Sjoerd Anne Stellingwerf: Geborgen bij de Allernaaste

Het Gesprek
Sjoerd Stellingwerf. beeld RD, Henk Visscher

Hij noemt zichzelf solistisch en leidt zijn leven het liefst in stilte. Maar wie in de Apeldoornse schrijver en ex-schaapherder een kluizenaar vermoedt, heeft het mis. Sjoerd Anne Stellingwerf is een einzelgänger die van mensen houdt.

Aan het einde van de oprijlaan staat hij te wachten, naast zijn ”kapel”, die vanbuiten op een tuinhuisje lijkt. IJle koorzang glijdt langs de deurposten de met bomen omzoomde tuin in. Precies hard genoeg om hoorbaar te zijn in de eenvoudige veranda, een paar meter verderop. „Muziek uit de vroege renaissance”, zegt Stellingwerf. „Uit een tijd waarin mensen zich in alle vezels van hun bestaan verbonden wisten met de Allerhoogste.” In een wit huis op het terrein heeft Stellingwerf zijn onderkomen. Hij huurt er de eerste verdieping. Maar liever nog is hij buiten, tussen de vogels van het veld. Of in de kapel.

„Ik zou een kluizenaar kunnen zijn”, zegt Stellingwerf als hij uit een thermoskan hete koffie heeft geschonken. „Ik pas niet in enig stramien. Ik ben altijd een einzelgänger geweest. Op school, in de kerk, in een woonwijk. Uiteindelijk werd ik schaapherder. Dan is het gelegitimeerd om een einzelgänger te zijn. Daarna dichter, ook al zo’n wonderlijke solistische bezigheid.” Hij lacht.

Maar u bent géén kluizenaar.

„Ik houd te veel van mensen. Daar is misschien alles mee gezegd. Ik vind hen ook onmogelijk, maar dat ben ik zelf ook.”

U toonde zich verrast door het interviewverzoek.

„Waarom moeten mensen iets van mij lezen? Ik ben maar een heel gewoon mens. Misschien reageer ik zo omdat ik me altijd een buitenstaander voel. Ik kies daar niet voor, maar zo is mijn leven gegaan. Ik pas nergens bij.”

Dat klinkt tragisch.

„Nee, dat is het niet. Ik voel me verbonden met mensen die zoeken naar waarheid en genade.”

In welk gezin groeide u op?

„Mijn vader kwam uit de kringen rond Jan Siebelink en ds. Du Marchie van Voorthuijsen. De conventikels. Die maakten tenminste ernst met tijdelijkheid en eeuwigheid. Dat vind ik zoiets moois.”

U heeft geen gemakkelijke jeugd gehad.

„Mijn vader woonde in 1944 in Arnhem letterlijk in de vuurlinie, tussen de westelijke geallieerde kant en de Duitsers aan de overkant van de Rijn. De man is emotioneel beschadigd. Hij kon heel opvliegend zijn.”

Bent u daardoor geschonden?

„Het was in vele opzichten niet veilig thuis.”

U vertelt hier summier over. Is dat uit zelfbescherming of wilt u niet in de slachtofferrol?

„Ik ben geen slachtoffer, al heb ik er heel erg onder geleden. Er is een kantelmoment geweest. Ik mag zeggen dat ik verzoend ben met mijn bizarre jeugd. Dat is iets wat je ontvangt. Dat noem ik genade. En dan vind ik het oneigenlijk om nog tot in detail te noemen wat er misging.”

Hoe was u als kind?

„Precies zoals nu. Ik ben nooit volwassen geworden. Altijd observeerde ik en genoot ik. Van vogels, planten, schilderijen, Bach, Dvořák, Albert Schweitzer.” Hij wijst. „Kijk eens, een zwartkopje. Ik kijk en beleef. Zo was ik ook als kind. In mijn jeugd woonden wij in een stukje oud Apeldoorn. Altijd kon ik door het raam kijken naar de esdoorns, de eiken en de berken. Die bomen tegenover ons huis bewogen in de westenwind. Maar als de storm ging liggen, kwamen de bomen weer tot rust. Dat moet je als kind meemaken als het onrustig is. Ik kan de goede dingen van mijn jeugd koesteren. Niet voor niets staat er een harmonium in mijn kamer. Ik speel graag psalmen van J. Worp.”

U leeft bij de psalmen?

