Veilig in de handen van de Pottenbakker

Het Gesprek
Jenneke Wolvers-ten Hove. beeld RD, Anton Dommerholt
4

Twaalf jaar was Jenneke Wolvers-ten Hove (nu 53) toen een steekvlam haar hals en handen verbrandde. Er waren 24 operaties nodig voor herstel. Inmiddels is ze stafmedewerker van gehandicaptenvereniging Op weg met de ander en herkent ze door haar ervaringen destijds waar mensen met een beperking tegen aanlopen. „God heeft met alles in ons leven een doel.”

In de eetkamer van het huis van Gijsbert en Jenneke Wolvers in Apeldoorn hangt een foto van hun negen kinderen. Die is gemaakt tijdens de bruiloft van een van de dochters, nu twee jaar geleden. Zes zonen allemaal keurig in pak. Drie meiden glimlachend met hun armen om elkaar. „Geweldig hè”, zegt Jenneke trots.

Dankbaar is ze dat ze zo’n mooi gezin heeft ontvangen. „Bij de oudste ging het in de zwangerschap bijna mis. Ik had een afgesloten nier en moest met spoed geopereerd worden om dat te verhelpen. Ik vroeg me af of ik lichamelijk gezien nog wel meer kinderen kon krijgen.”

Wel dus. En zelfs een heel stel. „In de stad riep een man me eens toe, toen hij alle kinderen om me heen zag: „Mevrouw, u weet dat er middelen tegen zijn?” Ik heb maar niet gereageerd. Ik heb onze kinderen altijd als een zegen ervaren.”

U kreeg vier kinderen binnen vier jaar. Dat moet pittig zijn geweest…

„Dat klopt. Het was druk, maar ik kon het aan. En ik heb vooral ervaren dat God me er de kracht voor gaf. Hoewel het soms inderdaad ook gewoon zwaar was. Maar juist in moeilijke tijden wil God nabij zijn.

Ik weet nog dat ik zwanger was van onze achtste en in de tuin zat. Ik was moe en zag het op dat moment niet meer zitten. Nog geen minuut nadat ik mijn zorgen aan God had voorgelegd, belde er een moeder van school. Ze vroeg of ze me misschien ergens mee kon helpen. Zulke dingen ervaar je niet als alles soepel verloopt. Het geeft vertrouwen in Hem, Die voor ons zorgt, ook in de kleinste dingen van ons leven.”

Vijf van de kinderen zijn inmiddels getrouwd, of uit huis. Heeft u last van het legenestsyndroom?

„Toen mijn man en ik 25 jaar getrouwd waren, blikten de kinderen terug. Ze zeiden: Mama voelt zich het gelukkigst als iedereen thuis is. Dat is zo. In zoverre mis ik hen wel, zeker toen recent drie kinderen binnen een jaar het huis verlieten.

Toch ben ik niet bang dat ik m’n draai niet meer zal vinden. Ik werk vier dagen in de week en verveel me nooit. Ook zijn we inmiddels in de tijd van de kleinkinderen beland. De oudste is net een jaar geworden. Ik pas wekelijks een dag op hem. Er zijn er ook nog twee onderweg.”

Is het lastig om volwassen kinderen los te laten?

„We hebben geprobeerd hen op te voeden tot zelfstandige volwassenen. En we bidden voor hen. God houdt hen vast.

Als ouders zie je je kinderen graag gelukkig. Ik hoop dat ze hun leven kunnen leiden zonder al te veel problemen. Maar is dit wel echt geluk? Ik hoop vooral dat ze de Heere volgen, Hem kennen. En om dicht bij Hem te blijven, is een leven zonder zorgen misschien niet de beste weg. Dus bidden we dat ze staande blijven, ook als het moeilijk wordt.”

De moeilijkheden in uw eigen leven begonnen al jong. Hoe kon ú staande blijven in die tijd?

„De Heere was al vroeg in mijn hart gekomen. Ik was nog geen drie toen ik mijn vader en moeder vroeg of ik mee naar de kerk mocht, omdat ik alles van de Heere God wilde weten. Mijn ouders, die nauw betrokken waren bij de hervormde evangelisatie in Apeldoorn, de latere buitengewone wijkgemeente Eben-Haëzerkerk, namen me mee naar de diensten. Dat ging goed, hoewel ik ook weleens in slaap viel.”

Het kinderlijke vertrouwen op God hield haar in moeilijke tijden op de been. „Terwijl ik met derdegraads brandwonden in een geïsoleerde patiëntenkamer lag, omdat mijn wonden steriele verzorging vroegen, zong ik Psalm 121. Dat verbaasde iedereen om me heen. Maar die woorden gaven houvast.”

Hoe veranderde het ongeval op uw twaalfde uw leven?

„Het gebeurde op een verjaardagsfeestje. Een familielid goot spiritus op de barbecue. De steekvlam die volgde, raakte mijn nylon jack. Ook mijn hals en handen vatten vlam.

