Gevluchte predikant ontmoet Nederlandse evangelist: samen bidden, samen eten

Kerk en vluchteling
Evangelist Joan Bonhof (l.) en ds. Hany Ghattas. beeld Sjaak Verboom Sjaak Verboom

Doodsbedreigingen en andere gevaren brachten ds. Hany Ghattas er meer dan eens toe om te vluchten. Nu verblijft de Egyptische predikant, die ook in Syrië werkte, in het azc in Schalkhaar. Tijdens een ontmoeting met evangelist Joan Bonhof komen gezamenlijke verlangens én zorgen naar voren.

Het contrast is groot. Ooit diende ds. Ghattas (46) een baptisten­gemeente met zo’n 200 leden in Egypte en –later– gemeenten in Syrië. Nu woont hij in het azc Schalkhaar, waar hij een kamer deelt met een andere asielzoeker. Zijn vrouw en 11-jarige dochter verblijven in Syrië, het land dat ds. Ghattas een jaar geleden ontvluchtte. In maart kreeg hij een verblijfsvergunning. „Ik wacht op een huis en hoop dat mijn gezin snel hier kan komen.”

De predikant zit om de tafel met evangelist Bonhof (44). Als pastor van een internationale gemeente (ICF) in Utrecht, onderdeel van de christelijke gereformeerde kerk te Utrecht-West, heeft Bonhof veel contact met asielzoekers en vluchtelingen. In zijn kerkenraad zitten onder anderen een Afrikaans-Amerikaanse en een Iraanse ouderling.

Tijdens de ontmoeting met Bonhof schetst ds. Ghattas eerst de ernstige problemen die hij ondervond, maar die om veiligheidsredenen niet gedetailleerd in de krant mogen. Hij kreeg onder meer te maken met doods­bedreigingen en een fatwa die tegen hem werd uitgesproken, nadat hij in Egypte een tot het christendom bekeerd islamitisch gezin had gedoopt. „Evangeliseren onder moslims is in Egypte streng verboden.”

Hij vertelt ook over huizen en winkels van leden van zijn gemeente die in brand werden gestoken. Nadat hij zelf aan een aanslag was ontsnapt, vluchtte ds. Ghattas in 2008 naar Syrië, het geboorteland van zijn vrouw. Daar had hij in het begin een gezegende tijd en raakte hij betrokken bij 22 huiskerken. „Het is bijzonder dat sinds het uitbreken van de oorlog in Syrië veel moslims in Jezus zijn gaan geloven.”

De oorlog leidt echter ook tot grote problemen. Aan de hand van foto’s op zijn smartphone laat ds. Ghattas zijn in 2012 verwoeste woning zien. „We zaten in gevaarlijk gebied en zagen IS steeds verder oprukken in onze richting.” Nadat hij twee keer was aangehouden door gewapende rebellen van het aan al-Qaida gelieerde Jabhat al-Nusra, besloot hij opnieuw te vluchten en vroeg hij in Nederland asiel aan.

De Egyptische predikant gaat regelmatig voor in (Arabischtalige) diensten van de vrije baptisten­gemeente in Deventer en een evangelische gemeente in Zwolle. „We hebben dezelfde visie: diensten voor vluchtelingen aanbieden in hun eigen taal. Er zijn ook altijd Nederlanders bij. Voor hen wordt de dienst vertaald.”

Ook onder het gehoor van evangelist Bonhof in Utrecht zitten –naast buitenlandse studenten en werknemers– altijd vluchtelingen. „De diensten worden gehouden in het Nederlands en het Engels. Verder hebben we mensen die vertalen in het Farsi en het Arabisch. Door de week komen gemeenteleden samen voor Bijbelstudies in hun eigen taal.”

Waarom houden Nederlanders en vluchtelingen op zondag aparte diensten samen?

Bonhof: „Geestelijk zijn we één; we dienen dezelfde God en Vader. Vanwege culturele en taalverschillen hebben we als ICF-gemeente echter eigen diensten naast die van de cgk Utrecht-West. Er zijn voorbeelden dat vluchtelingen goed geïntegreerd raken in een Nederlandse kerk, maar vaak is het toch zo dat bijvoorbeeld Arabische christenen zich dan eenzijdig aanpassen aan onze cultuur.

Elke dinsdag leid ik een Arabische Bijbelstudie, die vertaald wordt door een Iraakse broeder. Het zou mooi zijn als we hiervoor een Arabische leider zouden vinden. We hebben het plan om samen met andere kerken en organisaties één keer in de maand een Arabische dienst te gaan houden, waarbij we het Evangelie op een eenvoudige manier aan onder anderen moslims willen vertellen. Het is mijn verlangen dat ook zij de Heere Jezus leren kennen.”

„Amen!” reageert ds. Ghattas.

Bonhof: „Een Arabische broeder kan veel beter evangeliseren onder Arabischsprekenden dan ik. Als je de verschillende preken van Paulus in Handelingen leest, zie je dat hij die afstemt op zijn publiek. Hij benadert de Joden op een andere manier dan hoogopgeleide Grieken. Tegen Arabisch­taligen zeg ik altijd: Jullie mogen de Heere Jezus volgen, maar tegelijk gewoon Arabier blijven.”

Ds. Ghattas: „Het is inderdaad goed om Arabische diensten te houden. Soms worden diensten vertaald in het Engels, maar lang niet iedereen verstaat dat goed. Als je een preek hoort in je eigen taal met voorbeelden uit jouw cultuur, is dat prettiger. Maar er moet wel samenwerking zijn met een Nederlandse kerk. Het is belangrijk dat die ons hulp en begeleiding biedt.”

