Teun Bakker: Interesse voor schilderijen in huiskamer keert weer terug

„Met een schilderij ben ik meestal een maand of drie bezig”. beeld RD, Henk Visscher
3

Hij heeft een hang naar het verleden. Schepen van tegenwoordig vindt Teun Bakker (61) uit Urk maar niets. „Die zijn rechttoe, rechtaan. Vroeger, toen had je pas echte pronkstukken.” Sinds zijn tienertijd schildert hij maritieme gezichten. „Ik heb er honderden gemaakt, en hoewel het nu op een iets lager pitje staat ben ik nog steeds bezig.”

Ad Ermstrang

Zijn naam klinkt authentiek Urks, maar Teun Bakker komt oorspronkelijk niet van het vroegere eiland. Hij groeide op bij zijn grootouders in Landsmeer. „Mijn ouders voeren op een binnenvaartschip. Na de pensionering van mijn opa verhuisden we naar Urk. Ik had er eerst niet zo’n zin in. Voor mij was het een onbekend boerendorp. Als inwoner van Landsmeer was ik in feite een Amsterdammer. Ik trof in Urk vissers die, nog helemaal in klederdracht, in een klein voorondertje bijeenkwamen voordat ze vertrokken. Onder het licht van een olielampje werd er uit de Bijbel gelezen en om een behouden vaart gebeden. Toch viel het me mee. Ik voelde me hier al vrij snel thuis.”

Dunne lijnen

De liefde voor het schilderen van schepen had hem op jonge leeftijd al te pakken. „Dat is op m’n 12e begonnen. Ik was een keer bij mijn vader aan boord toen we afmeerden bij een touwfabriek in Sneek. Daar kregen we een kalender die was verfraaid met zeegezichten van Jack Spurling. Spurling was een echte meester in het schilderen van maritieme gezichten. Ik vond de afbeeldingen prachtig en probeerde ze na te schilderen. Gewoon met modelbouwverf.”

De jonge Urker ging aan de slag in de visserij en haalde het eerste deel van het diploma voor stuurman. „Ik vond het mooi werk en het verdiende goed.” Een ongeluk aan boord gooide enige tijd roet in het eten, maar betekende voor hem een stimulans om zijn schildersactiviteiten uit te breiden. „Ik ben met echte olieverf en schildersbenodigdheden aan de slag gegaan. Bovendien kon ik in die periode mijn tweede diploma voor stuurman behalen, daartoe uitgenodigd door de directeur van de visserijschool. Die stelde zich soepel op. De praktijk komt wel goed, zei hij.”

Bakker kreeg contact met zeeschilder Rieks Hamminga uit Delfzijl. „Die man beheerste het vak. Van hem heb ik veel geleerd. Hij gaf ook aan hoe ik heel dunne lijnen kon maken.”

Al die jaren bleef zijn voorkeur uitgaan naar het maken van zeegezichten. „Ik heb natuurlijk weleens een landschapje of iets buiten de natuur geschilderd, maar schepen en de zee hebben me altijd geboeid. Ik weet uit ervaring hoe een schip reageert. Als je een zware storm meemaakt, laat dat zo veel indrukken achter dat je weer jaren vooruitkunt. De zee is altijd weer anders en de schepping is zo prachtig. Dát wil ik graag vastleggen.”

Cessna

Toen de verkoop van schilderijen steeds meer vaart begon te krijgen, stopte Bakker als stuurman en opende hij in Urk een galerie. Daar hing veel werk van bevriende schilders: Jan Ligtenberg, Albert Wessels en Henk Roosink. „Samen hebben we veel exposities gehad, overal in het land. Die mannen zijn van grote betekenis geweest voor het ontwikkelen van mijn vaardigheden.”

Hij combineerde de verkoop van schilderijen met werk voor een bergingsmaatschappij. „Aanvankelijk als een soort zzp’er, later in vaste dienst. Ik luisterde altijd naar de scanner en zodra er zich iets voordeed, trok ik er samen met een schoonzoon opuit.” Vaak waren ze als eerste ter plekke. „De KNRM was er voor de hulp aan mensen, maar als we er eerder waren liet je men- sen natuurlijk niet aan hun lot over.”

