Afghaanse asielzoeker keert zonder Bijbel terug naar Kabul

Uitgeprocedeerde asielzoekers
Afgewezen asielzoekers moeten het land verlaten. „Ik heb spijt dat ik ooit naar Nederland ben gevlucht. Grote spijt. Maar ik kan het niet terugdraaien”, zegt een Afghaan die geen verblijfsvergunning kreeg. beeld Sjaak Verboom Sjaak Verboom

Na veertien jaar pakt Fared zijn koffer. De Afghaanse asielzoeker, die in Nederland christen werd, krijgt geen verblijfsvergunning. Hij heeft gewerkt voor de geheime dienst in zijn land en wordt daarom verdacht van oorlogsmisdaden. „Morgen ga ik terug naar een onveilig, islamitisch land. Diep in mijn hart ben ik bang.”

Fared (47) groeit op in Oost-Afghanistan, vertelt hij op een ochtend in maart in de woonkamer van Nederlandse vrienden. Jarenlang werkt hij voor de geheime dienst in zijn land. Hij bekleedt er verschillende functies, tot 1991 op de logistieke afdeling, daarna onder meer in de keuken. In 1992 maakt hij de overgang van een communistisch naar een islamitisch bewind mee.

Zes jaar later pakken de taliban Fared op. „Ze namen me gevangen en wilden de locatie van een groot wapendepot van me weten, maar die wist ik niet. Ik hield me in mijn werk met heel andere zaken bezig.” Zijn vader koopt hem vrij uit de gevangenis, waarna Fared naar Kazachstan vertrekt. Daar verblijft hij een maand legaal, vervolgens vijf maanden illegaal.

Omdat het daar voor hem ook niet veilig is, gaat hij terug naar Afghanistan om zijn reis naar Europa voor te bereiden. Met hulp van vrienden duikt Fared onder in een stad in West-Afghanistan. „Zes maanden heb ik in het huis van een vriend van mijn vader gezeten. Ik kwam niet buiten, want ik was bang dat ik weer in handen van de taliban zou vallen.”

Veilige plek

In oktober 1999 ontvlucht Fared Afghanistan. Zijn vader schakelt een duurbetaalde mensensmokkelaar in die ervoor zorgt dat hij in Nederland komt. „Mijn vader wilde dat ik naar een veilige plek zou gaan. Midden in een nacht werd ik afgezet bij station Amsterdam CS. Verder moest ik het zelf uitzoeken.”

Fared, die geen Engels beheerst, slaapt op straat. De tweede nacht ontmoet hij een persoon die zijn taal spreekt en hem de weg wijst naar een politiebureau. Als Fared zich daar de volgende ochtend meldt, krijgt hij een verwijzing naar het aanmeldcentrum voor asielzoekers in Zevenaar, plus een dagkaart voor de trein.

Fared start een asielprocedure en verblijft achtereenvolgens in zes azc’s, waaronder Almere, Ede, Geleen en Apeldoorn. Na twee jaar en elf maanden krijgt zijn dossier het stempel 1F, verdenking van oorlogsmisdaden (zie kader ”Artikel 1F”). „Ik had voor een foute regering gewerkt en kreeg daarom geen verblijfsvergunning.”

Veertien jaar lang is een advocaat met zijn zaak bezig. Op allerlei manier probeert Fared te bewijzen dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden. „Ik ben bijvoorbeeld naar de Afghaanse ambassade in Den Haag geweest en heb gevraagd te onderzoeken of ik oorlogsmisdadiger ben, of niet. Na zes maanden kreeg ik een brief waarin kort en duidelijk staat dat ik geen misdaden heb gepleegd.”

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) accepteert het document niet. „De IND gaat ervan uit dat ik het door corruptie verkregen kan hebben. Dan denk ik: Als Afghanistan zo corrupt is, waarom helpt Nederland dat land dan met geld en militaire steun?”

Bijbel

Tijdens zijn verblijf in een van de azc’s krijgt Fared in december 2009 van een kerkelijke vrijwilliger een Bijbel in zijn eigen taal. „Zes maanden lang heb ik er intensief in gelezen. Ik ontdekte dat de islam een foute godsdienst is. Uit de Bijbel leerde ik dat ik een zondig mens ben en een Redder nodig heb. Ik begreep dat ik alleen door Jezus Christus bij God kan komen, uit genade.”

In de zomer van 2010 laat Fared zich dopen in de Koreskerk in Apeldoorn, een evangelische gemeente die zich vooral op Iraniërs en Afghanen richt. „Ik ben daarna nog bijna een jaar naar die kerk gegaan. Daarna sloot ik me aan bij de plaatselijke ICF-gemeente. Omdat die alleen ’s middags dienst had, ging ik ’s ochtends naar de gereformeerde gemeente, want ik wilde graag twee keer naar de kerk.”

In augustus 2013 belandt Fared op straat. Zijn kans op een verblijfsvergunning is definitief verkeken en hij mag niet langer in een azc wonen. Intussen mag Nederland hem niet gedwongen uitzetten, omdat hij bij terugkeer naar Afghanistan gevaar kan lopen.