Die eerste minuten snapte ik amper wat er gebeurde. Ik stond in brand, maar besefte dat zelf niet. Mijn vader heeft met zijn handen de vlammen in mijn haren gedoofd. Het aparte was dat ik in het begin geen pijn voelde. Zelfs niet toen ik de huid van mijn handen als een soort handschoen kon uitdoen.

In het ziekenhuis bleek dat er ernstig letsel was. Ik had derdegraads brandwonden, had veel rook binnengekregen en kon niets meer zien, omdat mijn hoornvlies verbrand was – gelukkig kwam mijn zicht na een week weer terug. Een arts met ervaring in het brandwondencentrum van Beverwijk heeft mij in het Apeldoornse ziekenhuis geopereerd. Dat was de eerste van vele operaties. De littekens krompen en ik was in de groei. Door transplantatie moest er steeds weer huid tussen worden gezet.

Ik lag maanden in het ziekenhuis en miste daardoor de laatste periode van klas 6. Dat was moeilijk. Het vertrouwen dat Hij alles in Zijn hand houdt, zorgde ervoor dat ik het heb kunnen dragen.”

U had ook boos kunnen worden, op God, of op degene die spiritus op het vuur goot.

„God is bewogen met ons. Hoewel wij naar een leven zonder moeilijkheden verlangen, is Hij ons als Pottenbakker aan het kneden. Tot we steeds meer gaan lijken op hoe Hij ons hebben wil. Dat kan pijn doen ja, maar het is een teken van Zijn liefde voor ons. Dat heb ik altijd zo ervaren. Ik ben dan ook nooit boos op God geweest. En ook niet op dat familielid.”

Het bleek niet de laatste moeilijkheid in uw leven.

„Enkele jaren daarna verloor ik mijn vriend.

Dat was véél erger dan mijn brandwonden. Ik was zeventien en had een jaar verkering met Hans, een jongen die ik kende van de jeugdvereniging van de gereformeerde gemeente in Terwolde-De Vecht. Ik wist niet anders dan dat we samen verder zouden gaan. Hij verongelukte, samen met drie andere jongens, bij een treinongeval in Wezep. Hij vervulde in die plaats zijn dienstplicht.

Hans zou mij van het station halen. Ik stond daar op hem te wachten. Hij kwam niet. Ik weet nog goed hoe onrustig ik was toen niemand hem kon bereiken. We zouden ’s avonds naar de jeugdvereniging gaan.

Met mijn vader en moeder ging ik naar zijn ouders. Toen er bij hun huis een auto stopte met militairen erin, wist ik: dit is mis. Na het nieuws over zijn overlijden stortte ik in. Ik was wanhopig.

Ik sliep die nacht slecht. Ik was ten einde raad. Juist in die nacht zei ik opeens deze Bijbeltekst uit het boek Job hardop: „De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd!” Die tekst kwam niet alleen als verrassing voor mijzelf, maar ook voor mijn ouders. De Bijbelwoorden gaven mij zo’n rust dat ik alles aan Hem heb kunnen overgeven. Vanaf het moment dat ik ze uitsprak, kon ik verder. Achteraf hoorde ik dat de opa en de oma van Hans die nacht om kracht voor mij hadden gebeden. Het is een van de vele voorbeelden dat God werkt op het gebed.

Het overlijden van Hans trok ook diepe sporen in de kerkelijke gemeente waartoe hij behoorde. Alle jongeren beseften: als het hem kan overkomen, dan ook mij. En wat dan?”

En vanaf die tijd liep alles voorspoedig?

„Nee, het betekende niet dat alles gelijk zonder moeite verliep. Mijn vader, die laborant was, verloor zijn baan. Het bedrijf waarvoor hij werkte, ging failliet. We verhuisden daardoor naar Moordrecht, waar hij een nieuwe betrekking had gevonden.”

Dat was een grote overgang, maar het betekende ook een nieuw begin. „Ik ging naar de kleuterkweek in Gouda, waar ik echt op mijn plek was. En ik ontmoette mijn man Gijsbert. Met hem ben ik inmiddels 32 jaar getrouwd. We hadden veel punten van herkenning, want in Moordrecht waren zijn ouders ook betrokken bij een hervormde evangelisatie.”

En toen ging u weer terug naar Apeldoorn.

„Inderdaad. We verhuisden vanwege het werk van Gijsbert weer naar Apeldoorn.”

Jenneke stond de afgelopen jaren zo nu en dan voor de klas en werd onderwijsadviseur bij Driestar educatief en later interim-directeur bij de Obadjaschool voor speciaal onderwijs in Zwolle. In die tijd haalde ze de master Special Educational Needs. Sinds 2011 is ze stafmedewerker bij Op weg met de ander, een christelijke organisatie op gereformeerde grondslag van en voor mensen met een beperking.

In een interview zei u eens: De overtuiging dat christenen overal tegen zijn, vat post. Maakt u zich hier zorgen over?