„O, ik schiet er zo bij vol. Het vitale verlangen in Psalm 42. Tegenover het maakbare van nu, de spirituele gekkigheid, is daar het eerbiedig verlangen. Het klagen van het hert.” Heftig sprekend: „Als ik nou geen druppel krijg, ga ik gewoon dood!” Stellingwerf laat zijn gebarende handen met een klap weer tegen de tuinbank vallen. „Zó doorleefd. Ik word er helemaal blij van. Heb je bezwaar tegen een sigaartje?”

De onveiligheid van uw jeugd is u altijd bijgebleven. Tegelijk is ontmoeting met anderen belangrijk voor u. Heeft u geen last van bindingsangst?

„Jawel, ik heb nog steeds bindingsangst. Maar ook de handigheid om contact te leggen. Verbondenheid kan ik goed aan. Ik geniet van mensen en toch blijf ik er bang voor.”

U schreef eens: „Bij mijn allernaasten vind ik geborgenheid.” Wie zijn dat?

„Het zijn er geen honderd. Enkele vrienden en vriendinnen. En daar speelt dan trouw, erkenning, aanvaarding, bemoediging, vertroosting. Daar kan nabijheid gestalte krijgen.”

Heeft u naar waardering en erkenning gezocht?

„Heel erg. En nog. Er is een gevoeligheid gebleven. Dat geeft niet. Dan leven we met een bepaalde gevoeligheid. Ja, bij vrienden heb ik waardering gevonden. Soms zijn je allernaasten overledenen. Dat bedoel ik niet griezelig. Ik bedoel Bach. En de schrijfster Wilma Vermaat uit Beekbergen. In het gedicht ”De Allernaaste” verwoordt ze wie de Heere God voor haar is geweest. „Ik heb zo lang gezocht naar ’t allerschoonste woord dat aan Uw heil’ge schoonheid toebehoort. Ik vond het nooit.” Het eindigt met: „Omdat Gij de Allernaaste in mijn leven wilde zijn, zo hebt Gij mij het allerschoonste woord gegeven.” Daarbij houd je het toch niet droog? Hij geeft Zichzelf aan ons en Hij geeft ons aan mensen. Wij hebben een taak.”

Stellingwerf wijst naar enkele gebouwen die grenzen aan het groen. „Hierachter op het industrieterrein moet ik ook zijn. Dan vraag ik: „Is de heftruck alweer kapot?” Of: „Hoe is het weekend geweest?” Ik mag me niet terugtrekken in dit groene gebiedje. Ik heb omgang met God en ik trek gauw het hek dicht. Nee, zo niet. Ik ben bij de autosloperij, op de markt, in de kerk, in het café, in de winkel.”

„Er is geen enkel keurig kerkelijk hokje waarin ik pas”, schreef u vorig jaar.

„Eén of twee keer per maand kom ik in de kerk. De kerk als instituut is niet rechtstreeks gegeven door de Heere God. Er zit een hoop menselijke malligheid bij. Het is niet iedereen gegeven om daar een hechte binding mee te hebben. Ik wou dat ik het kon, maar het lukt me niet.”

Jezus Zelf legde de basis voor Zijn gemeente. Daar kunnen we ons toch niet zomaar aan onttrekken?

„Jezus heeft niet het instituut gegrondvest, of een kerkorde bedacht. Dat is een menselijk stramien. Als Jezus tegen Petrus zegt dat Hij op hem Zijn gemeente zal bouwen, dan gaat dat over de gemeenschap der heiligen. Tegen wie het niet trekt in de kerk, zeg ik: probeer verbinding te blijven zoeken met broeders en zusters. Want buiten de gemeenschap kunnen we niet.”

Wat houdt u dan tegen?

„De meeste moeite heb ik met vrijere groepen die over God spreken alsof Hij een buurjongen is. In orthodoxe kerken schuif ik weleens aan. Maar vrijwel elke kerk kenmerkt zich door een strenge sociale controle. Spreek jij onze taal? Val je uiterlijk niet uit de toon? Mensen zien me daar als een aparteling. Wat moet die man hier? Is hij een junk? Toch ben ik ook dankbaar voor de kerken. Het is mede vanwege het instituut dat we anno 2017 nog gebouwen en gemeenschappen hebben waar de Bijbel opengaat.”

Was overgave aan God moeilijk voor u?

