„Karakter van Driestar hogeschool veranderde”

Generaties in gesprek
Kole (rechts) en Kunz voor het gebouw van Driestar Hogeschool in Gouda.  beeld Martin Droog

Verschillen de huidige studenten van Driestar hogeschool met die van vroeger? En hoe zit dat met de docenten? Drs. I. A. (Izak) Kole en dr. A. J. (Bram) Kunz gaan daarover met elkaar in gesprek. „Je moet studenten prikkelen door de juiste vragen te stellen.”

Kole trapt af met een overeenkomst: „Het studeren zat én zit er van nature bij een deel van de studenten niet in. Als ze het van zichzelf hebben, dan is dat fijn. Maar sommigen moesten én moeten ertoe worden aangezet.”

Kunz: „Dat klopt. Ik zie veel studenten die hard werken. Anderen lopen de kantjes eraf. Tegen hen zeg ik weleens: „Wat denk jij? Wat voor beeld krijgen leerlingen van jou? Als jij niet vooruit te branden bent, wat draag je dan over aan kinderen?” We hoeven als opleiding niet tolerant te zijn tegenover jongeren die zich zo opstellen.”

Kole: „Als je tijdens de opleiding weinig uitvoert, heb je ook weinig door te geven. Je komt op enig moment jezelf tegen. Je hoopt natuurlijk dat studenten in de loop van de jaren volwassener worden en een andere houding krijgen.”

Kunz: „Maar we moeten niet alleen naar de studenten wijzen. Er ligt ook een taak voor de hogeschool. Je moet studenten prikkelen door de juiste vragen te stellen. Wat maakt onderwijs christelijk? Wat is het verschil tussen lesgeven op een openbare school en het lesgeven op een christelijke school? Wat is jouw visie op het kind, op lesgeven en de verbinding tussen kwart voor negen en kwart over negen? Ik denk dat de Driestar hierin de afgelopen decennia sterker is geworden.”

Kole: „Dat denk ik ook. Driestardocenten moeten inhoudelijk wat te bieden hebben. Ze moeten ook liefde voor het vak hebben en die weten over te dragen op studenten. Ze moeten laten zien hoe waardevol het vak van onderwijsgevende is. Studenten moeten in de goede zin van het woord jaloers worden op hun docenten, zodat ze –als ze later zelf voor de klas staan– kinderen weer jaloers kunnen maken.”

Kunz: „We hebben in het curriculum het thema ”Essenties van het christelijk leraarschap” opgenomen. Om een goede christelijke leraar te zijn, is het nodig om de Heere persoonlijk te kennen. Dat levert goede gesprekken op. Je ziet veel studenten worstelen met de zekerheid van het geloof. De Driestar is geen bekeringsinstituut, maar ik hoop wel dat het onderwijs studenten in de klem brengt. En dat gebeurt ook. Ik heb studenten huilend bij mij gehad en dan ervaar je: hier gebeuren wezenlijke dingen.”

Kole: „Hoe onderwijzers in deze dingen staan, kun je merken uit hun gebeden, uit de manier waarop ze problemen benaderen en uit persoonlijke gesprekken. Persoonlijk geloof en geloofszekerheid waren onderwerpen die vroeger vooral aan bod kwamen als we in het derde jaar de Dordtse Leerregels behandelden.”

Kunz: „Dat doen we nu ook, maar we kijken ook hoe we deze thema’s vruchtbaar kunnen maken voor het moment dat de afgestudeerde jongeren zelf voor de klas staan.”

Kole: „Op algemeen christelijke scholen zitten vaak ook moslimkinderen. Het is van belang dat studenten weten hoe ze daarmee om moeten gaan en het gesprek moeten aangaan. En zonder het christelijk geloof op te leggen –dat kan trouwens niet eens– het wel op een begrijpelijke manier kunnen verwoorden.”

