Rechercheren is vaak nog ambachtelijk speuren naar sporen

Rechercheurs aan het werk op een industrieterrein in Bunschoten, waar het lichaam van de 14-jarige Savannah werd gevonden. beeld ANP, Koen van Weel
2

Hoe doet de recherche in Nederland zijn werk? Drie criminologen namen 31 moord- en verkrachtingszaken onder de loep. Ja, geavanceerde DNA-technieken helpen de speurders van de politie. Maar: nog altijd leidt „simpelweg ambachtelijk uren maken” vaak tot een doorbraak.

Geblinddoekt werd de jonge vrouw. Ontvoerd en verkracht. Het slachtoffer had de tegenwoordigheid van geest om via een spleetje onder haar blinddoek de grond onder haar in zich op te nemen. Ze sloeg de typische vorm van de straatstenen van een oprit naast een woning op in haar geheugen. Die informatie gaf de vrouw later door aan rechercheurs die jacht maakten op haar gewelddadige verkrachter.

De opvallende straatstenen boden de politiespeurders een aanknopingspunt. Een politiehelikopter maakte luchtfoto’s van de vermoedelijke plek waar de vrouw die klinkers had zien liggen van onder haar blinddoek. Ook opritten van andere woningen in dorpen in de omgeving werden van bovenaf gefotografeerd. Talloze uren gingen er zitten in het traceren van die ene oprit. Het zoekwerk wierp vruchten af. De zedenmisdadiger kon worden ingerekend.

Gemotiveerde mensen

Het verhaal over de zoektocht naar de oprit met de opvallende straatstenen toont aan dat rechercheurs vaak via „ambachtelijk speurwerk” een misdrijf oplossen. Dat vertellen de criminologen drs. Ilse van Leiden en dr. mr. Anton van Wijk in een werkkamer van Bureau Beke, hartje Arnhem. Dat onderzoeksbureau brengt trends en fenomenen in de misdaad(bestrijding) in kaart, vaak in opdracht van overheidsinstanties.

Onlangs presenteerden Van Wijk en Van Leiden, samen met hun collega Manon Hardeman, een studie naar de werkwijze van de recherche. Opdrachtgever is het Programma Politie en Wetenschap, onderdeel van het ministerie van Veiligheid en Justitie. De criminologen namen het recherchewerk in zestien moordzaken en vijftien verkrachtingsdossiers onder de loep. De 31 onderzochte misdrijven speelden tussen 2009 en 2015.

Bij de moordzaken richtten de onderzoekers zich hoofdzakelijk op levensdelicten buiten de huiselijke kring door een onbekende dader (niet zijnde liquidaties in de onderwereld). Bij de bestudeerde verkrachtingszaken betreft het veelal misdrijven waarbij een vrouw door een onbekende dader in de openbare ruimte (zoals een park) seksueel is misbruikt.

Wat viel u op aan de werkwijze van de recherche in de 31 onderzochte dossiers?

Ilse van Leiden: „Rechercheurs zijn zeer gemotiveerde mensen. Ze hebben passie voor hun werk. Op verjaardagen wordt nogal eens geklaagd over het lage percentage opgehelderde politiezaken. Dat ligt voor het totaalaantal misdrijven op zo’n 30 procent, dus inclusief bijvoorbeeld winkeldiefstal en vernieling. Maar mensen moeten dan wel bedenken dat er van de moorden zo’n 75 procent wordt opgelost.

Anton van Wijk: „Politiemensen zijn heel creatief. In een van de onderzoeken was een verdachte uitgeweken naar Turkije. Dat land heeft geen uitleveringsverdrag met Nederland. Politiemensen legden onder een valse naam via Facebook contact met die verdachte, een man die nogal van vrouwen houdt. De rechercheurs probeerden hem naar een afspraak met een vrouw in Duitsland te lokken. Dan kon de politie de verdachte daar oppakken, zo was het plan. De verdachte trapte niet in de politieval. Maar omdat hij later uit eigen beweging toch het land verliet, kon hij dankzij samenwerking met een buitenlandse politiedienst alsnog worden aangehouden.”

Voor een rechercheteam is het cruciaal om de eerste uren na een misdrijf zo veel mogelijk sporen veilig te stellen en getuigen te horen?

Van Wijk: „De eerste uren in het rechercheonderzoek zijn inderdaad erg belangrijk. Bijvoorbeeld om door zendmasten opgepikte telefoongegevens veilig te stellen, DNA-sporen te vinden en getuigen te horen. Bij zeer ernstige misdrijven wordt een team grootschalige opsporing (TGO) ingezet. Dat heeft een draaiboek klaarliggen voor rechercheonderzoek na een misdrijf. Politiemensen in zo’n TGO zijn op elkaar ingespeeld. Iedereen weet meteen wat hij of zij moet doen. Zo’n TGO, met vaste mensen, heeft dus grote voordelen.”

