Dankgebed tijdens vlucht uit Lobith

75 jaar vrijheid
Een Churchilltank op 12 februari 1945 in de grotendeels verwoeste Duitse stad Kleef. beeld Wikimedia
4

Er vielen bommen op het bos; er werden schepen beschoten. In de grensstreek rond Lobith was het 75 jaar geleden zo onveilig dat de bevolking weg moest. De bevrijding van het gebied maakten de bewoners niet mee.

Als Sliedrechtenaar K. Blokland (nu 80) later aan zijn moeder vroeg: „Zou u uw leven willen overdoen?”, was haar antwoord steevast: „Nooit. Dien oorlog, dien oorlog, dien oorlog.” Die oorlog kwam soms heel dichtbij.

Blokland woonde als kind in het Gelderse Lobith. „Mijn vader was bij de douane. Wij woonden recht tegenover het Reichswald, een bosgebied net over de grens met Duitsland. Er moest elke dag voor eten gezorgd worden. Met mijn broer en zus haalde ik stiekem suikerbieten weg bij de Duitsers. Die waren voor hun paarden bestemd.

We woonden in een dijkhuis en hadden een grote kelder. Op een dag –wij waren in de kelder, want het luchtalarm was afgegaan– riep mijn vader: „Nu moeten jullie komen kijken; Sodom en Gomorra gelijk.” Het Reichswald stond in brand, nadat de Engelsen er fosforbommen hadden afgeworpen. Hun vliegtuigen vielen ook vaak het vrachtverkeer op de Rijn aan. Dus in de omgeving was het erg onveilig.”

Bij de Slag om Arnhem in september 1944 was het de geallieerden niet gelukt het gebied ten noorden van de Rijn te veroveren. Opperbevelhebber Eisenhower besloot dat het veiligstellen van de Scheldemond –toegang tot de Antwerpse havens– prioriteit had, zodat de troepen konden worden bevoorraad. Daarom moest de Britse veldmaarschalk Montgomery zijn droom –de Rijn oversteken, het Roergebied omsingelen en over de Duitse Laagvlakte oprukken naar Berlijn– voorlopig opgeven.

Op 8 februari 1945, vier maanden later dan Montgomery’s bedoeling was, kwam het front dan toch in beweging: operatie Veritable begon. Vooraf was een enorme troepenmacht samengetrokken. Toch verliep de opmars moeizaam.

Evacueren

Lobith en Tolkamer kwamen onder zwaar granaatvuur te liggen. De dorpelingen verscholen zich in de kelders. „In onze kelder sliepen er 32”, zegt Blokland. „De geallieerden zaten bij Nijmegen en de Duitsers achter de Elterberg. Die heuvel is nu weer begroeid, maar was na de oorlog helemaal kaal en in het dorp Leuth stond geen huis meer overeind.”

Op 10 februari kwam het bevel tot evacuatie. „De meeste mensen gingen naar buurgemeenten, maar onze familie woonde in het westen. Hoe kwam je daar? Op de fiets. Mijn vader, die pas hersteld was van een maagbloeding, had zijn douane-uniform aan en daar hadden de Duitsers wel ontzag voor. Voor op de fiets had hij een grote mand, zoals een bakker. Daarachter zat ik, dan mijn vader, daarachter had hij een grote koffer. Als we stopten, stapten eerst mijn moeder en mijn broer af en dan hielpen ze vader. Zo ging het ook met opstappen.”

Waarschuwing

Op de dijk stonden witte cirkels. „Moeder vroeg waar dat voor was. Vader antwoordde: „Weet ik veel; rijd er maar omheen.” Later hoorden we dat daar mijnen lagen...”

Voort ging het, van dorp naar dorp. „De ene keer sliepen we met twintig mensen in een kamer, de andere keer overnachtten we in het hooi. Voordat we gingen slapen, deed vader een gebed. Hij dankte voor ons behoud en vroeg voor de volgende reis of de Heere weer met ons mee wilde gaan. Hij bad ook voor al die aardige mensen die hielpen. Ze waarschuwden bijvoorbeeld omdat er een fietsenrazzia aan de gang was, en zeiden: „Ga maar mee.”

We zijn tien dagen onderweg geweest voordat we in Hardinxveld waren. Een zus van mijn moeder zag ons over de dijk gaan en zei tegen haar man: „Daar gaat weer een gezin; waar komen die weer vandaan?” Waarop haar man zei: „Waar moeten ze naartoe?”

Eerst logeerden we bij de familie in Hardinxveld, daarna bij een boer in Langerak. Na de bevrijding keerden we terug naar Hardinxveld, niet naar Lobith.”

Dwarsliggers

„Hadden we later een hekel aan de Duitsers?” Blokland vroeg het zich af. „Met kennissen gingen we eten in een hotel in Zeddam. De kortste weg was via het Duitse Elten, maar we reden om via Zevenaar.” In Nederland.

Vele jaren later ging Blokland weer eens kijken in de streek waar hij de oorlogsjaren doorbracht. „Mijn vrouw en ik deden vrijwilligerswerk in De Herberg in Oosterbeek. Toen zijn we naar Lobith en Tolkamer gereden, naar mijn geboortehuis. Een man was in de tuin bezig en vroeg wat we zochten. Ik vertelde dat ik in dit huis was geboren. We werden binnengenodigd. Toen vertelde ik over de spanning in de schuilkelder.

We gingen de kelder in. Die was niet zo groot. De bewoner zei: „Enkele jaren voordat wij hier kwamen wonen, is er verbouwd. Toen is een groot gedeelte van de kelder naar de andere kant gegaan. Daar woonde een gezin en dat had geen kelder.”

We werden rondgeleid en veel dingen kon ik me nog herinneren. Zo was er een raam met gepantserd glas bovenaan de keldertrap. Bij de steenfabriek achter ons haalde vader ijzeren dwarsliggers. Die legde hij op dat raam om inslagen te voorkomen. Toen ik dat vertelde, zei de bewoner: „Aha. Achter het kippenhok lagen dwarsliggers. Nu weet ik waar die voor waren.”