Spotlight: levendige debatten over verlichting en christendom

Literatuurgeschiedenis
Op de eerste dag van de inwijding van het genootschap Felix Meritis (1788) zijn uitsluitend mannen aanwezig. Illustratie uit besproken boek

Achttiende-eeuwse romans en gedichten zijn geen stoffige teksten die vandaag maar weinig te zeggen hebben. Inger Leemans en Gert-Jan Johannes laten ze in al hun schittering zien: dragers van levendige debatten over alle grote vragen van het bestaan.

Het boek van Leemans en Johannes heeft een raadselachtige titel: ”Worm en donder”. Maar wie een beetje thuis is in de literatuur van de achttiende eeuw, snapt waarom. Romanfiguren uit die tijd zwerven ’s nachts bij maanlicht door donkere bossen of over grafplaatsen, horen onheilspellend het onweer naderen en peinzen dan over de nietigheid van de mens: niet meer dan een worm in het onmetelijke heelal.

Dit nieuwe deel uit de serie ”Geschiedenis van de Nederlandse literatuur” is een van de best gelukte. Niet omdat het een uitputtend overzicht geeft van alle achttiende-eeuwse schrijvers en hun werk, wel omdat het een prachtig, leesbaar boek is met een heldere structuur, geschreven vanuit een breed cultuurhistorisch perspectief. De twee auteurs hebben behalve een vaardige pen ook een groot talent voor ordening, en dat komt het verhaal ten goede.

Zoals bij de verschijning van vorige delen al bleek: de serie kenmerkt zich door een grote verscheidenheid in aanpak. In het ene deel ligt het accent op de literatuur, in het andere op de cultuurhistorische context. Sommige auteurs willen hun lezers meevoeren in een reeks spannende verhalen over geschiedenis en literatuur, anderen willen vooral een volledige opsomming van feiten geven. Leemans en Johannes onderscheiden zich positief van hun collega’s doordat ze zo helder beschrijven welke keuzes ze gemaakt hebben, en waarom.

Het meest ingrijpend is wel dat ze de totale Vlaamse letterkunde hebben doorgeschoven naar een volgend deel – terwijl volgens de opzet van de serie noord en zuid toch voortdurend in samenhang behandeld zouden worden. Maar begrijpelijk is dat wel: de Nederlandse en de Vlaamse letterkunde gaan in de achttiende eeuw volstrekt gescheiden wegen. Bovendien: de noordelijke literatuur heeft zich de laatste veertig jaar met succes ontworsteld aan het beeld van saaiheid en ingezaktheid dat lange tijd aan de achttiende eeuw kleefde. Er zijn volop spannende boeken en artikelen geschreven over genootschapsleven en kinderboeken en tijdschriften en briefromans en natuurbeleving en verlichtingsidealen en debatten over politiek en religie. Maar wat de zuidelijke literatuur betreft ligt er nog veel onder het stof: eigenlijk zijn er niet genoeg nieuwe studies over deze periode beschikbaar om op een zinvolle manier een literatuurgeschiedenis te kunnen schrijven.

De auteurs hebben de vrijgekomen ruimte benut om een fascinerend verhaal te vertellen, zij het dat afzonderlijke schrijversportretten daarin enigszins gemist worden. Rode draad vormt de „reis naar het andere en de ander.” Achttiende-eeuwers zijn onderzoekers, ze willen nieuwe werelden ontdekken, nieuwe ideeën verkennen, de wetten van natuur en samenleving in kaart brengen, zich laten verrassen door nieuwe culturen en afdalen in de geheimen van het menselijk hart. Maar al dat nieuwe botst onvermijdelijk met het oude en traditionele in de cultuur waarin ze leven.

Dat leidt tot hevige debatten over christendom en verlichting, over politiek en kerk en opvoeding, over natuurwetenschap en geloof, over de nieuwe psalmberijming van 1773, over homoseksualiteit en over de plaag van de paalworm. Leemans en Johannes leggen nogal zware nadruk op de vrije discussiecultuur waarnaar de schrijvers van deze eeuw streven, maar hebben gelukkig ook oog voor de tegenkrachten.

Bijvoorbeeld voor de reactie van de gereformeerde kerk, die aanvankelijk fel gekant is tegen de verlichte ideeën die binnen talrijke genootschappen –de achttiende eeuw blijft de eeuw van de genootschappen– ontwikkeld worden. De kerkelijke machthebbers reageren aanvankelijk met bedreiging en censuur, maar later in de eeuw ziet ook de orthodoxie de grote kansen van het vrije woord en begint er een stroom van stichtelijke lectuur te verschijnen.

Het is een van de grote ontwikkelingen van de achttiende eeuw: nadat auteurs aan het begin van de eeuw de meest radicale ideeën hebben verkondigd, ontstaat er langzamerhand een vreedzamer verhouding tussen verlichting en christendom. Natuuronderzoekers verzoenen wetenschap en geloof via de fysicotheologie, die nadruk legt op de verwondering over Gods grootheid, die zelfs in het nietigste schepsel zichtbaar wordt. Rede en openbaring zijn niet langer aartsvijanden, maar „twee kanten van dezelfde medaille.” Pas aan het eind van de eeuw ontstaan er nieuwe spanningen, die dan vooral een politiek gezicht krijgen.

Het is de verdienste van Leemans en Johannes dat ze de discussies op dit punt helder en genuanceerd in kaart brengen – enige kritiekpuntje is dat ze de kloof tussen verlicht en orthodox christendom vrijwel uitsluitend verklaren vanuit de sociale tegenstelling tussen elite en grondvlak. Maar ze maken goed zichtbaar dat de verhouding tussen christendom en verlichting niet zo eenduidig ligt als vaak gesuggereerd is.

De kerk ontwikkelt zich in de achttiende eeuw tot ”kerkgenootschap”, waar men eenheid in het psalmgezang wil aanbrengen, en eigentijdse idealen en deugden een plek wil geven in preken en liederen. Predikanten willen niet langer allereerst de leer uiteenzetten, maar de toehoorders overtuigen en raken. Intussen voert het kerkvolk hevig strijd over de nieuwe manier van psalmen zingen, terwijl de meest verlichte, verdraagzaamheid predikende schrijvers zich kunnen ontpoppen als „bijzonder intolerant.”

Er zijn veel manieren om over literatuur te praten, en misschien is de ene niet beter dan de andere. Maar de manier van Leemans en Johannes is me het liefst – omdat die aansluit bij vragen over het leven waar iedere generatie mee worstelen moet. Het is waar literatuur en geschiedenis zich bij uitstek voor lenen: mensen in de spiegel laten kijken en aan het denken zetten over wat waar en goed is, en wat niet.

”Worm en donder. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800”, Inger Leemans & Gert-Jan Johannes; uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 2013; ISBN 978 90 351 3045 6; 816 blz.; € 59,95.