Provincie Limburg bestaat 150 jaar, maar dé Limburger bestaat niet

„Bij het vliegveld van Maastricht staat een groot welkomstbord van Limburg. Wat staan erop? Vakwerkhuizen. Dat is Limburg. Maar mensen wonen hier net zo goed in Vinex-wijken. beeld Roosenimages
5

Limburg werd precies 150 jaar geleden staatsrechtelijk gelijk aan de andere Nederlandse provincies. Reden voor een feestje? „Het wormvormig aanhangsel is intussen wel de uitgestoken hand naar Europa.”

Koningin Máxima veroorzaakte tien jaar geleden de nodige ophef toen ze in een toespraak zei dat dé Nederlander niet bestond. Tegenstanders riepen dat als men niet over dé Nederlander kon spreken, er evenmin sprake kon zijn van één Nederlandse cultuur.

Als dé Nederlander niet bestaat, is er dan ook niet zoiets als dé Limburger? Jos Schatorjé, directeur van het Limburgs Museum in Venlo, hoeft niet lang over die vraag na te denken. „In ons museum willen we duidelijk maken dat de Limburger niet bestaat. Hij bestaat slechts in het imago dat derden daarvan hebben gemaakt. Dan is de Limburger iemand met een wat vreemde tongval en een zachte g.”

Een zaal van het museum behandelt het verleden van de zuidelijke provincie vanaf het jaar 1795, als Napoleon het totaal versnipperde gebied bij Frankrijk inlijft en het voor het eerst in de geschiedenis tot een territoriale eenheid maakt, met uiteindelijk de Rijn als oostgrens.

Aan het einde van de zaal hangt een groot interactief beeldscherm met twintig foto’s van Limburgers die met een druk op de knop aan de praat kunnen worden gebracht. Stuk voor stuk vertellen zij wat hen tot een Limburger maakt. De een voelt zich Limburger omdat hij er is geboren, de ander omdat hij er nu woont en zich in de provincie thuis voelt. Omdat iedere mening anders is laat de conclusie zich makkelijk raden: dé Limburger bestaat niet.

Schatorjé: „Neem alleen al de diverse regio’s die we hier hebben. Noord- en Zuid-Limburg verschillen sterk van elkaar. Er is dus niet één Limburger, net zo min als er één Zeeuw of één Gelderlander is.”

Afkeer van Hollanders

„Er wordt van ons Limburgers gezegd dat het enige wat ons bindt, is dat we geen Hollanders zijn”, zegt dr. Jacques van Rensch, die als rijksarchivaris verbonden is aan het Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) in Maastricht. Van Rensch moet lachen om de uitspraak. „Limburgers kennen van oudsher aversie tegen de Hollanders en ik moet zeggen dat die er nog altijd is, al denk ik soms dat het wordt gecultiveerd. En die bestaat misschien ook in andere provincies buiten de Randstad.”

De afkeer van de Hollander ontstaat na 1815, als Limburg bij het congres van Wenen bij Nederland wordt gevoegd. Vaak zijn Hollanders in de zuidelijke provincie ambtenaren waar gewone mensen het liefst met een boog omheen lopen. Veel posten die met justitie en belasting te maken hebben, vervullen Hollanders. „Denk bijvoorbeeld aan politie en douane”, verduidelijkt Van Rensch.

Van Rensch noemt meer redenen voor de diepe afkeer van de Hollander. „De noorderlingen zijn vaak protestanten. Dat doet pijn in het rooms-katholieke Limburg. Dan is er nog de belasting. Handel, en daar leeft het westen van het land vooral van, wordt minder zwaar belast dan grondbezit. Dat telt hier in Limburg.”

De Limburgers moeten meebetalen aan de gigantische staatsschuld die door de Belgische afscheidingsstrijd tussen 1830 en 1839 ontstaat. Het onder de wapenen houden van een groot leger kost enorm veel geld en dat Limburg daaraan mee moet betalen, roept grote weerstand op.

