Twijfels over omstreden kinderpornofilter

Achtergrond
Foto ANP

Schokkende zedenzaken met jonge slachtoffertjes hebben niet zelden een link met kinderporno op internet. Politie en justitie worstelen met de aanpak, terwijl verspreiders van kinderporno steeds inventiever opereren. De overheid zet in op internetfiltering, maar slaat volgens critici de plank mis.

Robert M., verdachte in de Amsterdamse zedenzaak, misbruikte niet alleen tientallen jonge kinderen, maar zou ook kinderpornografie hebben geproduceerd en verspreid. Of commercieel gewin zijn voornaamste doel was, is niet zeker. Feit is dat de grote vraag naar kinderporno misbruik in de hand werkt.

Dat internet het belangrijkste verspreidingskanaal voor kinderporno is, staat buiten kijf. Nooit was het voor perverse geesten zo makkelijk om aan grote hoeveelheden nieuw materiaal te komen. Internet is razendsnel, wie de weg weet kan alles vinden, de opslagcapaciteit is eindeloos.

Staat een foto eenmaal op internet, dan is het vrijwel onmogelijk deze weer te verwijderen. De bestanden worden gedownload, gekopieerd en weer verspreid. Slachtoffers moeten, ook als ze ouder zijn, leven met de wetenschap dat de beelden van hun misbruik nog altijd online staan.

Zorgwekkend is dat er steeds meer nieuw materiaal in omloop is, schrijft mr. Jan-Jaap Oerlemans, promovendus aan de Universiteit Leiden, in zijn recent verschenen boek ”Opsporing en bestrijding van kinderporno op internet”. „Dat is een zeer zorgelijke tendens. Immers, telkens als er nieuw materiaal wordt vervaardigd, leidt dit tot misbruik van kinderen.”

Daarnaast lijken de in beslag genomen beelden steeds grover en gewelddadiger te worden. Onderzoek uit 2006 van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) wijst uit dat de slachtoffers meestal kinderen zijn die in de familiesfeer ernstig zijn misbruikt.

De ‘markt’ wordt uiteindelijk in stand gehouden door de verzameldrang van de gebruikers, zegt Oerlemans. Niet voor niets heeft de bestrijding van kinderporno op internet steeds meer prioriteit gekregen.

Zo verschuift de focus in de opsporing meer en meer van bezitters naar verspreiders en producenten. En staatssecretaris Teeven van Veiligheid onderzoekt of hij het team van 75 gespecialiseerde zedenrechercheurs kan uitbreiden met nog eens 75 man.

Desondanks worstelen politie en justitie met de aanpak. Verspreiders én bezitters worden steeds inventiever (zie kader), de politie kampt met een gebrek aan capaciteit en technische kennis, waardoor tientallen zaken op de plank blijven liggen.

Bovendien staat veel materiaal op buitenlandse servers. Wil de Nederlandse politie grensoverschrijdend onderzoek doen, dan is een rechtshulpverzoek aan het desbetreffende buitenland vereist. Vaak met kostbaar tijdverlies tot gevolg.

In de strijd tegen kinderporno op internet verwacht de Nederlandse overheid daarom veel van internetfiltering. Oerlemans: „De gedachte is dat het blokkeren van websites een extra drempel voor gebruikers opwerpt om toegang te krijgen tot kinderporno op internet. Dit zou uiteindelijk moeten leiden tot minder misbruik van kinderen.”

Het kinderpornofilter is in eerste instantie vooral gericht tegen buitenlandse websites, omdat de aanpak daarvan door de politie extra lastig is. Op basis van een zwarte lijst met bekende webadressen van kinderpornosites blokkeren internetserviceproviders (isp’s) deze websites zodra gebruikers proberen die te benaderen. De persoon die naar de site surft, krijgt een melding dat de site onbereikbaar is vanwege de vermeende inhoud.

In 2006 nam de Tweede Kamer een motie aan van Van der Staaij (SGP) en Rouvoet (ChristenUnie) die de regering ertoe opriep „de verdere uitbouw en toepassing van de technische mogelijkheden tot het blokkeren, filteren of afsluiten van kinderpornografisch materiaal op internet en andere media te bevorderen.”

