Willemien van de Ridder: zoeken naar zin in Malawi

Het Gesprek
beeld Fatch Photographic Studio
5

Ze verruilde het werken achter een beeldscherm voor een baan op het Afrikaanse platteland. En: dagelijks op pad in een fourwheeldrive over modderwegen. Toch was het niet de zucht naar avontuur die Willemien van de Ridder naar Malawi bracht. Van betekenis zijn voor anderen was wat haar dreef. „Wie enkel uit is op avontuur houdt het hier niet langer dan drie weken vol.”

Het huisje dat ze bewoont op het terrein van de Nederlandse hulporganisatie Stéphanos in Malawi straalt ’s avonds een knusheid uit die Nederlands aandoet. Het warme licht van een schemerlampje, en aan de muur reproducties van twee Rembrandts.

De inrichting van de woonkamer is er een die alleen vrouwen kunnen bedenken: stoeltje zus, kussentje zo, kaarsje hier, boeketje daar. En dat allemaal in een combinatie van kleuren die voorwerk van hart en hoofd verraden.

Twee boeken op tafel suggereren dat de vreemde buitenwereld van Afrika toch een beetje is binnen-geslopen: een vogelboek en een reptielengids. Voor wie Willemien van de Ridder (45) een beetje kent is dat geen verrassing: wilde dieren –en in het bijzonder vogels– waren ook in Nederland al haar passie, en met behulp van haar fotocamera liet ze ook daar al anderen daarin delen.

Nu ze in Malawi woont is dat er niet minder op geworden, en dat is begrijpelijk want dat land lijkt op een grote Nederlandse volière, waarvan de eigenaar is vergeten de deuren dicht te doen.

Maar hoe komt iemand die 14 jaar als opmaakredacteur bij het RD werkte, en dus dagelijks van acht tot vijf achter een beeldscherm zat, in Afrika terecht?

Van de Ridders antwoord is er een met een lange aanloop. „Ik ben alleenstaand en dan leef je al gauw enkel voor jezelf. Precies dát gaf mij een onbevredigend gevoel. Het eerste wat ik daarom deed, was op werkvakantie gaan – om anderen te helpen. Zo ging ik in 2007 en in de twee jaar daarna voor Woord en Daad op werkvakantie naar Sierra Leone.

beeld Fatch Photographic Studio

Smoes

In 2016 plaatste Stéphanos een advertentie voor een veldwerker in Malawi. Haar besluit om daarop te solliciteren was geen gemakkelijke, herinnert Van de Ridder zich. „Ik was net in een andere huurwoning getrokken en had dus mijn smoes klaar liggen: kan niet, want net verhuisd.”

Achteraf weet ze dat die eerste verhuizing haar juist heeft geholpen om wél te gaan. „Toen leerde ik wat loslaten is, en kwam ik indringend tot het besef dat ik eens, op het eind van mijn leven, álles moet loslaten.”

Een diep besef van de eindigheid van het leven als motivatie voor veldwerk in Afrika. Dat hoor je niet vaak.

„Ik leerde de dingen die me dierbaar waren los te laten, en dat was nodig om de knoop door te hakken.”

Zitten er achter dat besef van loslaten soms andere persoonlijke ervaringen?

„Ik heb in 2000 een broertje verloren. Hij ging ’s ochtends van huis en iedereen verwachtte dat hij ’s avonds weer levend thuis zou komen. Dat gebeurde dus niet, en dan besef je: het is niet vanzelfsprekend als je aan het eind van de dag weer in je huisje zit.”

Die kwetsbaarheid is in een land als Malawi extra zichtbaar.

„Zeker! Als hier mensen overlijden, dan worden ze de volgende dag al begraven. Vanwege het ontbreken van technische hulpmiddelen kan dat niet anders, maar het is wel confronterend.”

Wat is bij Stéphanos precies uw werk?

„Stéphanos heeft zo’n 800 weeskinderen en -jongeren in zijn sponsorprogramma en ieder jaar krijgt de sponsor post van hen. Die correspondentie coördineer ik.”

Willemien van de Ridder legt uit dat dit ook betekent dat ze helpt bij het brieven schrijven, bij het maken van portretfotootjes van de kinderen en dat ze betrokken is bij het selecteren van nieuwe sponsorkinderen. (Overigens blijkt in de loop van het gesprek dat Van de Ridder nog tal van andere taken op zich heeft genomen).

Intussen staat dit interview afgedrukt in een RDMagazine waarin ”avontuur” een rol speelt. Heeft uw vertrek naar Afrika iets met avontuur te maken?

„Ik ben geen avontuurlijk type, meer iemand van niet-standaard. Avontuur, dat is het onverwachtse, terwijl ik juist altijd voorzichtig ben. Ik ben hier ook niet naartoe gegaan voor het avontuur. Als dat wel zo was geweest, houd je het niet vol. Avontuur is: drie weken spanning, en daarna weer veilig naar huis. Wie hier langer blijft, moet meer in huis hebben dan enkel zucht naar avontuur. Als je iedere dag urenlang over de meest slechte wegen moet hobbelen, ben je altijd weer blij als je heelhuids thuis komt.”