Het was een avontuurlijke en hectische tijd. „Soms dramatisch. Ik heb lichamen geboren, kleine en grote schepen zien zinken en meegemaakt dat een helikopter en zelfs een vliegtuigje in het IJsselmeer verdween. Dat laatste was een tweemotorige Cessna met daarin een instructeur en twee leerlingen. De motor was uitgevallen en wilde niet herstarten. We hebben de piloot er nog uit gehaald, maar het was te laat. Drie jonge mensen, vreselijk. Enkele weken later zaten we tegenover hun familieleden, die met ons wilden praten.”

Zes of zeven lagen

De heftige gebeurtenissen beïnvloedden zijn schilderwerkzaamheden maar zijdelings. „Natuurlijk heb ik beelden uit de bergingstijd geschilderd, maar ik bleef me vooral toeleggen op oude zeilschepen en botters.” De vraag naar schilderijen nam in die jaren alleen maar toe en Bakker begon met het vervaardigen van aquarellen.

Toen er een einde kwam aan het bergingswerk –een sector waarin het reguliere werken op zondag steeds meer gemeengoed werd– maakte hij vele tientallen schilderijen per jaar. „Meestal ben ik met een schilde- rij een maand of drie bezig. Olieverf droogt heel langzaam op en pas na zes of zeven lagen wordt het echt mooi. Ik kreeg niet alleen bestellingen uit Nederland, maar ook van mensen uit Canada, Amerika, Zwitserland, België en Duitsland.”

Na het beëindigen van zijn bergingswerk kon de schilder niet meer rondkomen van zijn creatieve inspanningen. De galerie ging in 2002 dicht. „Daarnaast kreeg ik soms opdrachten die me niet inspireerden. Het is het mooist wanneer je iets geheel vanuit jezelf schildert en het pas daarna te koop aanbiedt.”

Vage ideeën

Bakker probeerde het als docent tekenen en handvaardigheid bij de Pieter Zandt scholengemeenschap. „Schilder Henk Roosink uit Rijssen zette me op dat spoor. Hij gaf zelf ook les. Ik was toen half de veertig. Omgaan met de jongelui ging wel, maar ik liep eigenlijk al het eerste jaar vast op de lessen voor mijn tekenbevoegdheid in Zwolle. Op de kunstacademie hadden ze vage ideeën en wilden ze abstract werk van me zien. Daar kon ik absoluut niet mee overweg.”

Een advertentie waarin een schipper op een sleepboot werd gevraagd, voerde hem naar Tiel. „Ik had wel wat uit te leggen toen die man vroeg wat ik deed voor de kost en ik antwoordde dat ik schoolmeester was.” Toch duurde het sleepbootavontuur maar een paar jaar. „Tiel was ver weg en ik moest er vaak overblijven. Het zette me aan het denken. Toen ik een beunschip te koop zag staan, heb ik de sprong gewaagd en ben voor mezelf begonnen.”

Zijn vader was toen al overleden. „Hij drong er altijd op aan dat ik hem zou opvolgen. Ik zou het zelf niet geloofd hebben als eerder iemand had gezegd dat ik nog eens binnenvaartschipper zou worden.”

Bakker vaart sindsdien met de naar zijn vrouw genoemde Elizabeth zand en grind door Nederland. „Toen ik vier jaar geleden last kreeg van een hernia ben ik gaan samenwerken met onze oudste zoon en de schoonzoon die vroeger berger was. We hebben er een tweede schip bij gekocht. Met z’n drieën kun je wat afwisselen en ben je met enige regelmaat een week thuis.”

Aan boord

Het maken van olieverfschilderijen en aquarellen zette hij thuis voort. Aanvankelijk in de schuur, later in twee garageboxen. „Soms ben ik ook aan boord bezig. Het staat door m’n werk op een iets lager pitje, maar gestopt ben ik nooit. Een zoon die gaat trouwen, heb ik een schilderij beloofd. En een dochter die op zichzelf gaat wonen. Beiden willen ze een zeilschip.”

Daarnaast is hij met scheepsmodellen in de weer. Zo ontwikkelde Bakker mallen voor een kunststof botter en maakt hij het oude linieschip Zeven Provinciën van Michiel de Ruyter na. Mocht hij de komende jaren weer tijd krijgen, dan is de Urker vast van plan weer meer olieverfschilderijen en vooral aquarellen te gaan maken. „De laatste jaren is de vraag naar schilderijen in de inrichting van woningen bijna tot het nulpunt gedaald. Ik ben er echter van overtuigd dat de interesse weer terugkomt. Als dat het geval is, kan ik schilderijen verkopen via een webshop. Die mogelijkheid had ik vroeger niet.”