Kunz: „Om in een diverse context te kunnen functioneren, moet je weten waar je zelf staat. Studenten zijn met twee dingen niet gediend. Je moet niet om de hete brij heen draaien; dus er mag, ja, er moet zelfs een appel op hun hart worden gedaan. Maar ze zijn er ook niet mee gediend als hun loyaliteit aan hun thuis en hun kerkelijke gemeente op het spel komt te staan. Het is niet moeilijk om als docent allerlei veroordelende opmerkingen te maken, zodat studenten aan het eind van een college denken: ik zit dus helemaal verkeerd.

We moeten binnen die loyaliteit een denkproces bevorderen als dat nog niet op gang is gekomen. Daarvoor is een veilige omgeving nodig voor iedere student. Daarom gaan we elkaar niet de maat nemen, of iemand nu oud gereformeerd is of evangelisch. We zoeken met elkaar naar antwoorden op de vraag wat de roeping van het christelijk onderwijs anno 2019 is.”

Andersdenkenden

Behalve vragen over heilszekerheid krijgt de hervormde predikant ook vragen van studenten over manieren waarop ze het christen-zijn gestalte kunnen geven in de dagelijkse onderwijspraktijk. „Ook willen ze graag weten hoe ze met andersdenkenden in de samenleving kunnen omgaan. Dat is belangrijk voor hen. Als je tijdens je zaterdagbaantje de enige bent die voor het eten bidt, dan doet dat wat met je. Hoe weet ik dat ik het bij het rechte eind heb en niet het vriendelijke moslimmeisje dat ik als collega heb?

De vraag ”Hoe krijg ik een genadig God?” wordt door weinig studenten zo gesteld. Ze kiezen nu andere woorden: Hoe weet ik dat ik echt bekeerd ben? Hoe weet ik dat ik echt geloof? Hoe weet ik dat het christelijk geloof het enige ware is? Het taalveld is veranderd en de cultuur ook. De docent moet op die vragen ingaan en de antwoorden verbinden aan de bedding van de traditie waarin we staan.”

Kole: „Bij de bespreking van de Bijbelse kernwoorden kwamen deze dingen vroeger ook aan de orde. En ook wel in persoonlijke gesprekken. Het was ook afhankelijk van de klas. Het karakter van de school is wel veranderd. Het was eerst vooral een school van de Gereformeerde Gemeenten. Later kwamen er ook studenten van andere kerkgenootschappen bij. En ook het docentenkorps verbreedde.”

Kunz: „Die verbreding heeft consequenties voor de school én voor de achterban. Van de school mag worden gevraagd om loyaal te zijn aan de achterban, zodat niemand zich buitengesloten voelt. En van de achterban mag loyaliteit worden gevraagd aan de school.”

Kole vertelt dat de verschillen in kerkelijke afkomst van de studenten hem in het verleden weleens hoofdbrekens kostten. „Als je een klas had waarin de helft van de studenten van Goeree-Overflakkee kwam en hervormd was en de andere helft uit Zeeland kwam en lid was van de Gereformeerde Gemeenten, Gereformeerde Gemeenten in Nederland of Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland, gaf dat regelmatig spanning, of men ging geen gesprek aan met elkaar.”

Kunz: „Hadden ze geen boodschap aan elkaar?”

Kole: „Soms waren ze snel uitgesproken. Dat is in de loop van de jaren wel beter geworden door te letten op de klassenindeling. De bereidheid om naar elkaar te luisteren is toegenomen. We hadden ook het beleid dat de studenten een van hun stages gingen lopen op een modernere christelijke school dan de Driestar. Dat hielp soms ook om het blikveld te verruimen.”

Kunz: „Aan de hervormde kant hebben we aan aantallen ingeboet. Maar daarmee is er geen eind gekomen aan de gemêleerdheid. Je ziet dat de studenten van de Gereformeerde Gemeenten niet langer een blok vormen; ze zeggen soms ronduit dat ze heel verschillend denken.”

Kole: „Je ziet ook dat de vroegere vrijgemaakte pabo in Zwolle en de Christelijke Hogeschool Ede vaker studenten uit bevindelijke kring trekken.”

