Urk vist verslaggever uit het water

Aan de slag
De KNRM Urk vist een drenkeling uit het water. beeld Ruud Poeg
6

Op hoge snelheid stuift de Kapiteins Hazewinkel uit Urk over het water. Schipper Dirk Korf geeft vol gas. Geroutineerd. „Ik doe dit al dik dertig jaar.” Het water kolkt en bruist achter de 15 meter lange oranje reddingsboot. Ik vaar een dagje mee als vrijwilliger.

Een club van 22 vrijwilligers van de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM) staat paraat voor hulpverlening op het water. Bij nacht en ontij. Weer of geen weer. Geen KNRM’er mag het vissersdorp verlaten vóórdat hij zich heeft afgemeld. Als de pieper gaat, laat iedereen z’n boeltje vallen en rukt uit. Leraar, ict’er, schilder of metaalbewerker.

Urk

Het document kan niet getoond worden, omdat het mogelijk is dat het cookies plaatst die volgens uw cookie-instellingen niet toegestaan zijn.
Sta alle cookies toe om het document te tonen.

Elke dinsdagavond komen de mannen naar het vernieuwde bootshuis in de haven. Voor training. Of onderhoud. „Alleen niet met Kerst”, zegt KNRM-woordvoerder Jan van Veen. Elke dinsdagavond vast recept. Eerst het werk, dan een biertje. Mét frikandel.

Ik bied vandaag mijn diensten aan. Als vrijwilliger. „Jij bent slachtoffer”, commandeert Korf in het bootshuis. Slik. Sláchtoffer...?! Ik kijk een tikje benauwd. Was dit artikel wel zo’n goed idee?! Wíe heeft dit verzonnen? Van Veen grijnst. „Dan hoeven wij niet het water in.”

Topsnelheid

Urk telt twee reddingsboten. Een kleine en een grote. De 7,5 meter lange rubberboot Marinus Cornelis scheert met twee 75 pk-buitenboordmotoren over het water; de 15 meter lange Kapiteins Hazewinkel met twee waterjets van 750 pk. „Beide boten varen even hard.” Dik 30 knopen, 60 km/uur.

ANP-47102438Recorddrukte voor reddingsbrigades

De Kapiteins Hazewinkel, een zeewaardig reddingsvaartuig, kan zestien uur lang op topsnelheid varen. Onafgebroken. „Mooi spul”, zegt Korf glimmend. Voorin en achterin bevinden zich brandstoftanks van elk 1600 liter. De motoren lusten een slokje. „Verbruik 100 liter per uur.”

De KNRM-vrijwilligers opereren regelmatig op de grens van leven en dood. Korf heeft verschillende drenkelingen uit het water gehaald. Soms net op tijd, soms net te laat. „Elk omgekomen slachtoffer kan ik me voor de geest halen. Allemaal.”

Een auto-ongeluk eind 2007 bijvoorbeeld, waarbij een vrouw met haar auto van de Ketelbrug afrijdt en 10 meter naar beneden valt. Urk rukt uit. Elke minuut telt. „We waren met 10 minuten ter plaatse”, zegt Korf. „Binnen 20 minuten hadden we haar uit de gekantelde auto gehaald.” Tevergeefs. Hulp mocht niet meer baten. „Dat voelt zó machteloos.”

Dergelijke dramatische gebeurtenissen geven de vrijwilligers een sterke onderlinge band. „We zijn net één grote familie”, legt Korf in het bootshuis uit. „Ik beschouw hem als mijn broer”, zegt „skipper” Korf, wijzend naar Van Veen. „Nee, we zijn geen familie.”

Inzet van KNRM Urk is broodnodig. Gemiddeld zeventig keer per jaar. De piek ligt in de zomer. Watersporters bezorgen de reddingmaatschappij juist dan handenvol werk. Maar ook de binnenvaart. De route Lemmer-Lelystad is druk. „Er komen hier buitenlandse beroepsschippers langs die varen op een wegenkaart.”

Een beetje oefening kan daarom geen kwaad. De Kapiteins Hazewinkel zet de achtervolging in op de Marinus Cornelis. „Dat is altijd onze aanvalsploeg”, wijst Korf, terwijl hij de dubbele gashendel naar achteren trekt. De Hazewinkel gromt, het boegwater bruist. Bas van Bezooijen, in het dagelijks leven verpleegkundige in verzorgingshuis Talma Urk, informeert de Kustwacht. „Den Helder rescue. Den Helder rescue...”

Korf mindert vaart. De zon zet de spierwitte vuurtoren van Urk in een warme gloed. Het donkere water grijnst me aan. Hier moet het gebeuren. „Het reddingsvest blaast zich vanzelf op”, zegt Van Veen geruststellend. ’t Zal wel. Eerst zien.

Plop, plop

Twijfel maakt zich van me meester. Wie ben ik dat ik dit doen moet...?! Ik haal diep adem, span me én... spring. Plóns! Het reddingsvest blaast zich automatisch vol lucht. Plóp! Links. Nog een plop. Rechts. De CO2-patronen doen hun werk. Even later dobber ik in het water. Kind kan de was doen.

De rubberboot komt in actie. Behendig vaart de bemanning langszij. Geruststellende gedachte, zoveel ervaren hulpverleners in de buurt. „Op je rug liggen”, commandeert een Urker in overlevingspak. Gedwee keer ik me op m’n rug.

De manschappen laten een leefnet in het water zakken en slepen me als een vis ernaar toe. Het net sluit zich. „Handen voor je snuit.” Met vereende krachten sjorren de reddingswerkers de buit aan boord. Rollend over de rubberen rand. Gered! Natuurlijk, het is maar een oefening. Maar wat moet een echte drenkeling zich opgelucht voelen, spartelend op de bodem van de boot.

Haastig verpakken de KNRM’ers de opgeviste verslaggever in zilverfolie. „Lekker warm. Tegen de kou.” Het kwik schommelt rond de 30 graden.

Aan de slag

Redacteuren doen een dag vrijwilligerswerk. Deel 7 in de serie: Gerard ten Voorde helpt de KNRM in Urk als vrijwilliger een handje. Vrijdag het slotdeel.