Prof. dr. P. A. Siebesma: Mijn handicap heeft voordelen

Het Gesprek
Prof. dr. P. A. Siebesma. beeld RD, Anton Dommerholt

In de Veluwse plaatsen waar hij woonde, moest prof. dr. Pieter A. Siebesma altijd weer even zoeken naar een plek, ook kerkelijk. Niet omdat hij mensenschuw is, integendeel. En als hij zich érgens thuis voelt, is het in de reformatorische cultuur. Maar met zijn omvangrijke theologische bagage past hij gewoonweg niet meer in één hokje.

Onlangs betrokken de oudtestamenticus en zijn vrouw een bescheiden eengezinswoning in het hart van Harskamp. Eerder woonde hij in Barneveld en Lunteren. De 64-jarige Siebesma –hij doceerde tot 1 februari Oude Testament, Hebreeuws en wereldreligies aan de Christelijke Hogeschool Ede– vindt het heerlijk om ergens opnieuw te beginnen. „Sommige mensen blijven hun leven lang op één plek wonen, wij liever niet.”

Wat is er zo prettig aan verhuizen?

„Dat je nieuwe contacten krijgt, andere mensen spreekt. In de plaatsen waar ik woonde, ben ik altijd cursussen Hebreeuws gaan geven. Ik weet niet of er in Harskamp veel animo is, maar ik kan het altijd proberen.”

U heeft veel vakkennis. Waarom dan toch steeds met leken bij nul beginnen?

„Dat is juist zo leuk. Hebreeuws bestuderen is een zuivere manier van Bijbelonderzoek. Je gaat immers naar de grondtaal. Mensen met verschillende achtergronden –van Gereformeerde Gemeenten tot baptistengemeenten– nemen daaraan deel. We willen weten wat Gods Woord zegt en daarvoor ook buigen. Dat betekent soms dat je tot andere conclusies komt dan die je van huis uit meekreeg. Per 1 februari ben ik gestopt als CHE-docent. Mijn vrouw en ik willen iedere ochtend een stukje Hebreeuws gaan bestuderen. Misschien dat het nog lukt om de komende jaren de hele Bijbel door te lezen. Met één hoofdstuk ben je toch al gauw twee, drie uur bezig.”

Welke ontdekking in de grondtaal is u bijgebleven?

„Spreuken 1:7: „De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid.” Wat bij mij insloeg, is dat het verwerven van wetenschap begint met het kennen van de Heere. Mensen die wetenschap bedrijven zonder dat zij een relatie met God hebben, kunnen gemakkelijk op een dwaalweg geraken. Deze tekst is een leidraad in mijn leven geweest. Ik heb een handicap. Ik ben doof voor hoge tonen. Om die reden zat ik op een school voor slechthorende kinderen in Arnhem. Het is best bijzonder dat ik naar de middelbare school en later naar de universiteit mocht gaan. Iemand met zo’n handicap, zei men, kan dat eigenlijk niet. Ik heb veel van Gods genade ervaren. Hij maakt het onmogelijke mogelijk.”

Het lijkt erop dat u anderen prima verstaat.

„Van de hoge tonen hoor ik 10 procent, van de lage tonen 30 procent. Lage tonen verneem ik vervormd. Bach klinkt in mijn oren als één dreun. Ik snap helemaal niet waarom mensen Bach zo mooi vinden, maar dat zegt meer over mijn handicap dan over de componist. Tien jaar geleden zei de bedrijfsarts tegen mij dat hij mensen die beter hoorden dan ik, volledig arbeidsongeschikt had verklaard. Je leert met je handicap omgaan. Ik kan liplezen. Taal is heel stereotiep. Als je drie woorden oppikt van wat mensen zeggen, begrijp je hen. Mijn vrouw weet heel goed wanneer ik moe ben, want dan versta ik haar niet meer.

Ik moet zeggen dat een handicap veel voordelen heeft. In de eerste plaats ben ik gedwongen meer op God te vertrouwen dan op mijn eigen capaciteiten. Ik heb ervaren dat als God me een bepaalde taak geeft, Hij er op een raadselachtige manier voor zorgt dat mijn handicap geen belemmering vormt. Ik heb in India lesgegeven. Hoewel ik moeilijk praat en slecht hoor, ging dat goed.”

Komt u uit een christelijk gezin?

