Toename donorregistraties leidt niet tot meer organen

„Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu zet allerlei middelen in om het aantal verkeersdoden omláág te brengen, waardoor de orgaanbronnen (respectvol bedoeld) minder zullen ‘stromen’.” beeld ANP XTRA, Lex van Lieshout

De miljoenen kostende invoering van actieve donorregistratie is onwenselijk. Het geven bij léven van bijvoorbeeld een nier helpt meer mensen, stelt G. van Loenen.

Tijdens bijeenkomsten in de Eerste Kamer op 23 mei en 6 juni gingen deskundigen uitvoerig in op (morele) vragen rond orgaandonatie. De conclusie was: er moeten meer orgaandonoren komen. De mening dat actieve donorregistratie (ADR) hierbij van belang is, werd echter niet door iedereen gedeeld. Opvallend was dat men, op een zijdelingse opmerking na, niet sprak over het feit dat ”positieve” inschrijving in het donorregister niet betekent dat men dan over de organen kan beschikken. Die komen immers pas na overlijden vrij.

Het huidige systeem is gebaseerd op totale vrijwilligheid. Ook ”geen donorcodicil invullen” staat de mens vrij. In dat geval wordt aan de nabestaanden gevraagd te beslissen over orgaanuitname.

Grondwet

ADR dwingt iedereen tot een keuze: ”ja (beperkt)”, ”nee” of ”de beslissing is aan de nabestaande(n) of aangewezen persoon”. Het ligt voor de hand dit dan met de nabestaande(n) is besproken.

Wordt er geen keuze gemaakt, dan wordt verondersteld dat er geen bezwaar bestaat tegen uitname van een of meer organen. Niettemin wordt dan ook de nabestaande gevraagd te beslissen.

Zowel bij het huidige systeem als bij ADR is dit zeer moeilijk en bestaat de mogelijkheid dat er een verkeerde beslissing wordt genomen.

De Stichting Bezinning Orgaandonatie zei in februari 2016: „ADR betekent een vérgaande en ingrijpende aantasting van de vrije beslisruimte van elke Nederlandse burger. Wij geven de voorkeur aan het huidige registratiesysteem (aangevuld met meer transparante voorlichting), voor een optimaal vrije keuze, waarbij mensen, zich goed bewust van alles inclusief hun sterfelijkheid, wel of geen donor/ontvanger kunnen zijn.”

Volgens de ethicus prof. dr. H. M. Dupuis schuurt ADR met artikel 11 van de Grondwet: Ieder, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, heeft recht op de onaantastbaarheid van zijn lichaam. Dat geldt ook na de dood.

Klinisch ethicus dr. E. J. O. Kompanje zegt: „Dit is het dehumaniseren van stervende patiënten tot een verzameling van bruikbare organen waar we gewoon over kunnen beschikken.”

Tegenstrijdigheid

Hoe men er ook over denkt, tot op heden beloofden 3,6 miljoen personen hun orgaan/organen na overlijden af te staan. Van die enkele miljoenen blijken echter per jaar gemiddeld slechts 300 donoren te komen. Maken 3,6 miljoen ”positieve” registraties de wachtlijst niet kleiner, dan doen 5 miljoen registraties dat ook niet.

Geschikte organen zijn immers meestal afkomstig van verkeersdoden. Andere mogelijke donoren zijn jongere of niet-bejaarde personen die plotseling sterven, overlijden als gevolg van een hersenbloeding of herseninfarct of zelf hun dood hebben bepaald.

Het ministerie van Infrastructuur en Milieu zet allerlei middelen in om het aantal verkeersdoden omláág te brengen. In 2020 zou dit aantal (nu nog 621 per jaar) minder dan 500 moeten zijn.

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wil leven verléngen, door psychiatrische patiënten/hulpbehoevenden vroegtijdiger op te sporen en doelmatiger te helpen en door ziekten te voorkomen of zieken met steeds geavanceerdere methodes en medicamenten te behandelen.

Beide ministeries zetten zich dus in om de orgaanbronnen (respectvol bedoeld) minder te laten ‘stromen’. Volksgezondheid zit met een tegenstrijdigheid: Zijn er bijvoorbeeld minder verkeersdoden, dan komen er minder organen vrij en staan meer patiënten langer op de wachtlijst.

Te oud

Nu sterven er („onnodig”, zoals men zegt) per jaar honderd wachtende patiënten omdat er voor hen geen geschikt orgaan beschikbaar kwam. Ook voor veel christenen is dit een reden om zich positief te laten registreren. Men wil immers levens redden.

Wie zich positief laat inschrijven, heeft natuurlijk niet de wens spoedig te overlijden. De jongere wil oud en de oudere wil ouder worden. Juist vanwege de ‘ouderdom’ is hergebruik van organen (onder meer nier, lever, hart, long en alvleesklier) veelal uitgesloten. Is het trouwens wel christelijk om organen beschikbaar te stellen onder de voorwaarde ”eerst ik en dan jij”?

Wel kan een bejaarde hoornvliezen en huid ‘leveren’. Maar aangezien het merendeel van de positief geregistreerden zegt een léven te willen redden, zijn hoornvlies- en huidbehoevenden niet in eerste instantie hun doelgroep.

Wil men de wachtenden helpen, dan is het geven bij léven van een nier, een deel van de lever of (in Nederland nog niet toegestaan) een deel van de long een mogelijkheid. Het aantal nierdonaties bij leven is aanzienlijk. Van januari tot mei werden er 221 nieren en 2 leverdelen geschonken.

Geven bij leven is geen sinecure, maar het zou de voorstanders van ADR sieren als zij hierin het voorbeeld gaven. Met name de politiek zou zich moeten inspannen om transplantatie van een deel van de long uit levende mensen mogelijk te maken en het verder ontwikkelen van onder meer hartkleppen, kunstharten, kunstalvleesklieren en kunsthoornvlies te ondersteunen.

Betere voorlichting

Bij de werving van orgaandonoren moeten tendentieuze over-de-streep-trekkers worden vermeden. Bijvoorbeeld: „U kunt acht levens redden”, „Als je deze maand iemands leven kunt redden, zou je dat dan doen?” en „Geef je hart aan een ander.” Ze zijn misleidend.

Het is geen morele plicht om je organen na je overlijden te doneren of je lichaam te laten reduceren tot een ‘onderdelenmagazijn’.

Hoe ‘weet’ men trouwens dat er in de Biblebelt minder positief geregistreerd is en er minder organen daarvandaan komen? De ontvanger weet nooit wie de donor is en de Nederlandse Transplantatie Stichting mag hier niets over loslaten.

Al met al is de miljoenen kostende invoering van ADR onwenselijk. Dit geld kan beter besteed worden aan bijvoorbeeld betere voorlichting en de ontwikkeling van kunstorganen. En verder is diep mededogen met degene die een orgaan nodig heeft maar voor wie geen orgaan beschikbaar komt, zeker op z’n plaats.

De auteur was medisch directeur bij een farmaceutisch bedrijf en als zodanig nauw betrokken bij orgaantransplantatie.