Kunz: „De Driestar is niet de enige hogeschool die onderwijzers opleidt voor het christelijk onderwijs, maar wij hebben wel een uniek programma om de vorming van de studenten en de praktijk heel dicht bij elkaar te houden.”

Docenten

Kunz: „Ik heb de indruk dat docenten vroeger meer hun eigen programma volgden dan tegenwoordig. Dat kan niet meer. Ook niet binnen de vakgroep godsdienst. Je werkt met elkaar aan de persoonlijke en professionele vorming van studenten. De persoon van de onderwijzer is van zo’n groot belang. Die maakt of breekt het christelijk onderwijs.”

Kole: „Mannen als Kuijt, Koppejan, Florijn, Van den Berge en Hage waren persoonlijkheden van wie wat uitging. Ze gingen in veel opzichten wel hun eigen weg met de lesstof. Maar dat is ook wel begrijpelijk: er waren geen passende methoden. Het is daarom goed dat er in later jaren veel eigen lesstof is ontwikkeld. De vier delen ”Leren en leven” over het godsdienstonderwijs van drs. P. Cammeraat zijn een begrip in onderwijsland.”

Kunz: „Die lijn zetten we voort. We ontwikkelen nu weer een nieuwe lesmethode voor het godsdienstonderwijs. Ook zijn we bezig met een boek over christelijke pedagogiek.”

Mannelijke studenten

Kole en Kunz zijn blij dat een belangrijke onevenwichtigheid van de laatste decennia op de Driestar aan het verdwijnen is. Kunz: „Het aantal mannelijke studenten neemt de laatste jaren toe. Dat is belangrijk voor de continuïteit op scholen. Vrouwen werken relatief vaker parttime. Ook hebben mannen vaker belangstelling voor leidinggevende functies. Nu is ongeveer een kwart man. Eerder was dat veel minder. We hebben nu ook speciale programma’s binnen de hogeschool voor mannelijke studenten. Dat werpt zijn vruchten af.”

Kole: „Ik ben blij dat er een kentering is gekomen. Het is goed dat er met name in de laatste leerjaren op de basisschool mannen voor de klas staan. Kinderen hebben hen nodig als identificatiefiguur. Onderschat het belang daarvan niet.”

Drs. I. A. Kole

Drs. I. A. Kole (1940) zag het levenslicht in Waarde. Na de hbs ging hij naar de kweekschool van Van Bennekom in Middelburg. Na de opleiding kreeg hij een baan als onderwijzer in Ridderkerk. Tussendoor moest hij twee jaar in militaire dienst en volgde daar een officiersopleiding. Daarna gaf hij les op de mulo/mavo in Lisse. In 1971 belde de toenmalige voorzitter van de Driestar, ds. H. Rijksen, met de vraag of Kole godsdienstdocent wilde worden op de pedagogische academie in Gouda. Drie jaar later werd hij adjunct-directeur. In de avonduren rondde hij zijn doctoraal theologie af. In 2002 ging Kole, die lid is van de gereformeerde gemeente in Berkenwoude, met pensioen.

Dr. A. J. Kunz

Dr. A. J. Kunz (1970) volgde voortgezet onderwijs op de Driestar en studeerde theologie in Utrecht en Leiden. In 2013 promoveerde hij op een proefschrift over de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hij was gemeentepredikant in Hollandscheveld, Groot-Ammers en Katwijk. In 2013 stapte hij over naar Driestar hogeschool. Hij geeft een aantal uren per week les. De rest van de werkweek is hij actief binnen het onderzoekscentrum van de Driestar. Momenteel werkt hij samen met dr. Bram de Muynck aan een boek over christelijke pedagogiek. Daarnaast doet hij onderzoek naar de vraag hoe klassieke bronteksten doorwerken in de vorming van studenten.

serie Generaties in gesprek

Senior en junior over school en studie, vroeger en nu. Deel 7 (slot).