„Mijn ouders waren van oorsprong synodaal gereformeerd. Geconfronteerd met de vrijzinnigheid in hun kerk zwierven ze van de vrijgemaakten naar een Nederlands gereformeerde kerk en later een baptistengemeente. Zelf flirtte ik lange tijd met andere godsdiensten. Toen ik achttien was, maakte ik een bewuste bekering mee. Ik wist: dit is het. Nu heeft mijn leven zin.”

Wat overtuigde u?

„Ondanks mijn christelijke achtergrond zei het geloof me niet zo veel. Ik ging met mijn ouders mee naar de kerk omdat ik geen zin had om ruzie met hen te maken. Tijdens een conferentie van de studentenvereniging Navigators raakte ik in gesprek met een van de leiders. Hij vroeg: Ben je christen? Ik weet het eigenlijk niet, zei ik. Hij legde mij het Evangelie uit en vroeg: Zou jij je hart aan Jezus willen geven? Ik heb toen ja gezegd. Ik weet nog steeds niet waarom. Vervolgens lag ik de hele nacht te woelen en te draaien door een heel grote angst. Ik kon er niet van slapen. Wat is er gebeurd? dacht ik. Ik heb blijkbaar een beslissing genomen, maar ik kan de gevolgen niet overzien. Toen eindelijk de ochtend aanbrak, kwam er een grote vrede in mijn hart. Ik snapte destijds nog maar weinig van het Evangelie, maar ik wist één ding zeker: God heeft mij aanvaard en mijn leven heeft een doel gekregen. Ik hoor bij Hem. Dat gaf zo veel vreugde dat ik nog een aantal weken heel blij ben geweest.

Ik weet dat er christenen zijn die benadrukken dat een bekering begint met schuldbesef, met ellende. Dat besef kwam bij mij pas later. Ik beschouwde deze gebeurtenis als een bekering, maar met bekering stopt het niet. In India zag ik het ook. Dat God ingrijpt in iemands leven en dán begint te werken. Hij is soeverein in de manier waarop Hij dat doet.”

Komen ellende, verlossing en dankbaarheid allemaal voor in het leven van een christen?

„Zeer zeker. Later heb ik ook wel geloofscrises gekend, maar God heeft me erdoorheen geleid. Een van de mooiste teksten uit de Bijbel vind ik Efeze 2:8. „Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.” En ook het gedeelte dat daarop volgt: „Niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.” Dit heeft me altijd erg bemoedigd. Want toen ik tot geloof kwam, wilde ik graag alles voor Hem doen. Dat lukt echter lang niet altijd. Dan is het heerlijk om te beseffen: we mogen goede werken doen, maar wel die werken die God van tevoren bereid heeft. Oftewel: je hoeft er niet krampachtig naar te streven.”

In de afgelopen decennia leverde u herhaaldelijk een bijdrage aan het schepping-of-evolutiedebat. Is de actuele discussie een herhaling van zetten?

„Voor een deel is dat zo. Het boek ”Oorspronkelijk” van Mart-Jan Paul las ik vorig jaar, de publicatie van Gijsbert van den Brink heb ik nog niet uit. Misschien krijg ik meer tijd als ik met pensioen ben. Ik begreep dat Van den Brink zijn boek heeft geschreven om studenten uit de gereformeerde gezindte verder te helpen. Zij zouden niet meer uit de voeten kunnen met de letterlijke interpretatie van Genesis 1 tot 3. Ik vraag me af of deze publicatie niet juist het tegenovergestelde bewerkt, namelijk dat studenten hun geloof verliezen. Want uiteindelijk is de vraag naar de ouderdom van de aarde van veel minder belang dan de vragen die rijzen als Adam niet de eerste mens was. Christenen kunnen door zo’n publicatie behoorlijk in verwarring raken. Dit los van het feit dat ik het inhoudelijk niet met Van den Brink eens ben. Wat ik ervan heb gelezen, vind ik niet overtuigend.”

Dat zegt u vooral als hebraïcus?

„Dat klopt. Naar mijn idee laat Van den Brink de tekst van Genesis 1 tot 3 buikspreken. De stijl zou poëtisch zijn, maar het gaat hier om een historische tekst met poëtische trekken, zoals je die ook vindt in Samuël en Koningen. Qua structuur is het proza. In dit opzicht leer ik ook van orthodox-joodse uitleggers. Zij hebben aandacht voor de letterlijke Hebreeuwse teksten en leggen met hun kennis gemakkelijk verbanden met andere Bijbelgedeelten. Je kunt God op Zijn Woord geloven, ook al begrijp je niet alles.”