De afkeer is in de negentiende eeuw zo groot dat er in Limburg een separatistische beweging ontstaat. Van Rensch: „Men wil los van Holland, maar waar men bij wil is minder duidelijk. Sommige Limburgers pleiten voor aansluiting bij België. Anderen willen zich volledig bij de Duitse Bond voegen. Volkenrechtelijk is het een ingewikkelde situatie. Limburg maakt deel uit van Nederland, maar sinds 1839 tevens van de Duitse Bond.”

Opstandig volkslied

De anti-Nederlandse gevoelens bereiken in 1848 een hoogtepunt als er in heel Europa revoluties uitbreken. „In Limburg circuleert zelfs een opstandig volkslied. Ik wist van het bestaan daarvan uit brieven in het geheime archief van Van der Does de Willebois, de officier van justitie in Roermond”, vertelt de archivaris, maar toevallig kende een collega ook een gedrukte versie daarvan.

De rijksarchivaris draagt de eerste regels van het Duitstalige volkslied voor: „Nog is Limburg niet verloren. In Duitsland ligt zijn geluk. Wij zullen met moed terugkrijgen, wat ons door geweld is ontnomen.”

Bij de officiële viering van Limburg 150 jaar provincie, op 11 mei in het provinciehuis in Maastricht, heeft Van Rensch het lied ten gehore laten brengen. „We moesten een muzikaal intermezzo hebben. Het portret van Van der Does de Willebois, later commissaris van de Koning in Limburg, hebben we toen voor het spreekgestoelte geplaatst. Zo kon hij als het ware nog eens het lied horen dat hij geprobeerd heeft te verbieden.”

Aansluiting bij de Duitse Bond is geen optie als in 1848 het Duitse parlement in Frankfurt uit elkaar valt en in 1866 de Duitse Bond zelf. Op de conferentie van Londen van 1867 wordt besloten dat Limburg geen staatsrechtelijke banden meer met het oosten bezit en wordt het volledig deel van Nederland. „Eigenlijk begint dan pas de integratie met de rest van Nederland”, stelt Van Rensch. Verkeersverbindingen vanuit het zuiden naar het noorden, maar ook de economische ontwikkeling van het gebied dragen daartoe bij.

Volwaardig

In dit verband noemt het Limburgs Museum de inrichting van het bisdom Roermond. De grenzen van het bisdom vallen bijna precies samen met die van de provincie Limburg. Dit zorgt ervoor dat er vanuit het bisdom een verenigend effect uitgaat. Een pastoor uit Roermond kan naar Vaals worden uitgezonden. Limburg is nu één én rooms-katholiek.

Van Rensch vindt het moeilijk aan te geven hoe sterk dat Limburggevoel anno 2017 is. „Limburgers zijn natuurlijk een minderheid in Nederland. Van minderheden wordt altijd gezegd dat ze naar buiten toe een gesloten front vormen, maar intern elkaar de tent uit vechten. Ik zal niet zeggen dat wij dat doen, al is er soms een zekere animositeit tussen Noord- en Zuid-Limburg. Limburgers zijn vooral Limburgers als ze buiten de provincie zijn. Iedere gemeente heeft zijn eigen carnavalsvereniging, maar de Limburgers in Australië hebben er maar één. Zo werkt dat.”

Schatorjé is van mening dat de Limburger net zo’n fanatieke Nederlander als de Hollander is geworden. „We zijn volwaardige Nederlanders.”

Maar wel een die vlaaien eet, carnaval viert, speelt in de fanfare en lid is van de schutterij.

Schatorjé: „Dat zijn gecultiveerde eigenschappen die bij ons imago horen. Carnaval heeft katholieke wortels, maar vindt in zijn tegenwoordige vorm zijn oorsprong in het Rijnlandgebied. En de vlaai is van origine Noord-Frans fruitgebak. De commercie presenteert het als een typisch Noord-Limburgs product.”

