen u. Hoe kijkt u daarop terug?

„Dat was heel vervelend. Het begon, al voor mijn daadwerkelijke aantreden als wethouder –ik moest een partijgenoot vervangen die ziek was–, met een kop in een lokaal krantje waarin ik als „abortushardliner” werd afgeschilderd. Dat had plaatselijk een enorme impact. Almere is een stad met 220.000 inwoners met slechts één gratis lokaal krantje, dat op ieders deurmat valt. Bij dat medium bleek één gefrustreerde journalist te werken, die meteen aansloeg op mijn actief zijn voor de VBOK. Hij heeft zijn kansen om op dit thema te scoren kennelijk positief ingeschat.

Al met al heeft deze affaire mijn werk daar bemoeilijkt. Nee, niet zozeer in de coalitie, waar ook D66 deel vanuit maakte. Die had uiteindelijk geen moeite met mijn VBOK-achtergrond, zeker niet nadat ik had aangegeven dat ik mijn bestuurslidmaatschap van die organisatie tijdelijk neer zou leggen. Ik had voor dat werk ook geen tijd meer.

Maar van het maatschappelijk middenveld kon ik vanaf toen het vertrouwen soms moeilijk terugwinnen. Ik merkte dat er mensen waren die eigenlijk niet met mij wilden samenwerken. Dat was een handicap in mijn functioneren.

Daar kwam nog bij dat ook landelijke media, zoals de Groene Amsterdammer, het thema van levensbeschouwelijke hulpverlening aan onbedoeld zwangeren, oppakten. Siriz zou in haar hulpverlening sturend en bevooroordeeld zijn. Ik heb al die ophef ervaren als een ramp.”

Wat raakte u het meest?

„De suggestie van onprofessionaliteit. Ik weet dat bij Siriz leuke, jonge, moderne mensen werken, die zeer gedreven zijn en goed opgeleid in hun vak. En dat we als organisatie veel stapjes extra hebben gezet om door keuringen te komen en onze certificaten te halen. En als je dán door allerlei lieden, die hier nooit zijn komen kijken, zó wordt weggeschreven... Dat is me enorm aan het hart gegaan. Dat je vermalen wordt in een akelig politiek spel.

Want dat is natuurlijk óók het gevolg geweest van deze mediahype, hè? Dat oppositiepartijen in de Tweede Kamer met het thema aan de haal gingen en druk gingen uitoefenen op D66 en VVD. Mede daardoor hebben wij amper geprofiteerd van het extra bedrag van 53 miljoen euro dat het kabinet in het regeerakkoord had gereserveerd voor de doelgroep op wie ook wij ons richten. De meeste van onze preventiemedewerkers hebben we moeten ontslaan. Van het nieuwe bekostigingssysteem, waarvoor mijn partijgenoot Paul Blokhuis zijn uiterste best heeft gedaan –aan hem lag het niet–, zijn wij als kleine, landelijk opererende organisatie de dupe. En de grote partijen gaan er met het geld vandoor. Dat is de blijvende schade die deze hetze ons heeft berokkend.”

U moest, toen u wethouder in Almere werd, zelfs een toezichthoudende functie bij een volstrekt andersoortige organisatie neerleggen...

„Daarover wil ik het liefst zo weinig mogelijk kwijt. Het was pijnlijk en raakte mij in mijn integriteit. Dat ik voorzitter was van de VBOK had niets, maar dan ook niets met déze functie te maken. Maar omdat men bang was voor reputatieschade heeft men mij onder druk gezet uit dit orgaan te vertrekken. Ik hoop dat mensen achteraf inzien dat deze pressie bespottelijk was.”

Al met al, gezien de tegenslagen van de laatste jaren, niet het mooiste moment om te vertrekken bij Siriz.

„Ach, weet je, de geschiedenis van VBOK/Siriz is er altijd één geweest van op en neer. En het voordeel van in een dal zitten, is dat je daarna alleen nog maar omhoog kunt.

We gaan er weer met nieuwe moed tegenaan. Er worden communicatieplannen bedacht om onze achterban beter te bereiken en ook te verversen. Dat moet lukken, want we hebben zo’n mooi verhaal om te vertellen.

Kijk naar onze cliëntenraad, die voornamelijk bestaat uit jonge moeders. Het zijn mensen die nu een opleiding volgen, met kinderen met wie het goed gaat. De voorzitter van die raad komt niet bepaald uit onze achterban, maar is zó enthousiast over Siriz. Zij zegt: „Jullie zijn een fantastische club, die mensen echt helpt op een integere manier. Dat zouden jullie veel krachtiger moeten rondbazuinen.” En zo is het ook. Siriz is uniek. Het is de enige organisatie die werkelijk doet wat in de abortuswet staat: op neutrale en betrokken wijze onbedoeld zwangeren helpen. Dat verhaal moeten we blijven vertellen.”

Marjan Haak

Marjan Haak-Griffioen werd op 29 juni 1951 geboren in Loenen aan de Vecht, in een gezin van twaalf kinderen. Sander Griffioen, hoogleraar reformatorische wijsbegeerte, is een van haar broers. Zij was voor het GPV en later de ChristenUnie Statenlid in Utrecht (1991 tot 2003), waarvan een aantal jaren fractievoorzitter. Van 2008 tot 2011 was zij gedeputeerde. Haak was wethouder in De Bilt (2004-2006), Woerden (2006-2008) en Almere (2019). Van 2012 tot heden is zij voorzitter van de raad van toezicht van Siriz.