Hoe weet u dat de Bijbel waar is?

„Omdat God Zich aan mij vanuit de Bijbel heeft geopenbaard. De Bijbel is waar omdat de Auteur van de Bijbel realiteit is. Wil je in deze uitermate seculiere maatschappij stand houden, dan is een persoonlijke relatie met God essentieel. Die verhindert dat je wordt meegesleept door bedenksels van mensen die wel mooi lijken, maar het niet zijn.”

Heeft u zich eigenlijk in het actuele debat gemengd?

„Heel weinig.”

Waarom?

„Omdat ik het te druk had. Een heel pragmatische reden. Maar ook omdat ik niet erg thuis ben in de natuurwetenschappen.”

Toch raakt u niet in verwarring.

„Dat komt misschien door mijn academische achtergrond. Uit ervaring weet ik dat de wetenschap niet zo objectief is als zij claimt te zijn. Wetenschappers zijn veel minder stellig dan mensen die ergens weinig vanaf weten. Sommige geleerden zeggen dat... ja, maar andere zeggen weer iets anders.”

Met welke kerk leeft u mee?

„Wij zijn erover aan het nadenken bij welke kerk we ons willen aansluiten. Eerder bezochten we zowel hervormde als andere gemeenten. We voelen ons thuis in de reformatorische wereld. Mijn vrouw draagt een rok, we hebben geen televisie. Wat we minder goed begrijpen, is dat mensen de kerk soms haast nog belangrijker vinden dan het geloof. Wij zijn niet zo kerkelijk ingesteld.”

Wie Jezus volgt, wil bij Zijn lichaam horen, toch?

„Maar dat lichaam is wel verdeeld. Bij welke kerk moet je je aansluiten? We zijn er nog niet uit. Wat ermee te maken heeft, is dat wij in theologisch opzicht soms andere keuzes maken. Reformatorischen zeggen: De kerk is daar waar de ambten zijn. Evangelischen zeggen: De kerk is daar waar gelovigen zijn. Daar kun je over twisten. Ik sluit me liever aan bij mensen in een traditionele kerk die echt God en Jezus volgen dan dat ik een nieuwe groep vorm die bijdraagt aan de verdeeldheid. Op dit moment zoeken we biddend naar Gods wil.”

U schrijft onder meer over de relatie tussen Jodendom en christendom. Praktiseert u Joodse gebruiken?

„Nee. Een belangrijk bezwaar is dat je Jezus Zelf, de Messias, uit het oog kunt verliezen. Ik heb er geen problemen mee als christenen met een Joodse nationaliteit zich aan de sabbat houden. Dat is een onderdeel van hun etnische en culturele identiteit. Maar waarom zou je dat doen als niet-Jood? Brengt het je dichter bij Christus? Ik ben heel huiverig voor Joodje spelen. Overigens moet je ook beseffen dat de Joden vandaag de dag even veraf staan van de Joden in de eerste eeuw als christenen.”

U pleitte eens voor het gebruiken van matses tijdens het avondmaal. Omdat gist in de Bijbel symbool staat voor de zonde.

„Het verbroken lichaam van Christus wordt beter gesymboliseerd door een matse die je hoort kraken dan door een stukje witbrood. Maar dat is geen belangrijk punt. In de Joodse feesten zit veel symboliek die naar Christus verwijst. Overigens hoeven mensen het niet met me eens te zijn hoor. Ik ben het ook niet altijd met mezelf eens. Je moet bereid zijn om alles wat je denkt voortdurend onder de kritiek van Gods Woord te stellen.”

Levensloop prof. dr. P. A. Siebesma

Pieter Siebesma (Leeuwarden, 1954) groeide op in Zwolle en Arnhem. Hij studeerde Semitische talen en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Leiden. Daar promoveerde hij ook op een onderwerp over de grammatica van het Bijbels Hebreeuws. Siebesma was tot 1 februari senior docent Oude Testament, Hebreeuws en wereldreligies aan de Christelijke Hogeschool Ede en is hoogleraar godsdienstwetenschappen aan de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) te Leuven. Daarnaast doceert hij Hebreeuws aan het door hem opgerichte Da’at Instituut. Samen met zijn vrouw Marianne kreeg hij twee kinderen en drie kleinkinderen.