Joke Overeem-Prins: Eerst zorgen voor een mens met pijn

Het Gesprek
Joke Overeem-Prins. beeld RD, Henk Visscher
5

Zodra ze het heeft over verpleegkundigen, over diaconessen en over christenen in Oost-Europa, gaat er iets extra’s stralen bij Joke Overeem-Prins. Dan praat ze in uitroeptekens. Af en toe gebruikt ze de tegenwoordige tijd, alsof ze nog steeds met hen werkt.

Ja, ze is eigenlijk overal weg. Ze is al twee jaar geen directeur van hospice De Regenboog in Nunspeet meer, vindt dat ze zichzelf amper nog vrijwilliger bij Stichting Friedensstimme kan noemen omdat ze alleen nog „hand- en spandiensten” verleent, en de tijd in zorgcentrum Elim in Amerongen ligt al zeker 16 jaar achter haar. Maar intussen duiken er in haar huis in Renswoude boeken en bladen op die bewijzen dat ze er nog steeds een beetje bij is.

Daar ligt bijvoorbeeld het boek over de zendingsdiaconessen in Amerongen: ”God moet ons helpen” van Katinka Fikse-Omon, uit 2019. Het boekje ”Ljoeba” legt ze alvast klaar om weg te geven: over de Oekraïense zendelinge Ljoeba Kordonets (1986-2018). Een ander boek –”Leven in het licht van de eeuwigheid”, een levensbeschrijving van N. J. Bojko– deelde Joke Overeem uit aan alle mensen van het hospice, toen ze daar in 2018 afscheid nam omdat ze met preprensioen ging.

Nu geeft ze regelmatig lezingen en trainingen voor de NPV over zorg in de laatste levensfase. „Nadenken over het einde doen mensen liever niet –het is eng– maar het is zo goed om het wel te doen”, zegt ze. „Vanwege de eeuwigheid die komt, dat allereerst. Maar ook menselijk gezien. Ik herinner me een vrouw die ernstig ziek was en zei: „Ik moet maar snel sterven, want dit is zo lastig voor de kinderen.” Haar begeleider in het hospice stelde voor: „Schrijft u anders eens een brief aan hen.” Toen heeft de vrouw vijf brieven gedicteerd. „Deze mogen na mijn overlijden aan mijn kinderen gegeven worden”, zei ze. En daarna: „Maar dit wil ik eigenlijk zelf met hen bespreken!” Met elk van haar vijf kinderen heeft ze nog een mooi gesprek gevoerd – en de zinloosheid van ”ik moet maar snel sterven” was weg.”

Die lezingen geven Joke Overeem veel voldoening, nu ze met vervroegd pensioen is. Ze geeft ze voor mensen zoals die oude vrouw die, aan het begin van een lezing over palliatieve sedatie, bondig aangaf: „Ik heb ermee te maken gehad maar ik wil er niks over vertellen.” Na de lezing „stroomde ze over”, vertelt Overeem. „Ze zei: Ik heb mijn man jarenlang thuis verpleegd – en toen hebben ze palliatieve sedatie toegepast en opeens was hij weg.” Voor de rouwverwerking helpt het om te weten hoe iets als palliatieve sedatie precies in zijn werk gaat.”

U bent nog altijd betrokken bij het wel en wee in de zorgsector. Waarom koos u ervoor om eerder te stoppen met werken?

„In 2018 had ik precies 40 jaar gewerkt. Mijn ouders kwamen in Barneveld wonen, vanuit Katwijk, en ik had best een intensieve baan. Toen dacht ik: nu draaf je voor de hele wereld, maar thuis bén je er niet. Nu ben ik meer thuis, samen met mijn man, en kan ik voor mijn ouders mantelzorger zijn. Elke week ga ik boodschappen doen met mijn moeder en drinken we thee met elkaar.”

In het hospice werkte u sinds 2009. Wat deed u voor die tijd?

