Megabad voor Romeins schip

LELYSTAD – Impressie van de Romeinse platbodem De Meern 1, die in 1997 werd gevonden in De Meern. Het schip ligt in een speciaal bassin bij het Nederlands Instituut voor Scheeps en onderwater Archeologie in Lelystad. Tekening Frederick Weijs/ROB/NISA

LELYSTAD - Het grootste conserveringsproject voor het meest complete Romeinse schip dat ooit is gevonden. Bij de start van een drie jaar durende reddingsoperatie voor de platbodem De Meern 1 werden gisteren heel wat superlatieven gebruikt.

Het is ook best bijzonder wat er in de loods van het Nederlands Instituut voor Scheeps- en onderwater Archeologie (NISA) gebeurt. Een 25 meter lang schip, gevonden in 1997 in De Meern, is in twee stukken gezaagd. Het achterschip ligt in een speciaal voor dit project gebouwd bassin van 14 meter lang, 3 meter breed en 3 meter hoog, gevuld met water. Om het gewicht van de bak te kunnen dragen, kreeg het NISA-gebouw in juli extra heipalen.

Sinds gisteren wordt het water in de bak langzaam vervangen door een soort was, polyethyleenglycol (PEG). Bij een constante temperatuur van 60 graden dringt het spul langzaam door in het vermolmde eikenhout van het schip. Na anderhalf jaar kan de kachel uit en wordt de was hard. Daarna is het voorschip aan de beurt. De hele operatie kost 160.000 euro, betaald door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

„Dat is goedkoop” zegt projectleider Esther Jansma. „We hebben wel meer schepen geconserveerd, maar die zijn eerst helemaal uit elkaar gehaald omdat ze anders niet in de conserveringsbak pasten. Het in elkaar zetten kostte veel tijd en dus ook veel geld. En dan werd het geheel nog met allerlei kunstgrepen bij elkaar gehouden. Door het schip slechts in tweeën te delen, blijft het mooier.”

Waarom zo veel moeite voor een half vergaan schip? Jansma: „Omdat het zo compleet is. Andere gevonden schepen werden vaak expres afgezonken om als kade, beschoeiing of fundering te dienen. De Meern 1 is waarschijnlijk per ongeluk gezonken en daarom is alle scheepsinventaris nog aan boord.”

De inventaris bestond vooral uit timmermansgereedschap, gevonden in een roefje op het achterschip. Enthousiast wijst Jansma een handzaag aan. „Die kende we voorheen alleen nog maar van de plaatjes.” In het roefje stond ook een kastje met fraai bewerkte deurtjes, waarin onder andere een beugelschaar lag opgeborgen.

Op het schip woonde waarschijnlijk een timmerman met zijn vrouw die de forten, nederzettingen en wachttorens langs de Rijn aandeed om reparaties uit te voeren. Deze rivier vormde destijds de noordgrens van het Romeinse Rijk. Jansma: „We hebben de schoenzolen van de opvarenden gevonden. De schipper was fors gebouwd: hij had schoenmaat 42. Zijn gezellin was een stuk kleiner, zij had maat 35.”

Het schip is ook internationaal een belangrijke vondst, zegt Linda Boot, directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). „Er komen hier Italiaanse archeologen kijken naar wat hun voorvaderen allemaal hebben gemaakt.” Boot vindt het belangrijk dat ook Nederlanders kunnen zien wat er in de loods gebeurt en is opgeslagen. „Er is een groeiende belangstelling voor ons cultureel-historisch erfgoed en daar moeten wij op inhaken.”

Op dit moment is de boogvormige NISA-loods alleen te bereikbaar via de Bataviawerf. De bedoeling is echter om het gebouw toegankelijker te maken met een eigen ingang. Ook moet er een paviljoen komen, waarin meerdere Romeinse schepen worden tentoongesteld. De Meern 1 gaat over drie jaar echter terug naar zijn vindplaats. Bij de nieuwe wijk Leidsche Rijn komt een museum op de plek waar ooit een Romeins castellum stond. Ongetwijfeld zal het schip het topstuk van de tentoonstelling worden.