Milieubeleid bevindt zich met Rutte III op dieptepunt

„In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III moet het milieu zich voegen naar de economie.” Foto: het Botlekgebied onder Rotterdam. beeld ANP, Peter Bakker

Alleen een krachtige klimaatwet met meetbare en afrekenbare doelstellingen kan het streven naar duurzame economie in Nederland enigszins overeind houden, stellen Bastiaan Zoeteman en Klaas van Egmond.

Sinds het uitkomen van het boek ”Doughnut Economics” van Kate Raworth heeft de inhoud ervan in grote kring furore gemaakt. Dat duurzaamheidsexperts voor haar ideeën warmlopen is niet zo verwonderlijk, maar dat zij het debat onder economen heeft weten te activeren, mag als een grote verdienste worden gezien.

Voor een belangrijk deel is het boek een herverpakking van het samenraapsel aan de VN Millennium Development Goals in één samenhangende visie. Maar gaat deze herformulering werken?

Kate Raworth is een Engelse econome en activiste. Na haar economiestudie in Oxford werkte ze in Zanzibar ter ondersteuning van vrouwelijke micro-ondernemers, in New York voor het VN-ontwikkelingsprogramma UNDP en vervolgens als campagneleider bij Oxfam, om later naar haar vroegere universiteit in Oxford terug te keren met als doel het onderwijs in de economie te hervormen.

De kern van haar betoog is dat markten inefficiënt zijn en dat groei niet ongestraft kan blijven doorgaan. De draagkracht van de aarde zal moeten worden gerespecteerd en de economie moet alle mensen een waardig bestaan bieden. Ze gebruikt daarbij de metafoor van de donut. Het deegdeel van de donut stelt een duurzame economie voor, het lege hart geeft weer welke sociale tekorten er kunnen ontstaan, en de buitenste rand markeert wanneer er ecologische plafonds worden overschreden. Dat betekent dat de economie zich aan de sociale en ecologische randvoorwaarden moet aanpassen, ook al zou daardoor de economische groei wat afnemen. Tussen de sociale en planetaire grenzen ligt een milieuveilige en sociaal rechtvaardige, kortom duurzame ruimte waarbinnen de mensheid kan floreren.

Nieuwe verpakking

Gezien de aandacht voor haar boodschap (in de hele wereld, maar ook in Nederland) moet er wel iets nieuws zijn aan het boek van Raworth. Om kort te zijn: dat is naar onze mening niet de inhoud, maar de verpakking. De verpakking is de metafoor van de donut, maar de inhoud is een getrouwe kopie van de VN Sustainable Development Goals (2015), die alle regeringsleiders dat jaar ondertekenden.

Daar ging een eerdere versie aan vooraf, de Millennium Development Goals stammend uit 2000. En wanneer we nog verder teruggaan (Zoeteman en Tavenier, 2012), dan komt het Brundtland-rapport van de VN over duurzame ontwikkeling ”Our Common Future” van 1987 in beeld, evenals de kernboodschap van Dennis Meadows’ rapport aan de Club van Rome ”Grenzen aan de groei” uit 1972. Van het laatste boek werden alleen al in Nederland 1 miljoen exemplaren verkocht.

Te midden van het enthousiasme en de aandacht voor de donuteconomie van Raworth moet de vraag gesteld worden of deze tot iets zal leiden wat de afgelopen halve eeuw niet is gebeurd: een omslag in het denken van de gevestigde economen, hun leerboeken en hun invloed op de regeringen en financiële instellingen van de OESO-landen.

Nederland

Het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III zou het groenste aller tijden zijn. Maar wie verder kijkt dan naar de windparken op zee, die door de elektriciteit gebruikende burgers worden betaald, komt tot de omgekeerde constatering: het milieubeleid heeft met dit kabinet zijn voorlopige dieptepunt bereikt.

Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (2017) worden de klimaatdoelen voor 2030 maar voor de helft gehaald. De aangekondigde stoere maatregelen moeten bovendien vooral worden uitgevoerd door latere kabinetten. Nederland staat bij duurzame energie in Europa onder aan de lijst (Clingendael, 2015). Ook hier worden de doelstellingen niet gehaald, en dat terwijl duurzame energie voor twee derde wordt opgewekt uit biomassa, ofwel met bomen uit Canada en frituurvet uit China.

En hoewel bijna alle milieuwetenschappers en de meeste economen het doorberekenen van de milieukosten in de marktprijzen als meest zinnige maatregel zien, komt er geen regulerende CO2-prijs. Daarmee wordt de kans gemist om de economie zich optimaal te laten ontwikkelen binnen de door de aarde gestelde grenzen, het deegdeel van de donut.

Dat de aarde grenzen stelt, is echter al decennialang een doorn in het oog van de voorstanders van zo veel mogelijk economische groei, en ook van Rutte III. Er is in Den Haag dan ook weinig goed milieunieuws onder de zon. Naast het opportunistische klimaatbeleid zijn bijvoorbeeld ook de discussies over de milieueffecten van vliegverkeer bij Schiphol en Lelystad dezelfde als 25 jaar geleden (Hermanides, 2017). Door steeds weer nieuwe rekenmethoden te lanceren, wordt de discussie eindeloos gerekt zonder harde maatregelen te nemen. Dat geldt ook voor het mest- en afvalbeleid. Al decennia worden dezelfde plannen en technische dagdromen bediscussieerd, terwijl er in de praktijk weinig gebeurt.

”Do-not”-economie

In deze ontwikkelingen tekent zich een patroon af. Door steeds met kleine verfijningen uitwegen te zoeken, hoeft er geen fundamentele ommezwaai in beleid gemaakt te worden; de wetenschappers zijn immers nog in discussie! Om die discussie gaande te houden, wordt veel oude wijn in nieuwe zakken gedaan en kan intussen het verlangen naar groei ongestoord uitgeleefd worden, totdat er ernstige ongelukken gebeuren, zoals bij de aardbevingen in Groningen. De discussie over de donut-economie kan zomaar afleiden van waar het echt om gaat, het bestendigen van de ”do-not”-economie: we weten het wel, maar we doen het niet.

Dat is helaas zichtbaar in het huidige regeerakkoord, waarbij het klimaatbeleid in Nederland letterlijk en figuurlijk wordt ondergebracht bij (en ondergeschikt gemaakt aan) Economische Zaken. Natuur is al eerder ondergeschikt gemaakt aan Landbouw. Die constructies maken duidelijk dat milieubeleid alleen wordt gevoerd voor zover dat economisch pijnloos inpasbaar is. Het regeerakkoord is niet gebaseerd op een donut-economie, maar op een ”do-not”-economie, waarbij het milieu zich moet voegen naar de economie. De milieuminister zal daartegen in de kabinetsvergaderingen geen bezwaar maken. Voor het eerst sinds 1971 is die er namelijk niet meer. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu gaat voortaan over Infrastructuur en Waterstaat. Het groene elan is in het Ruttetijdperk dan ook sterk verwaterd.

Het idee van de donut-economie heeft echter als verdienste dat het duurzame ontwikkeling gemakkelijk communiceerbaar maakt. Het vervangt het samenraapsel van de zeventien VN Sustainable Development Goals in één samenhangende visie en op een tijdstip dat het klimaatverdrag van Parijs in werking treedt en het Westen naar een nieuw gedeeld ideaal zoekt. Dit, gekoppeld aan Raworths aanstekelijke enthousiasme en ijver, geeft het praten over de donut-economie vleugels. Echter, alleen een krachtige klimaatwet met meetbare en afrekenbare doelstellingen kan de donut-gedachte in de praktijk van het doen en laten in ons land enigszins overeind houden.

Bastiaan Zoeteman is hoogleraar duurzaamheidsbeleid in internationaal perspectief aan de universiteit van Tilburg. Klaas van Egmond is faculteitshoogleraar geowetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Bron: mejudice.nl.