„Van kinds af aan wilde ik al de verpleging in. Maar na de havo, op mijn zeventiende, ging ik eerst werken bij de Jeugdbond van de Gereformeerde Gemeenten. Het was daar zo gezellig dat ik er zes jaar gebleven ben – zes prachtige jaren. Ik deed er onder andere de administratie van de Daniël. En ik ging mee met jeugd- en gehandicaptenkampen. Dat herinnerde me eraan wat ik eigenlijk wilde: de zorg in. Dus startte ik met de opleiding tot verpleegkundige. Zo kwam ik terecht in het Diaconessenhuis in Leiden, en later in het LUMC, waar ik op kinderneurologie heb gewerkt. Het werk vond ik mooi – en aangrijpend, door de ernstige ziektebeelden bij de kinderen.

Na vierenhalf jaar ging ik de managementkant op. Ik werd zorgmanager bij ouderen, in Amerongen, waar vroeger de zendingsdiaconessen zaten.”

Van kinderen naar ouderen – waarom?

„Het is niet zo anders als het lijkt. Toen ik met kinderen werkte, had ik te maken met bezorgde ouders. In de ouderenzorg kreeg ik te maken met bezorgde kinderen. Iedere zorgvrager, of dat nu een kind of een volwassene is, heeft een kring om zich heen – en het is altijd belangrijk om die betrokkenen goede informatie te geven, gesprekken met hen te voeren en zorgen serieus te nemen.

In Amerongen konden we ook een hospice starten. Er was een vleugel vrij voor palliatieve terminale zorg. Dus hebben we De Wingerd opgezet, samen met andere organisaties.”

En later kwam het hospice in Nunspeet.

„Tussendoor heb ik nog gewerkt bij Cedrah, waar ik leidinggaf aan de locatiemanagers, en daarna bij thuiszorgorganisatie Agathos. Overal heb ik veel geleerd en alles kwam later weer van pas.

Toen ik op 1 oktober 2009 in Nunspeet begon, was er een actief bestuur maar nog geen gebouw. Het startsein om te gaan bouwen was net gegeven, de eerste contouren stonden er; de organisatie moest nog worden opgezet. Dus gingen we aan de slag: wat hebben we nodig? Wat is het projectplan? Pionieren, iets opzetten, organiseren: daar wachtte alweer prachtig werk.

Er was wel weerstand, in de omgeving. „Komt er zo’n christelijk huis waar euthanasie niet is toegestaan...” Dat is waar: euthanasie is niet mogelijk in De Regenboog. Maar in gesprekken maakten we duidelijk –en we lieten het met elkaar zien– wat we wel doen.”

Dus persoonlijk praten helpt, bij weerstand?

„Praten – en ruimte geven. Niet als kunstje. En tegelijk duidelijk zijn. Ik hou zelf van duidelijkheid. Misschien een beetje té – maar ik gaf altijd aan: dit zijn de grenzen. Dit zijn wij, dit doen wij, en we willen de beste zorg geven die er is.

Er was eens een mevrouw bij wie ik op huisbezoek ging. De huisarts had me dat gevraagd. „Want ze slaapt niet meer, is zo ziek, heeft enorme wonden. Het hospice zou een betere plek zijn voor haar”, zei hij. Zij had al contact met de Levenseindekliniek.

Ik ging met haar praten. Ze vroeg: „Maar euthanasie mag toch niet bij jullie?” Ik zei: „Nee, dat niet. Maar heel veel mag er wel.” Ik stelde voor dat ze een tijdje bij ons zou komen logeren. Zodat we de pijn goed in kaart konden brengen en de pijnmedicatie hierop afstemmen.

„Oh”, zei die mevrouw. „Heb je plaats?”

„Morgen kunt u komen”, zei ik. Ze is gekomen.

„Dan gaan we over twee weken evalueren, zodat u weer naar huis kan”, zei ik. Dus ik na twee weken naar haar toe.

„Ik was al bang dat je zou komen”, zei ze. „Ja, want ik wil niet meer weg.”

We hadden altijd zulke mooie gesprekken met haar, en onze verpleegkundigen en vrijwilligers waren echt dol op haar.

„Ik wil eigenlijk wel blijven”, zei ze. „Maar mag ik dan contact blijven houden met de Levenseindekliniek?” Dat dit mocht, en dat het onderwerp überhaupt bespreekbaar was, gaf haar veel rust. Uiteindelijk is ze twee maanden gebleven en is ze in het hospice overleden. Euthanasie is niet nodig geweest.

