Hoe een neutraal gezicht angst inboezemt

Sociaal angstige mensen zijn bang voor situaties met veel mensen op zich heen. Dit gedrag is aantoonbaar in de hersenen. beeld ANP, Roos Koole
2

Mensen met de sociale-angststoornis (SAS) hebben een extreme angst om door anderen negatief te worden beoordeeld. Deze verlegenheid ligt voor een deel vast in de genen en het brein. Dat ontdekte dr. Janna Marie Bas-Hoogendam.

Bas promoveerde dinsdag cum laude op erfelijke kenmerken die kinderen en jongeren kwetsbaar maken om SAS te ontwikkelen. Voor haar onderzoek maakte ze gebruik van families waarin meerdere leden sociaal angstig zijn.

Met behulp van een MRI-scanner legde ze de hersenactiviteit van de familieleden bloot. Tijdens het scannen liet ze hen verschillende taken doen. Zo lazen de deelnemers een beschrijving van een situatie waarbij iemand uit eten ging bij zijn oma. Dat eindigde in een ramp: hij werd misselijk en moest overgeven.

De promovenda ontdekte dat in die situatie de frontale hersenkwab, een hersengedeelte vlak achter het voorhoofd, bij mensen met SAS erg actief is. „Dat komt overeen met onze verwachtingen. We weten dat sociaal angstige mensen bang zijn voor vervelende situaties die ze niet willen.”

Bij een andere taak bekeken deelnemers neutrale gezichten. „Die veroorzaken een stresssignaal omdat ze twee kanten kunnen opgaan: richting een boos of een blij gezicht.”

Tegelijkertijd analyseerde Bas de activiteit van de amandelkern, een hersengebied dat betrokken is bij de regulatie van angst. „De reactie van de amandelkern op een neutraal gezicht neemt bij gezonde mensen snel af. Maar bij sociaal angstige mensen blijft de amandelkern actief reageren, ten minste vier minuten lang. Dat kan verklaren waarom zij zich blijvend ongemakkelijk voelen in sociale situaties.”

De resultaten laten volgens de promovenda zien dat de hersenen bij SAS-patiënten anders zijn geprogrammeerd dan bij mensen zonder de fobie. Hoe groot dit verschil is, hangt samen met de mate van sociale angst. Bovendien kon ze, doordat ze meerdere leden van dezelfde familie onderzocht, vaststellen dat deze hersenveranderingen deels erfelijk bepaald zijn.

Open vragen zijn er ook: zo zou ze graag onderzoeken of de activiteit van de amandelkern beïnvloed kan worden door bijvoorbeeld therapie.

De grootste maatschappelijke meerwaarde van het onderzoek ligt volgens de promovenda in haar wens dat mensen gaan inzien dat SAS een echte aandoening is die je in de hersenen kunt aantonen. „Enerzijds kun je de uitkomst dat de hersenen bij deze mensen anders reageren, zien als een doemscenario. Maar de meeste deelnemers ervaren het als een opluchting dat hun gedrag aantoonbaar is in de hersenen. Ze beseffen: de extreme verlegenheid ligt niet aan henzelf, ook niet aan hun opvoeding, maar ze hebben gewoon pech.”