U vertelde over een gifslang die over de veranda kroop...

„Ja, dat bleek een van de meest dodelijke slangen te zijn. Daar ben ik dan weer niet echt bang voor.”

Zijn er wel eens momenten geweest dat u zei: wat ben ik begonnen?

„Ja, die zijn er, maar niet dat ik dan weer terug naar Nederland zou willen: ik zou niet weten wat ik daar nog zou moeten doen.”

Toen u in 2017 in Malawi begon, kwam u op een post in Lilongwe, de hoofdstad van Malawi. Dat werk viel tegen.

„Klopt. Ik zit nu anderhalf jaar op het terrein van Stéphanos, in de buurt van de Zuid-Malawiaanse stad Blantyre. Eerst woonde en werkte ik in Lilongwe, maar daar zat ik niet op mijn plek. Ik zou daar kinderwerk opzetten, en moest dat helemaal zelf vanuit het niets opzetten. Dat was voor mij teveel gevraagd.”

beeld Fatch Photographic Studio

Ook toen geen moment van twijfel?

„Nee, ik raakte niet in paniek; ik zag nog wel alternatieven. Een daarvan diende zich al snel aan: een vacature in Blantyre voor een Nederlandse coördinator van het sponsorwerk.”

Wat waren de lastigste uitdagingen in die twee jaar dat u hier zit?

„De Malawiaanse cultuur. Dat je steeds het gevoel hebt dat mensen met wie je werkt niet helemaal achter je staan. Je moet hier dan ook heel veel zelf doen, continu erachteraan om dingen geregeld te krijgen en dan duurt het vaak nog weken, maanden voordat iets gebeurd is.”

Daarvoor hebben ze vast vooraf gewaarschuwd.

„Jawel, maar als het vaak gebeurt dan kun je daar moedeloos van worden. Wat de reden van dit gedrag is? Daar ben ik nog niet achter, misschien dat ze het liever zelf doen? Of ze durven geen nee te zeggen.”

U wordt vaak teleurgesteld?

„Ik was in Nederland altijd gewend om mensen te vertrouwen, maar hier krijg ik minder vertrouwen in mensen. Denk ik altijd: dat zeggen ze nu wel, maar... Iemand zei het eerder al tegen me: Wat je hier aan cultuur ziet, is nog maar het topje van de ijsberg, daaronder zit nog veel meer cultuur waar jij geen weet van hebt.”

Nog even en u loopt hier als een gefrustreerde rond.

„Die momenten van gefrustreerd-zijn heb ik zodra er te veel van zulke kleine teleurstellingen tegelijk gebeuren. Dan is van belang om pas op de plaats te maken: o ja, ik ben hier in Malawi.”

Uiteindelijk is het een kwestie van aan- passen.

„Maar Malawianen zijn niet de enigen met wie ik te maken heb. In Nederland zitten sponsors op brieven en foto’s te wachten. Daardoor zit ik eigenlijk tussen twee vuren, want voor die achterban wil ik alles zo goed mogelijk én op tijd doen. Dat kan stress geven, waar ik de ene keer beter tegen kan dan de andere.”

Zijn er dingen in de Malawiaanse cultuur die u als Nederlandse verrijken?

„Zorg voor elkaar is hier erg sterk. Iedereen is op de een of andere manier ook familie van elkaar en daardoor is die zorg soms ook meer een verplichting dan dat het van harte gaat. Als in het individualistische Nederland iemand een ander helpt, is dat vaak veel meer van harte en vrijwillig dan hier.”

Van de Ridder noemt verder het met weinig tevreden kunnen zijn, dat haar aanspreekt. „Als een stel in Nederland trouwt, heeft het vaak alle spullen al in huis; hier moet een paar op de gasten op de bruiloft wachten om dingen als –plastic– bestek en borden te krijgen.”

Kúnt u de positie als buitenstaander hier wel doorbreken en echt iets betekenen voor de omgeving?

Van de Ridder wijst op de Bijbellessen die ze op schooltjes verzorgt, naast het sponsorwerk. „Onlangs kwam er een moeder naar me toe die zei: „Ik ben zo blij dat we jou hebben, want nu weet ik wie God is.”

Malawi is een christelijk land; hoe wordt God gekend, beleefd en beleden?

„Dat het een christelijk land is, merk je al op straat. Niemand die ervan opkijkt als je bij een kraampje hardop bidt voor een portie aardappelen. Soms stemt iemand hoorbaar in zodra ik amen zeg.” Tegelijkertijd geldt: het christelijk geloof is er oppervlakkig. „Bijbelkennis is minimaal. De meeste mensen hebben ook geen Bijbel in huis.” Van de Ridder zegt veel mensen te ontmoeten die zich christenen noemen, maar dingen doen die in strijd zijn met de Bijbel. „Dat heet dan cultuur, maar het rijmt gewoon niet met wat de Bijbel leert.”