Wat kan er beter in de eerste uren van het rechercheonderzoek?

Van Leiden: „Niet altijd maakt de recherche na bijvoorbeeld een moord meteen een slachtofferprofiel. Terwijl dat wel heel nuttig is. Rechercheurs zouden bijvoorbeeld zo snel mogelijk een wijkagent moeten raadplegen. Die kan vaak nuttige informatie over een moordslachtoffer verschaffen. Had hij of zij ruzie met anderen? Als de recherche vroegtijdig een nauwkeurig beeld heeft van een slachtoffer kan dat de zoektocht naar de dader vergemakkelijken. Omdat bijvoorbeeld blijkt dat het slachtoffer een schuld had uitstaan bij de verdachte.”

Na een moord is getuigenonderzoek in de buurt van groot belang. Maar steeds vaker speuren rechercheurs ook op internet naar informatie over slachtoffers en verdachten, merkten de criminologen van Bureau Beke. Van Leiden: „Zeker jongere rechercheurs, vertrouwd met internet, speuren bijvoorbeeld Facebook af op zoek naar sporen van verdachten.”

De mist in

Politie, openbaar ministerie en ook rechters kunnen flink de mist in gaan. Geruchtmakend is de zogeheten Schiedammer parkmoord. In het onderzoek naar de moord op het 10-jarige meisje Nienke Kleiss in 2000 in het Beatrixpark in Schiedam stapelde justitie fout op fout. Zo zat Vlaardinger Cees B. jaren onterecht vast vanwege het misdrijf. Jaren later werd Wik H. voor de kindermoord veroordeeld.

In een vernietigend rapport in 2005 stelde een onderzoekscommissie onder leiding van topjurist mr. Frits Posthumus vast dat justitie zich blind toonde voor ontlastend bewijs. De politiespeurders leden aan een tunnelvisie, waren te veel gefocust op één verdachte.

Hoe hangt de vlag er nu bij?

Van Leiden: „Het zit bij rechercheurs nu zeker tussen de oren dat het gevaar van tunnelvisie op de loer ligt. Zeker na het kritische rapport van Posthumus. Aankomende politiemensen krijgen op de politieschool nadrukkelijk bijgebracht dat je na een misdrijf verschillende scenario’s moet openhouden. Als een vrouw zegt te zijn verkracht, is het zaak dat de politie rekening houdt met een valse aangifte. Een beschuldiging van seksueel misbruik kan ook voortkomen uit wraak.”

De criminologen kraken op dit punt kritische noten. „Het opstellen van diverse scenario’s na een moord of verkrachting gaat nu nog niet altijd gestructureerd genoeg. Rechercheurs praten elkaar als het ware bij de koffieautomaat bij. Dat is op zichzelf genomen niet erg, maar het is en blijft goed om meer gestructureerde tegenspraak te organiseren. De les uit ons onderzoek is om als team niet te snel te denken: we hebben een DNA-spoor van de verdachte, we hebben camerabeelden waar hij op staat, dus een kat in het bakkie en zaak opgelost.

Laat bijvoorbeeld een rechercheur van buiten je politie-eenheid maar proberen om gaten te schieten in je dossier. Zet scenario’s op een rij en sluit ze zo mogelijk uit. Ontlastend bewijsmateriaal is net zo belangrijk als belastend materiaal. Daarmee kun je ook advocaten van een verdachte munitie uit handen nemen. Stel dat er allerlei nieuwsberichten over verminkte paarden opduiken. De eerste gedachte is al snel: er is een paardenmishandelaar actief. Maar de politie moet er ook rekening mee houden dat paarden elkaar kunnen verwonden, of zichzelf kunnen toetakelen, bijvoorbeeld door langs prikkeldraad te lopen. Natuurlijk, het verzinnen van alternatieve scenario’s na misdrijven heeft zijn grenzen. Het is niet de bedoeling om er rekening mee te houden dat er marsmannetjes achter een moord zitten.”

Tolk

Alertheid van rechercheurs kan misstappen voorkomen, merkten de criminologen. Ze stuitten bij hun onderzoek op een „prachtig” voorbeeld.