„Ik ben weleens bang dat christenen uit de gereformeerde gezindte er moeite mee hebben zich te verantwoorden naar de buitenwacht. Mogelijk houdt dit verband met de komst van de reformatorische scholen. Ik zie deze als zegen, maar zat zelf op een mavo met veel niet-christelijke medeleerlingen. Dat was rond 1980, toen de abortuswet werd aangenomen. Ik heb in die tijd geleerd om tegenover mijn klasgenoten te benadrukken dat het door God geschonken leven niet mag worden afgebroken.

Het idee dat er mensen verloren gaan omdat ze het Evangelie niet hebben gehoord, kan mij aangrijpen. Op vierjarige leeftijd vertelde ik mijn vriendinnetje, onder de kapstok thuis, dat ook zij in God moest geloven en bidden. Ik wilde dat andere mensen ook zouden weten wat ik wist. Daarom hield ik toen de kinderen klein waren kinderclubs aan huis en organiseer ik tegenwoordig een evangelisatieactie bij een houseparty in de regio.”

U zet zich in voor mensen met een beperking. Waarom hebben zij uw hart?

„Omdat ze er helemaal bij horen. Ik moet daarbij denken aan de voormalige jongenskolonie Boys Town in de Verenigde Staten. Daar droegen de jongens een voor een een jongen die niet kon lopen rond, op hun rug. Een van hen werd gevraagd of dat niet zwaar was. Hij antwoordde: „Hij is niet zwaar, hij is mijn broertje.””

U was ook betrokken bij een vorig jaar verschenen dagboek voor tieners met autisme. Geloven zij anders dan anderen?

„Ja. Sinds godsdienstpsychologe Hanneke Schaap-Jonker onderzoek deed naar dit onderwerp is dat bekend. Ik heb dit ook altijd gemerkt bij een van onze zonen met autisme. Nu is duidelijk dat mensen met autisme Bijbelteksten en preken niet goed kunnen verbinden met hun eigen leven. Ook beeldspraak is vaak lastig voor hen. Daar hebben we in het dagboek rekening mee gehouden.”

In 2012 schreef u in De Waarheidsvriend dat het belangrijk is dat mensen met een beperking een taak in de gemeente hebben of krijgen. Hoe ziet u dit concreet voor u?

„Iedereen heeft zijn talenten. En het is belangrijk om te kijken naar wat élk gemeentelid kan bijdragen. Bij mensen met een beperking wordt snel gewezen op wat ze allemaal níét kunnen. Dat bevestigt hen in het idee dat ze anders zijn. Kijk per persoon wat hij wél kan. Zet iemand die goed kan orgelspelen in om eens de gemeentezang te begeleiden. Of laat mensen met een beperking collecteren of frisdrank schenken bij een gemeenteactiviteit. Dat geeft hun het gevoel dat ze er helemaal bij horen.”

Sommige mensen zullen hun inbreng zien als verstoring van de eredienst.

„Mensen met een verstandelijke beperking kunnen heel spontaan zijn; ze maken soms geluid wanneer wij het liever stil zouden hebben. Ze roepen ”amen” door de dienst, of reageren op een andere manier op wat er wordt gezegd. Ik hoop dat niemand zich hieraan ergert. Want kunnen we juist niet veel van die spontane en kinderlijke manier van geloven leren? Ik zou zeggen: Omarm hen. En je zult zien dat je zelf niet met lege handen terugkomt.”

Wat leerde u van mensen met een beperking?

„Van de kinderen met wie ik in het speciaal onderwijs werkte, leerde ik elke dag met een schone lei te beginnen. Ze konden vergeven wat niet goed was gegaan en startten de volgende dag gewoon opnieuw. Met hun manier van doen gaven ze het leven kleur.

Voor de mensen die ik nu als stafmedewerker voor Op weg met de ander spreek, heb ik grote bewondering. Ze lopen tegen veel vooroordelen op, waar wij ons als omstanders vaak niet eens van bewust zijn. Ik sprak eens een vrouw in een rolstoel. Ze verzuchtte: „Ik wil dat ze míj zien, niet mijn rolstoel.””

Had u zelf ook zo’n pijnlijke ervaring?

„In de tijd na mijn ongeluk was ik met mijn felrode brandwonden en verbrande haren een opvallende verschijning. Ik was vanbinnen dezelfde, maar werd toch anders benaderd. Ik moest steeds uitleggen wat er aan de hand was. „Oh meisje toch, wat is er met jou gebeurd?” zei de bakkersvrouw, toen ik even snel een brood wilde halen. Dat ik nu mensen met een beperking die tegen zulke dingen aan lopen, kan bijstaan, zie ik als leiding van God. Hoe moeilijk de weg ook is, Hij heeft met alles een doel.”

Jenneke Wolvers

Jenneke Wolvers-ten Hove (1965) wordt geboren in Apeldoorn. Het gezin verhuist naar Moordrecht, waar Jenneke Gijsbert ontmoet, haar echtgenoot. Samen krijgen ze negen kinderen en twee kleinkinderen. Jenneke werkt een periode als leerkracht in het onderwijs en als onderwijsadviseur bij Driestar educatief. Sinds 2011 is ze als stafmedewerker verbonden aan Op weg met de ander, een christelijke vereniging op gereformeerde grondslag van en voor mensen met een beperking.