Een jaar later experimenteerde het KLPD voor het eerst met internetfiltering op basis van een door de dienst opgestelde zwarte lijst. Daarvoor ontbrak destijds echter een wettelijke basis. Door in 2009 het samenstellen en beheren van de zwarte lijst in handen te geven van het Meldpunt Kinderporno op Internet creëerde toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin de noodzakelijke grondslag voor het filter.

Maar de huidige status van het internetfilter is onduidelijk, evenals het aantal isp’s dat meewerkt. De overheid weigert steevast details te verstrekken over de precieze werking en de manier waarop de zwarte lijst tot stand komt.

Critici zoals de digitale burgerrechtenbeweging Bits of Freedom uiten regelmatig hun twijfels over de totstandkoming van de zwarte lijst. BoF-directeur Ot van Daalen: „Nederland lijkt Iran wel: een geheime zwarte lijst met verboden sites waarvan we niet weten hoe je erop komt, hoe je eraf komt, welke technologie er wordt gebruikt en wat er precies wordt afgesproken tussen de providers. Dit is volstrekt onacceptabel.”

Volgens hem zou de overheid duidelijkheid moeten geven over de criteria die het Meldpunt Kinderporno hanteert om websites op de zwarte lijst te plaatsen. Ook zou controleerbaar moeten zijn of sites terecht op de lijst komen.

De organisatie vreest met name voor een infrastructuur die censuur van andere websites in de hand werkt. „In Australië komen bijvoorbeeld ook pagina’s over euthanasie op de zwarte lijst terecht. Of sites die auteursrechtelijke content verspreiden, zoals downloadsite The Pirate Bay. Dat staat op gespannen voet met de vrijheid van meningsuiting.

Kindermisbruik moet koste wat het kost worden bestreden, daarover geen misverstand. Maar deze maatregel werkt averechts. De afbeeldingen worden weliswaar verborgen, maar ze blijven online staan. Terwijl de politie geen actie onderneemt om de daders aan te pakken. Recent onderzoek toont aan dat websites die al twee jaar op een zwarte lijst stonden, werden verwijderd binnen een paar uur nadat de aanbieders waren aangeschreven. Verboden materiaal moet niet achter een filter worden verstopt, maar juist worden verwijderd.”

Oerlemans deelt de kritiek. Volgens hem is het filter bovendien makkelijk te omzeilen. „Verspreiders openen met hetzelfde gemak een andere website die wél toegankelijk is. Bovendien zijn de veelgebruikte nieuwsgroepen, peer-to-peernetwerken en virtuele harde schijven niet of nauwelijks te filteren.”

De Leidse promovendus beschrijft in zijn boek een alternatief voor het omstreden plan: filteren op hashwaarden. Deze unieke codes, gekoppeld aan kinderpornografische afbeeldingen, maken veel fijnmaziger filtering mogelijk. Bovendien kan het verkeer in peer-to-peernetwerken ermee gefilterd worden.

Internetbedrijf Leaseweb zeeft al geruime tijd op deze manier, op basis van de database met afbeeldingen van de Zweedse politie. Oerlemans: „Dat andere isp’s deze methode niet toepassen heeft te maken met de hoge kosten. Ook weigert het KLPD zijn database met afbeeldingen beschikbaar te stellen, uit angst dat die in verkeerde handen valt.”

Maar technische maatregelen alleen zijn volgens hem niet afdoende. „Justitie zou de juiste prioriteiten moeten stellen. Richt je in eerste instantie op misbruik van kinderen onder de 14. Focus op nieuw en extreem materiaal; daarbij gaat het immers vaak om recent misbruik. En rechercheer próactief, door bijvoorbeeld te infiltreren in besloten netwerken.”

Als het aan Bits of Freedom ligt, haalt het kabinet een dikke streep door het omstreden internetfilter. Beter zou de overheid de in het filter geïnvesteerde middelen gebruiken voor het aanpakken van de websites die kinderporno verspreiden. „Het Meldpunt Kinderporno is daarvoor de aangewezen organisatie. Dat kan op basis van zijn expertise verwijderingsverzoeken sturen naar verhuurders van websites in het buitenland. De ervaring leert dat deze aanpak effect heeft. Slachtoffers kunnen er zo veel meer op vertrouwen dat zij later niet worden geconfronteerd met de beelden.”