Bijvoorbeeld?

„Als Gods Woord echt de basis van het leven is, dan gaat hier heel wat veranderen, corruptie bijvoorbeeld. Dat zit in iedere Malawiaan, zó diep dat mensen het zelf niet eens doorhebben.”

Wat gebeurde er de afgelopen twee jaar met uw persoonlijke geloof?

„Ik merk dat ik in alles afhankelijk ben. Als ik het voor mezelf even niet meer zo zie zitten, dan ben ik toch echt op God aangewezen. Wat ook goed is voor mijn geloofsleven is dat ik ’s avonds meer tijd en rust heb om te lezen. Vooral door de discussies met mijn taalleraar –een moslim– moet ik soms dingen uitzoeken.”

Bijzonder: in het christelijke Malawi discussieert u over het geloof met een moslim.

„Klopt, we hebben heel interessante discussies over geestelijke zaken; hij heeft ongelofelijk veel Bijbelkennis. We hebben ook veel dingen gemeen – zo is hij altijd op tijd, iets wat best wel bijzonder is in dit land.”

beeld Fatch Photographic Studio

Heeft dat met zijn moslim-zijn te maken?

„Ik denk meer met dat hij al jong met westerlingen omging en: hij is hoogopgeleid. Als het gaat om de Bijbel en de inhoud van het christelijk geloof liggen we ver uit elkaar en daar discussiëren we dan over.”

U bent in De Beek-Uddel nog altijd lid van een behoudend kerkgenootschap, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Hoe kijkt u na twee jaar tegen die gemeente aan?

„Ik voel me er nog altijd mee verbonden, al geloof ik niet dat zoals wij geloven de enig juiste manier is. Zo staan er dingen in de Bijbel die wij weer niet doen.”

Waar denkt u aan?

„De manier waarop in de Bijbel vreugde werd beleefd –uitbundig, en zelfs met dans– staat in contrast met enkel het orgel bij ons. Hier in de gemeenten van de RPC (Reformed Presbyterian Church) worden zelfs helemaal geen instrumenten in de kerk gebruikt. Dat is om te voorkomen dat mensen weer gaan dansen. Een stukje niet-Afrikaanse cultuur is daarmee de kerk binnen-gebracht.”

En een stuk wezenlijk Afrikaanse cultuur wordt hen ontnomen.

„Toch denk ik dat zodra mensen volgens de Bijbel gaan leven, er iets van hun cultuur moet sneuvelen. Sommige dansen die hier gedaan worden –denk aan het dansen vanuit de heupen– zijn sterk seksueel getint.”

Maar het blijft oppassen, vindt Van de Ridder, om niet alléén door de bril van je eigen kerk naar anderen te kijken en hen te beoordelen. „Afrika is nu eenmaal muziek en beweging, ook in de kerken.”

Uw alleen-zijn in Nederland zette u aan om zingeving in Malawi te zoeken. Het lijkt erop dat dit alleen-zijn hier alleen maar groter is geworden: u bent buitenstaander. Hoe voelt dat?

„In Nederland zat ik ook vaak alleen, toch was dat anders als hier: de afstand is hier nu eenmaal groter tot anderen. Even die arm om je heen: ik merk dat ik daar nu meer behoefte aan heb. Terwijl we daar thuis helemaal niet zo van waren.”

U hebt uw huurhuisje in Uddel niet op- gezegd, uw meubeltjes niet verkocht.

„Een reden was toen dat ik voor mijn meubels geen geschikte opslagplek had. Wat ook meespeelt: ik zit nu in de tweede periode van mijn dienstverband; eind dit jaar moet ik aangeven of ik voor een derde periode ga.”

Die meubels gaan een keer de deur uit?

„Weet ik niet, ik leef maar bij de dag.”

beeld Fatch Photographic Studio

Willemien van de Ridder

Willemien van de Ridder werd geboren op 19 augustus 1973 in Uddel op de Veluwe. Ze werkte een aantal jaren als receptioniste op de Udemans in Hoevelaken (nu Van Lodenstein). Daarna werkte ze bij Baan in Putten (later de Vanenburg Group). In 2003 vond ze werk bij het RD, op de afdeling advertentie-opmaak. Daarna verhuisde ze naar de redactie-opmaak, waar ze tot 2017 werkte. In dat jaar kwam ze als veldwerker in dienst bij de stichting Stéphanos, die actief is in Malawi, in Zuidelijk Afrika. Van de Ridder heeft er een niet betaalde functie – ze wordt onderhouden door giften uit haar achterban. Een thuisfrontcommissie (TFC) coördineert haar financiële ondersteuning.