Van Leiden: „In het noorden van Nederland was een moord op een man gepleegd. De politie luisterde de telefoon van een paar uit Zuid-Amerika afkomstige verdachten af. Die mannen praatten in een Zuid-Amerikaans dialect. Een zinnetje van een van die verdachten leek heel belangrijk. Volgens een tolk zei de man: „Hij is nu dood.” Het rechercheteam reageerde: „Ha, nu hebben we de dader te pakken.” Maar de teamleider vertrouwde het niet, omdat het gesprek lastig te verstaan was, en liet hetzelfde zinnetje door een tweede tolk vertalen. Die vertaalde: „Zíj is nu dood.” Daarmee groeide het wantrouwen over de vertaling alleen maar. De teamleider schakelde een derde tolk in. Die vertaalde het zinnetje weer heel anders: „De straat is nu doodstil.” Conclusie was dat dat ene zinnetje niet bepaald het bewijs was voor de betrokkenheid van een van de Zuid-Amerikaanse mannen bij de moord. Meer onderzoek was nodig.”

Sigaretten

Meer dan nu zou de recherche zijn winst kunnen doen met „restinformatie” waarop de speurders in een moordonderzoek stuiten. Zo kan de politie er tijdens onderzoek naar een moordverdachte achter komen dat er in diens vriendennetwerk illegaal in sigaretten of drank wordt gehandeld. Te vaak nog laat de recherche dergelijke informatie op de plank liggen, onder meer door tijdgebrek. Terwijl die ‘randverschijnselen’ tot een doorbraak kunnen leiden in het hoofdonderzoek, signaleren de criminologen.

Van Leiden: „Denk aan de moord op de snelweg A73 in 2008. Daarbij opende de schutter vanuit een BMW het vuur op een Ford Escort. Een van de twee inzittenden werd daarbij gedood. De andere overleefde ternauwernood de schietpartij. Het rechercheteam had een verdachtengroep in beeld, maar kon daar lastig bij komen.

Toen besloot de officier van justitie, die bekendstaat als een pitbull, in die zaak een parallelonderzoek te starten. Dat richtte zich op de hennephandel in de omgeving van het slachtoffer en de verdachten. Uiteindelijk werd zo meer bewijs jegens de moordverdachten verkregen. Wel is het zo dat die verdachten uiteindelijk door het gerechtshof zijn vrijgesproken, hoewel ze eerder nog door de rechtbank waren veroordeeld.”

Hoe zal het recherchewerk zich de komende tien jaar ontwikkelen?

Van Wijk: „Het ambachtelijk speurwerk blijft bestaan. Dus de politie zal na een moord blijven aanbellen bij de buren voor informatie. Verder verplaatst het onderzoek zich steeds meer naar het web. Rechercheurs zullen steeds vaker bijvoorbeeld Facebook afstruinen. Al was het maar om te achterhalen in wat voor auto een verdachte in een drugsonderzoek rijdt. Kan iemand met een uitkering zo’n wagen eigenlijk wel betalen?

Ook DNA-onderzoek wordt steeds verfijnder. Zo is het nu al mogelijk om op grond van een DNA-profiel de kleur van iemands ogen en haar vast te stellen.

Interessant is ook een lopend experiment met de zogeheten zedenhond. Zo’n dier is getraind om spermasporen te vinden. Stel dat een meisje weet dat ze in een groot park is verkracht. Alleen weet ze niet meer precies wáár. Nu moet de politie zo’n park urenlang uitkammen. Dat kost veel tijd. Een speciaal getrainde zedenhond kan in veel kortere tijd bepalen waar het zedenmisdrijf zich afspeelde.”

Uiterste redmiddel

Het openbaar ministerie kondigde eind mei een groot DNA-verwantschapsonderzoek onder circa 15.000 mannen in de regio Limburg aan. Zo hoopt justitie de onopgeloste moord op de 11-jarige Nicky Verstappen in 1998 alsnog op te helderen. Bij dergelijk DNA-verwantschapsonderzoek kunnen de speurders via een ‘omweg’, namelijk via verre familieleden, bij de dader komen.

Wat vindt u ervan dat justitie zo’n DNA-verwantschapsonderzoek inzet om een moordenaar te achterhalen?

Van Wijk: „Het is een uiterste redmiddel. Een tijdrovende en dure operatie. Maar ik kan me voorstellen dat justitie naar zo’n middel grijpt. Via verwantschapsonderzoek kon in 2012 ook de moordenaar van het in 1999 vermoorde 16-jarige meisje Marianne Vaatstra worden opgepakt.

Nabestaanden van vermoorde mensen hebben sowieso al levenslang. De last gaat nog zwaarder drukken als ze niet weten wie hun geliefde heeft omgebracht. Daarom is het goed dat justitie alles op alles zet om een zaak op te lossen. Ook voor rechercheurs is het zeer frustrerend als een moordenaar uit handen van de politie blijft.”