Steeds gehaaider

Internet geeft downloaders en producenten van kinderporno onbeperkte mogelijkheden. En hun methodes worden steeds gehaaider.

Relatief eenvoudig is de verspreiding van foto’s en filmpjes via websites. De kans op ontdekking is bij deze methode ook het grootst; de meeste meldingen die het Meldpunt Kinderporno binnenkrijgt, gaan over websites. Vooral commerciële aanbieders gebruiken snel wisselende webadressen om kinderporno te verkopen.

Materiaal wordt soms via e-mail verspreid. Dit betreft vaak kleine hoeveelheden. Via chatkanalen als IRC, ICQ of MSN spreken bezitters af om materiaal uit te wisselen. Van IRC is bekend dat het chatkanaal is gebruikt om livebeelden te verspreiden van kinderen die misbruikt werden.

Via peer-to-peerprogramma’s (P2P) stelt een internetgebruiker zijn eigen computer open om bestanden met anderen te delen. Meer dan de helft van al het internetverkeer betreft dit soort programma’s. Hoewel exacte cijfers ontbreken, is aangetoond dat P2P stevig bijdraagt aan de verspreiding van kinderporno.

Het file transfer protocol (FTP) is bedoeld om bestanden van één computer naar een andere computer te transporteren. Kinderpornobezitters kunnen door het gebruik van FTP op elk moment honderdduizenden foto’s downloaden of ruilen.

Een virtuele harde schijf is ruimte voor dataopslag op internet. De opslagruimte van een e-mailaccount, bijvoorbeeld Gmail, kan ook dienen als harde schijf. Het materiaal kan worden geüpload naar de virtuele harde schijf en op een ander moment weer worden gedownload.

Via nieuwsgroepen kan iedereen afbeeldingen, geluid, video en software uploaden. Die vervolgens weer door iedereen gedownload kunnen worden. Nieuwsgroepen gelden als de grootste bron van gratis porno op internet. Binnen nieuwsgroepen bestaan dikwijls subgroepen die zich specifiek richten op kinderpornografie. Hierin worden tips gegeven over websites met kinderporno. Gebruikers surfen naar de site en bekijken of downloaden daar het materiaal. Een paar uur later worden de foto’s vaak weer verwijderd en houdt de site op te bestaan.

Steeds vaker gebruiken downloaders en verspreiders anonimiseringstechnieken om uit handen van de opsporingsdiensten te blijven. Ze schermen hun IP-adres af, vervalsen het, of downloaden via onbeveiligde draadloze netwerken. In toenemende mate versleutelen ze hun bestanden, zodat de inhoud onleesbaar wordt. Of ze gaan ondergronds in zogenoemde darknets. Deze netwerken –vergelijkbaar met P2P-netwerken– zijn alleen toegankelijk voor mensen die elkaar kennen en vertrouwen. Ook spelen ze handig in op de jurisdictieverschillen tussen landen.

(Bron: Opsporing en bestrijding van kinderpornografie op internet, J. J. Oerlemans.)


Filtering in buitenland

De Europese Commissie wil EU-breed internetfilters verplichten in de strijd tegen kinderporno. Niet alleen in Nederland, ook elders stuiten plannen voor een dergelijk filter op verzet. In Duitsland werd dit jaar een wet die filtering zou introduceren weer ingetrokken. In Australië werkt de regering al jaren aan een filter dat websites met verboden inhoud als kinderporno, drugsgebruik en seks met dieren moet blokkeren. Het plan ligt onder vuur vanwege onduidelijkheid over de totstandkoming van de zwarte lijst. In Groot-Brittannië werken internetserviceproviders op vrijwillige basis mee aan het blokkeren van kinderpornografie. Dat gaat minister van Communicatie Ed Vaizey nog niet ver genoeg. Hij wil dat providers ook ‘gewone’ porno blokkeren, tenzij gebruikers aangeven dat niet te willen. Zijn argument: kinderen beschermen tegen pornografische beelden. Tegenstanders vinden dat het voorstel ingrijpt in de vrijheid van meningsuiting. Dat zeggen ook critici van het Franse beleid. Het Franse Lagerhuis nam in december een wetsvoorstel aan waarmee de overheid zonder tussenkomst van de rechter sites kan blokkeren.