Zij heeft intensieve wondverzorging nodig gehad, werkelijk waar – in zo’n situatie, met zo veel pijn, wordt een euthanasiewens voor mij invoelbaar.”

Ging u in zulke situaties niet twijfelen aan uw eigen euthanasiestandpunt?

„Nee, daar heb ik nooit aan getwijfeld. Omdat dit vastligt in de Bijbel – dat is voor mij in ieder geval heel duidelijk. Waarbij ik het wel kan invoelen dat het leven met zo veel pijn erg moeilijk kan zijn.”

Hoe helpt het christen-zijn in de praktijk, als je bij een stervend mens staat?

„In de eerste plaats stond ik daar als betrokken professional. Je bent er, samen met het team, om de beste zorg te bieden die mogelijk is. Vierdimensionale zorg geef je, gericht op het lichamelijke, psychische, levensbeschouwelijke en sociale. Waarbij je kunt stellen dat wij extra oor en oog en hart hadden voor het levensbeschouwelijke aspect.

Als iemand pijn heeft, dan is adequate pijnbestrijding nodig, daar moet je alles op inzetten. Bij benauwdheid doe je alles wat er in je vermogen ligt om te doen, samen met het team, waar ook een arts bij betrokken is. Een hospice is geen kerk, geen evangelisatie-instituut; het is een organisatie die zorg verleent aan mensen.

Het christen-zijn, ja, waarin komt dat tot uiting? Eigenlijk zit het door alles heen. We lazen uit de Bijbel en baden aan tafel. Maar wie daar niet bij wilde zijn, kon gewoon naar zijn kamer gaan. Daar lazen we niet – tenzij iemand het juist vroeg. En zingen, hè – we zongen ook veel met de mensen als ze dat op prijs stelden.

We probeerden altijd een extra antenne te hebben voor vragen rond zingeving en als het mogelijk was te wijzen op het Lam van God, Dat de zonden der wereld wegneemt.”

Kun je in zo’n situatie de dood als barmhartig gaan zien?

„Soms kun je dat wel zeggen... Soms kan het een opluchting zijn als de dood er is, omdat er een einde komt aan een lijden.

Maar als christen denk je dan altijd weer – wat komt er daarna? Dát vind ik wel het moeilijke. Vaak hoorde ik: „Het is beter zo, hè.” Als ik weet dat iemand beter af is, kan ik dat hartgrondig beamen. Maar als ik dat niet weet, antwoord ik maar neutraal. Want ik weet niet of het beter is. Dit is een moeilijk ding; dat krijg ik niet klein.

Ik probeerde het los te laten: wij gaan er niet over – je kunt hooguit proberen iets uit te stralen, voor te leven, en daarin iets van de christelijke hoop te laten zien.

Staan bij een stervende maakt je bescheiden, ja. En afhankelijk. Bescheiden en afhankelijk, want wie zijn we eigenlijk – in het licht van de eeuwigheid, van de dood?

Ik zag eens een rouwkaart waarop stond: ”Optimist tot in de kist”. Ja, daar kan ik niet aan wennen. Aan de dood mag je nooit wennen, ook niet in een hospice. Het blijft de laatste vijand, zoals de Bijbel zegt. De dood bepaalt je steeds weer bij wat nodig is in leven en sterven, dat het nodig is om bereid te zijn. We maken een enkele reis, dat benadrukt de ernst.”

U bent een bestuurder, een regelaar – maar tegelijk staat u dicht bij de mensen. Dat is niet per se waar bestuurders om bekendstaan.

„Ik vind altijd dat je zaken goed voor elkaar moet hebben en goed moet organiseren. Maar de mensen om wie het gaat, zijn leidend, die staan centraal. Hier is een mens die hulp nodig heeft – wat is er nodig en hoe gaan we dat regelen? Zo kijk ik. Soms kon ik dan bij wijze van spreken zeggen: eerst helpen, later zien we wel hoe het met de financiële stromen gaat. Als de lijnen kort zijn en de contacten laagdrempelig, kan er zo veel.

Ik zeg er direct bij: het hospice was een kleinschalige organisatie. Maar ik zal het je te doen geven als je manager bent van honderden personeelsleden, met krappe budgetten en personeelsschaarste – nou, alle respect hoor. Ik wil het werk ábsoluut niet versimpelen. Als een grote organisatie iets mist, kan dat miljoenen kosten.