Via vrienden van de kerk vindt Fared een adres waar hij geruime tijd kan wonen, bij een Nederlands gezin. „Ik kreeg gratis eten en onderdak en verdiende wat geld met kleine klusjes bij mijn christelijke broers en zussen uit de kerk, zoals laminaat leggen en sauzen. Daarvan kocht ik spullen zoals shampoo en tandpasta.”

Bang en onzeker

Nadat hij ruim twee jaar bij achtereenvolgens twee gezinnen heeft gebivakkeerd, besluit Fared terug te keren naar Afghanistan. „Op het tweede adres waar ik zat, kon ik na zestien maanden niet langer blijven. Ik ben moe van alles, ben altijd afhankelijk van anderen. Dat wil ik niet langer. Ik heb hier geen toekomst.”

Hoewel zijn vrienden Fared verzekeren dat ze hem zullen blijven steunen, besluit hij te vertrekken. Dat laat onverlet dat de terugkeer naar het islamitische Afghanistan hem erg onzeker maakt. „Diep in mijn hart ben ik bang. Mijn vader leeft niet meer en mijn moeder wil geen contact omdat ik christen ben geworden”, zegt hij, terwijl hij op zijn nagels bijt.

De Bijbel in het Dari die hij in 2009 kreeg, laat Fared in Nederland achter, omdat hij als ex-moslim gevaar loopt als deze in Afghanistan in zijn bagage wordt gevonden. „Ik heb hem teruggegeven aan mijn vriend van wie ik hem gekregen heb en gezegd: „Als ik ooit op een veilige plek ben, stuur hem dan naar me op.” Tot die tijd zal ik de Bijbel online lezen op m’n smartphone die ik van mijn christelijke vrienden gekregen heb.”

Zijn twee koffers zijn gepakt. Vanavond neemt hij nog afscheid van enkele vrienden, om morgen vanaf Schiphol via Turkije naar Kabul te vliegen. Enkele verre familieleden zullen Fared in eerste instantie opvangen. Hoe het daarna zal gaan, is voor hem een spannende vraag (zie kader ”Hoe het verder ging”).

Met welk gevoel stapt de afgewezen asielzoeker op het vliegtuig? „Ik heb spijt dat ik ooit naar Nederland ben gevlucht. Grote spijt. Maar ik kan het niet terugdraaien. Ik dacht dat dit een rechtvaardig land was, maar ben daarin zwaar teleurgesteld. Ik ga terug naar een onveilig, islamitisch land. Hoe het verder gaat, weet ik niet. Ik vraag God met mij te laten gebeuren wat Hij wil.”

De naam Fared is om veiligheidsredenen gefingeerd.


Artikel 1F

Artikel 1F van het VN-Vluchtelingenverdrag uit 1951 bepaalt dat asielzoekers die worden verdacht van oorlogsmisdaden of misdaden tegen de menselijkheid geen recht hebben op bescherming. Een asielzoeker die onder artikel 1F valt, krijgt geen verblijfsvergunning. Wanneer het terugsturen naar zijn herkomstland ernstig gevaar voor hem kan opleveren, mag Nederland hem niet gedwongen uitzetten. Dit betekent niet dat de 1F’er alsnog een verblijfsvergunning krijgt. In Nederland valt hij echter buiten alle reguliere voorzieningen.

www.ind.nl/organisatie/themas/1F


Hoe het verder ging

Fared is zo’n anderhalve maand geleden veilig in Afghanistan aangekomen en door familie opgehaald. Dat zegt een woordvoerster van stichting AZIZ (Asielzoekers Zichtbaar In Zorgen). Vanuit de stichting en door een betrokken kerkelijke vrijwilliger is er de laatste zes weken beperkt telefonisch contact met Fared geweest. „Hij typeerde Afghanistan als volgt: „Te veel auto’s, te veel mensen, te veel stof. In Kabul staan om de 200 meter militairen die mensen controleren op bommen, niet op papieren. Het is niet alleen voor mij gevaarlijk, maar voor alle Afghanen.””

Na aankomst in Kabul is Fared vrijwel direct ziek geworden. Hij is drie dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. „Daar heeft hij al die tijd aan het infuus gelegen vanwege ernstige buikklachten. Dat was volgens de artsen daar normaal als je na zeventien jaar in een gezonde omgeving verkeerd te hebben, terugkeert naar het vieze, onhygiënische en stoffige Afghanistan. Hij zou daar zeker drie maanden nodig hebben om lichamelijk te wennen. In het eerste contact vertelde hij dat Nederland heel erg mist”, aldus de woordvoerster van AZIZ.

Vanwege de onveiligheid blijft Fared meestal binnen. „Hij hoort elke nacht schoten van kalasjnikovs, die in de lucht schieten. Bovendien is hij bang op straat herkend te worden door vroegere politieke vijanden of door ex-asielzoekers die weten dat hij christen is geworden.” De woordvoerster van AZIZ hoopt de komende tijd opnieuw iets van Fared te horen. „Sinds 28 april hebben we niets meer van hem vernomen. We weten niet goed waarom we op dit moment geen contact met hem kunnen krijgen.”