Van Rensch bevestigt het cultiveren van het Limburgse imago. „In Gronsveld, waar ik woon, is een bijzondere schutterij, want die gaat nooit het dorp uit. Dat verschijnsel werd in de jaren dertig ontdekt door een volkskundige die verbonden was aan het Openluchtmuseum. De man maakte overal in Nederland films over volksgebruiken en met die films trok hij door het hele land. Hij maakte in Limburg dus films van zo’n schutterij, maar ook van het leven in vakwerkhuizen en het maken van vlaaien. Hij creëerde een bepaald stereotiep beeld van Limburg. Bij het vliegveld van Maastricht staat een groot welkomstbord van Limburg. Wat staan erop? Vakwerkhuizen. Dat is Limburg. Maar mensen wonen hier net zo goed in Vinex-wijken. Met monumenten en folklore trek je toeristen. De gemiddelde toerist gaat niet naar een nieuwbouwwijk.”

Er bestaan nogal wat vooroordelen over Limburgers. Ze staan bekend om hun vriendjespolitiek. Denk alleen maar aan de affaires rond Verheijen en Van Rey.

Schatorjé: „In Limburg is men daar de laatste jaren zeer alert op. Er is bij de provincie een integriteitscommissie die er scherp op toeziet.”

Van Rensch: „Er wordt gezegd: hoe zuidelijker je komt, hoe erger het is. Aan de Middellandse Zee schijnt het helemaal beroerd te zijn. Maar ik geloof niet dat het waar is. We hebben affaires gehad, maar dat geldt net zo goed voor andere provincies. Sterker nog, recent onderzoek wijst uit dat Limburg aanzienlijk gunstiger afsteekt in vergelijking met andere provincies.”

En: Wilders, geboren in Venlo, scoort goed doordat Limburg zou worden achtergesteld.

Schatorjé: „Wilders scoort in heel Nederland vanwege zijn populistische taal. Hij is goed in oneliners. Maar mensen die dieper nadenken, komen tot andere conclusies.”

Van Rensch: „Mensen zijn gevoelig voor slogans. Wat in Limburg kan meespelen, is het wegvallen van de grenzen. De oude grenzen die een deel van je identiteit vormen, brokkelen af. Dat zie ik in mijn dorp bijvoorbeeld gebeuren. Daar staan tradities onder druk door de komst van nieuwkomers. Vroeger gingen alle kinderen naar dezelfde school en zagen alle inwoners elkaar in de kerk. Daar kwamen automatisch de nieuwkomers. Dat is nu niet meer zo. Je kunt tamelijk anoniem in een dorp leven, en daarmee verandert de cultuur.”

Nog één: Limburgers zouden aan een minderwaardigheidscomplex lijden.

Schatorjé: „Leed, leed, leed. In het verleden was dat zeker wel het geval, maar Limburg heeft zich omgebogen tot een zelfbewuste Europees gerichte provincie. Wij zijn de provincie die wat aan Nederland toevoegt. Het wormvormig aanhangsel is nu de uitgestoken hand naar Europa. Het is de springplank naar Europa.”

Speelbal van grote mogendheden

„Limburg was vanaf de middeleeuwen tot de achttiende eeuw een sterk versnipperd gebied waar de mogendheden om streden”, zegt rijksarchivaris dr. Jacques van Rensch.

Tot de landen die in Limburg geïnteresseerd zijn, behoren de Republiek, die zich in de zestiende eeuw ontwikkelt tot een zelfstandige staat, maar ook Spanje met de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk en diverse Duitse staten die zelfs, zoals Pruisen, stukken grond in hun bezit hebben.