Zelf ben ik trouwens helemaal geen fusiemens, waarbij het groot, groter, grootst moet. En ook in fusiesituaties geldt: op de locatie moet je het maken.

Overigens, nu het over managers gaat: bij mij zijn ook dingen níét goed gegaan. Dingen waarvan ik achteraf zeg: dat had ik anders moeten aanpakken.”

Iets heel anders... Voor je het weet, dreigt refo-entertainment, zei u pas. Bij mooie foto’s en grote artikelen in magazines bijvoorbeeld. Wat bedoelt u met refo-entertainment?

„Ik moet dat een beetje toelichten... want ik houd ook van mooi vormgegeven bladen, zeg ik eerlijk, en ik hoor zelf bij de gereformeerde gezindte. Het gevaar is volgens mij dat we zo bezig zijn met zelfontplooiing. We willen het gezellig hebben, op vakantie gaan... Ik zeg niet dat alles verkeerd is, maar het is allemaal wel erg gericht op het individu en op het hier en nu. We hebben hier geen blijvende stad.

Tussen 1992 en 2007 heb ik veel gereisd voor Friedensstimme; ik ben in landen geweest waar de mensen vervolging en verdrukking hebben meegemaakt. Het viel me op dat zij zo uitzagen naar de wederkomst. Ze verwachtten de Heere.”

Hoe was dat te merken?

„Aan hun hele levenshouding... Ooit was ik bijvoorbeeld in een kinderkamp dat werd georganiseerd door lokale christenen. De mensen moesten hard werken voor hun brood. Maar voor de dienst van de Heere gaven ze veel. Vrouwen stonden hele dagen te koken. Offers werden er gebracht. Tijden werd er gespaard; suiker en andere levensmiddelen werden apart gezet – allemaal om die kinderen maar een goede week of twee weken te kunnen geven.

Er was een voorganger met een groot gezin die, ’s morgens om vier uur voordat hij ging werken, eerst bij het bedje van elk kind knielde om te bidden voor die dag. Diepe ernst, die proefde je gewoon.

Op een avond vertelde hij in zo’n kamp een verhaal; hij ging steeds zachter praten, zodat iedereen ingespannen zat te luisteren. Opeens klonk er lawaai: trompetgeschal! Christelijke jongeren uit de omgeving kwamen met hun trompetten naar het kamp toe. De voorganger zei: „Zo zal het zijn als de Heere terugkomt. En ben je dan bereid?” Dat was dan de les.

Zulke geestelijke lessen maakten ze op allerlei manieren concreet. Ik denk aan een waterparcours, waarbij het de kunst was om zo veel mogelijk water in je bakjes te houden. „Je bent kostbaar water aan het vermorsen – oftewel: verspil je kostbare genadetijd niet. Want de Heere komt”, was dan de boodschap.

Met Stepan Germanjuk –een oude voorganger die ooit gevangengezeten heeft– ben ik eens van dorp naar dorp gereisd in Oekraïne. Overal waar hij kwam, stroomden de huizen leeg omdat de bewoners hem wilden horen. Ze zagen daar niet vaak een voorganger. Elke avond was er kerk, uren bleef hij preken. Tot diep in de nacht bleef hij met die mensen praten over hun problemen, over zorgen in het gezin. Zó bevlogen. Dat vergeet ik nooit.”

Joke Overeem-Prins

Joke Overeem-Prins werd geboren in 1960 in ’s-Gravenzande. In 2007 trouwde ze met weduwnaar Hans Overeem, oud-voorzitter van de RMU.

Ze werkte als verpleegkundige in de zorg en later in verschillende managementfuncties. Van 2009 tot 2018 was ze directeur van hospice De Regenboog in Nunspeet. Na haar prepensioen bleef Joke Overeem betrokken bij de zorg: op dit moment zit ze bijvoorbeeld in de raad van toezicht van RST Zorgverleners. Via de NPV – Zorg voor het leven geeft ze lezingen en trainingen.

Bij Stichting Friedensstimme is ze sinds de oprichting in 1979 vrijwilliger. De stichting ondersteunt christenen in de voormalige Sovjet-Unie bij evangelisatie- en zendingsactiviteiten.