Bonhof: „Zeker, we kunnen elkaar helpen en van elkaar leren. Ik ervaar het als een zegen dat we als ICF-gemeente verbonden zijn met een Nederlandse kerk. In onze diensten komen mensen uit verschillende culturen en ontstaan er gesprekken en vriendschappen over grenzen heen. Daarbij voel ik me thuis.”

Wat leert u van christenen uit andere culturen?

Bonhof: „Gastvrijheid en onder­linge warmte en liefde. Dat vind ik prachtig. De Nederlandse cultuur is individualistisch. Dat zie je terug in de kerken. De kerk in het Midden-Oosten gaat veel meer uit van ”wij” dan van ”ik”. Ik zie steeds meer het belang van gemeenschap. In het Lukas­evangelie lees je dat de Heere Jezus vaak met mensen aan de maaltijd zat. Als Nederlanders zeggen we: De kerk is waar het Woord wordt verkondigd en de sacramenten worden bediend. Maar het gaat ook om een onderlinge band hebben, één familie zijn.”

Ds. Ghattas: „Ik leer van Nederlandse christenen eerlijkheid. Nee is nee en ja is ja. Dat is in onze cultuur soms anders. Bij de christenen die ik hier ontmoet, merk ik ook dat ze zich willen houden aan de Bijbel.”

Welke houding dient de kerk te hebben tegenover moslims?

Ds. Ghattas: „We moeten beseffen dat niet alle bezoekers van een Arabische dienst de Heere Jezus willen leren kennen. Sommigen willen alleen een document waarin staat dat ze christen zijn omdat dit hen helpt in hun asielprocedure. De kerk moet heel voorzichtig zijn met het dopen en doopbewijzen geven.

Ik was een keer in een dienst waarin een vluchteling werd gedoopt. Na de doop vroeg de Nederlandse voorganger: Wie wil er ook gedoopt worden? Er kwam een Irakees naar voren. Hij zei: „Ik houd van Jezus en wil in Nederland blijven en hier sterven.” Wat heeft dat met elkaar te maken? In zo’n geval werk ik niet mee aan een doop. De doop is niet goedkoop. Maar als na bijvoorbeeld zes maanden blijkt dat iemand echt christen wil worden, kan hij worden gedoopt.”

Bonhof: „Ik heb veel contact met moslims en herken het gevaar dat u noemt. Soms komen moslims bij ons en vragen ze meteen of ze gedoopt kunnen worden. Dan zeg ik dat we kunnen beginnen met een paar maanden Bijbelles en gesprekken over hun motivatie om gedoopt te willen worden. Sommigen komen dan niet terug.”

Ds. Ghattas: „Dat heb ik ook meer dan eens zien gebeuren bij moslims die naar een kerk gingen.”

Bonhof: „Tegelijk ben ik ervan overtuigd dat de Heere God een opwekking geeft onder Iraniërs en Hazara’s uit Afghanistan. De Heere is onder hen aan het werk en ik wil Hem de eer daarvoor geven. Hij geeft een geopende deur. Maar in de slipstream van mensen die zich laten dopen, kunnen ook gelukszoekers meekomen.”

Ds. Ghattas: „Daarom is het belangrijk dat mensen die zich willen laten dopen altijd een gesprek hebben met een christen die hun taal spreekt. Nederlanders geloven vluchtelingen soms te snel. Iemand die uit de Arabische wereld komt, heeft vaak beter door of een moslim die christen wil worden eerlijk en serieus is.”

Bonhof: „Dat is een wijs advies. Bij een motivatiegesprek voor de doop met iemand uit de Arabische wereld zit bij ons ook altijd een Arabischsprekende broeder.”

Ds. Ghattas: „Begrijp me goed, ik doe de deur niet dicht, maar vind dat we voorzichtig moeten zijn.”

Bonhof: „Ik wil mensen die in onze gemeente komen niet argwanend tegemoet treden, maar hen hartelijk ontvangen en hun liefde en vertrouwen geven. En als je Neder­landers vraagt waarom ze naar de kerk gaan, is hun motivatie dan altijd zo sterk? Wie van ons is 100 procent op Jezus gericht?

Als mensen die gedoopt zijn later afhaken, wil dat ook niet altijd zeggen dat het een schijnbekering was. Ex-moslims maken soms heel moeilijke dingen mee. Discipelschap, een volwassen volgeling van Christus worden, vraagt vaak heel wat. Ik kijk naar mensen vanuit de gedachte dat we allemaal de Heere Jezus nodig hebben. We moeten Hem leren volgen, met alle problemen die we hebben.”

Wat is het belangrijkste dat u elkaar wilt meegeven?

Ds. Ghattas: „We zijn één kerk, samengesteld uit alle culturen. Onze kleuren zijn verschillend en we hebben soms andere ideeën, maar de Heere Jezus ziet ons samen als Zijn gezin. Soms begrijpen we elkaar niet, maar Hij begrijpt ons allemaal. Als Arabische kerk hebben we jullie als Nederlanders nodig om samen te bidden en aan een gedeelde visie te werken. Leer ons ook van jullie cultuur. We staan ervoor open.”

Bonhof: „U hebt heel veel geleden vanwege het Evangelie en hebt de Heere Jezus gediend door grote moeilijkheden heen. Ik ben dankbaar dat ik u mag ontmoeten en zou willen zeggen: Help ons om Arabische mensen in Nederland te bereiken met het Evangelie. Help de vluchtelingen ook om zich niet klein en onbeduidend te voelen. Veel vluchtelingen denken: Ik tel niet mee. Maar jullie horen volwaardig bij het lichaam van Christus. En wij kunnen leren van de manier waarop jullie zware tegenslagen hebben doorstaan.”