Het is Napoleon die de territoriaal versnipperde regio in 1795 tot een eenheid maakt. Het gebied krijgt in die tijd, eind achttiende, begin negentiende eeuw, de ene na de andere bestuurder. „Als je in 1780 in Roermond was geboren, was je staatshoofd de keizer van Oostenrijk. In 1795 werd je Frans staatsburger, in 1815 kwam koning Willem I, gevolgd in 1830 door Leopold I van België. In 1839 viel je weer onder Willem I en in 1848 onder zijn zoon Willem II. Je had zes vorsten gehad, zonder ooit je stad te hebben verlaten. Voor de mensen van die tijd was hun dorp hun vaderland.”

Het is overigens Willem I die het gebied in 1815 de naam Limburg geeft. Het idee is om de provincie Maastricht te noemen, maar de koning wil niet dat de naam Limburg verloren gaat. De naam komt af van het hertogdom Limburg, dat ten zuiden van de huidige provincie ligt.

Protestant in het rooms-katholieke zuiden

„Als protestant maak je in Limburg deel uit van een kleine gemeenschap die zich kenmerkt door een sterke onderlinge verbondenheid.”

Gijsbertha van Horssen (47) en Marc Dijk (39) hoeven niet lang na te denken over de vraag hoe het voor een protestant is om te werken en wonen in Limburg, de provincie die ondanks de kerkverlating nog altijd de naam heeft rooms-katholiek te zijn. Van Horssen en Dijk zijn lid van de circa zestig zielen tellende christelijke gereformeerde kerk in Bunde, bij Maastricht.

Van Horssen, verpleegkundige op de ic-afdeling van het academisch ziekenhuis in de Limburgse hoofdstad, merkt in haar omgeving dat „veel collega’s zich nog wel katholiek noemen, maar in feite zijn afgehaakt. Niemand gaat meer naar de mis, maar als iemand terminaal is, laat hij wel de pastoor komen voor het laatste sacrament, het oliesel.”

„De binding met de rooms-katholieke cultuur is er nog altijd”, voegt Dijk eraan toe. Dijk, in het dagelijks leven universitair docent duurzaamheid aan de universiteit van Maastricht: „Maar je ziet wel dat de katholieke cultuur aan het verwateren is. Net als in de rest van de maatschappij is ook in Limburg het individualisme doorgedrongen. De mensen leven niet meer in hechte gemeenschappen, en daardoor val je als protestant minder op.”

Van Horssen stelt dat haar collega’s niet eens het verschil tussen rooms-katholiek en protestant weten. „Het is voor hen één pot nat. Als ik naar de kerk ga, denken ze dat ik naar de mis ga. En ze menen dat de paus ook voor mij een belangrijk iemand is.”

Van enige vijandschap merken Van Horssen en Dijk niets. Dijk: „De individualisering heeft ertoe geleid dat ieder mens met zijn eigen ding bezig is. Onze naaste buren merken dat wij het geloof ernst nemen en vinden dat prima. Ze vragen er af en toe naar en vertellen over hun eigen geloofsopvoeding.”

Andere ervaringen hebben gemeenteleden die van de Rooms-Katholieke Kerk naar de christelijke gereformeerde kerk zijn overgestapt. Dijk: „In onze gemeente is een vrouw met een katholieke achtergrond. Zij heeft in haar omgeving na haar overstap de nodige vijandschap ervaren. De protestantse kerk wordt in haar familiekring als iets sektarisch uitgelegd.”

Van Horssen en Dijk komen respectievelijk uit de Bommelerwaard en Bodegraven en hebben protestantse wortels. Dijk ging van een grote actieve protestantse kerk met veel vrienden naar een „heel” kleine kerk. „Hier kun je niet je eigen subgroepje zoeken waarbinnen je alleen maar vrienden bent. In Bunde ken je iedereen en sta je voor de uitdaging om voor iedereen te zorgen.”

Van Horssen ging naar Limburg toen ze de kerk de rug had toegekeerd. „Zeven jaar geleden heeft de Heere me stilgezet. Hier in Limburg ben ik opnieuw geboren. Het klinkt misschien vreemd, maar ik voel me hier op mijn plek.”