„Nee. Ik snap er niets van, maar Hij is altijd in mijn leven geweest. Zoals de bomen aan de overkant er waren, zo was mijn Heiland aan de binnenkant. Dat is een geschenk en daar moet je van uitdelen. Daarin ben ik heel bevindelijk. Ik geloof volstrekt niet dat het geloof maakbaar is. Je moet het niet doen. Laat het los.”

Je moet het krijgen?

„Hij geeft het zo graag. Dat is nog iets meer dan ”je moet het krijgen”.”

Wat maakt uw kapel tot een kapel?

„Er hangt een groot schilderij van de goede Herder. En een kruisbeeldje. Menige geloofsgenoot zou zeggen: Maar dat moet je toch niet doen? Je bent toch niet katholiek? Nee, dat ben ik niet. U gelooft toch in de paasmorgen? Heel sterk. Ik ben meer een paas- dan een pinksterchristen. Waarom dan toch dat kruisbeeld? Omdat mijn Heiland vooral nabij is als de Man van Smarten.”

Mediteert u er?

„Ach, mediteren is zo’n modewoord.”

„U zoekt de omgang met God?”

„Hij zoekt mij. Hij is eerst. Het is een trend om aan stille tijd te doen. Maar wacht eens even? Wie begint er nu? Hij wil nabij zijn. Anders wordt zelfs stille tijd een prestatie van onze kant.”

Waarom heeft u een kapel nodig?

„Af en toe moet ik mijn woorden aan Hem kwijt. Hij heeft mijn woorden niet nodig, maar wil wel als een Vader naar mijn woorden luisteren. Ik geloof niet dat de Heere God op onze instituten zit te wachten. Wij hebben die instituten nodig om ons aandachtig op God te kunnen richten. Hij kan wel zonder. Hij is al nabij. Ik zeg dit in vertrouwen, niet uit lichtzinnigheid.”

Stilte is een belangrijk thema in het leven van Sjoerd Stellingwerf. Nu en dan werkt hij samen met Mirjam van der Vegt, bekend van de Stiltetour en het Stiltedagboek. Daarnaast heeft hij plannen om mensen die op zoek zijn naar God te bereiken met taal en muziek. „In de kerk zijn de morele drempels hoog. Ik ging naar een kerk hier in Apeldoorn. De samenkomst leek net een show van de BMW-dealer. De duurste Italiaanse schoenen, Louis Vuittontassen. Is dit de gemeenschap van mensen die rondom Hem samen willen zijn? God is bij de gebrokenen van hart en de verslagenen van geest. In een andere kerk waar ik kwam, zat eens een dronken meneer. Vindt u het niet eng, vroeg iemand mij. Ik vind het geweldig, zei ik. „Deze man hoort hier te zijn.” Moet je eens kijken hoe mild de Heere Jezus is tegen de overspelige vrouw. Hij ziet haar. Hij stelt vragen. Pas als Hij haar heeft hersteld in haar waardigheid als vrouw, zegt Hij –nog net in het laatste zinnetje– Ga heen en zondig niet meer. Die mildheid miste ik weleens in het pastoraat.”

U dicht over genezing en over een nieuwe wereld. Kan de wond die het leven u toebracht hier op aarde niet meer helen?

„Nee, maar hij is voor een groot deel gesloten en daar ben ik al zo blij om. Met Corrie ten Boom zeg ik: het mooiste komt nog. Ik ben niet de hele dag bezig met genezen.”

Verlangt u naar die nieuwe wereld?

Schor: „Ja, heel erg. Heel erg.” Een stilte valt. Dan, emotioneel: „Voor veel mensen is het leven hier zwaar. We delen uit wat we kunnen, maar de diepere genezing is hier nog niet. Soms ligt genezing in het aanvaarden van het feit dat de genezing pas later volkomen wordt.”

Levensloop Sjoerd Anne Stellingwerf

Sjoerd Anne Stellingwerf (Apeldoorn, 1957) begon zijn werkzame leven als verslaggever. Later leidde hij vijf jaar lang een schaapskudde door natuurgebied de Loenermark, bij het Gelderse Loenen. Zijn memoires als schaapherder beschreef hij in columns in het blad Terdege en in de bundel ”Herderstas”. In 2016 rondde hij het boekje ”Herte – 42” af, waarin hij filosofeert over het bestaansrecht en de waardigheid van de mens. Stellingwerf schrijft verder –op milde en tegelijk maatschappijkritische wijze– gedichten en blogs. Ook geeft hij lezingen. Hij leeft mee met de protestantse Grote Kerkgemeente in Apeldoorn.