Het gevoel van Zwitserleven voorbij

Senioren
beeld ANP

Voor de uittredende babyboomers bedacht verzekeraar Zwitserleven de term Zwitserlevengevoel. Toekomstige senioren kunnen daar weinig mee. Alle vormen van vervroegd vertrek zijn vervangen door een harde en stijgende pensioendatum. „Vooral voor de laagopgeleiden zal het slot van de loopbaan met steeds meer getob gepaard gaan.”

In stevig tempo fietst hij door het coulisselandschap van de Achterhoek, genietend van de zon, zijn vrouw aan zijn zijde. Veel energie kost het niet, want de elektrische ondersteuning staat op de hoogste stand. Als ze gaan lunchen kan hij de accu opladen. In de trendy fietstas zit een extra exemplaar, voor het geval de andere het begeeft. „Regeren is vooruitzien”, is zijn devies.

Onder de maaltijd hebben ze alle tijd om bij een goed glas wijn het reisje naar Egypte te bespreken. Het zou leuk zijn als ook Karel en Jannie weer meegaan. Die hebben ze door een bootreis over de Moezel leerden kennen. En ze moeten niet vergeten Piet en Karin tijdig te melden dat ze twee donderdagen niet op de kleinkinderen kunnen passen.

In de fietstas van Ingrid zit Plus Magazine, hét blad voor senioren. Als ze straks de koffie met appeltaart nuttigen, willen ze de reportage over Egypte bekijken, om vast in de stemming te komen. Vanavond zal hij het artikel over slim schenken aan de kinderen nog een keer doornemen. Hij geeft zijn geld liever tijdig aan zijn kroost dan aan de fiscus. Ondanks zijn vervroegde uittreden, zoals bijna al zijn leeftijdgenoten deden, heeft hij het prima. Ze behoren tot de ”lucky generation”, beseft hij. Maar ja, ze hebben er ook hard voor gewerkt.

Zwitserleven

Voor ds. J. Westland (75) is het een herkenbaar plaatje. Niet dat het op hem persoonlijk van toepassing is, maar hij zag en ziet het wel in zijn omgeving. Verzekeraar Zwitserleven bedacht voor de leefwereld van vroeg uitgetreden, vitale en financieel gegoede senioren niet voor niets de term Zwitserlevengevoel. Het werd een begrip, dat iedereen associeert met genieten van het goede leven. Veel Nederlanders weten niet eens dat er een verzekeraar achter zit.

De emerituspredikant uit Putten publiceerde in maart het boekje ”Goed en zinvol leven”, met als ondertitel ”Levenswijsheid, deugd en geluk in bijbels perspectief”. Een gezindheid die je de tegenhanger van de spreuk van Zwitserleven zou kunnen noemen. Daar voelt de hervormd-gereformeerde predikant zich niet bij thuis. Hij had de mogelijkheid om op 62-jarige leeftijd met de vut te gaan; in plaats daarvan nam hij als 63-jarige het beroep naar Houten aan. „Ik mocht nog gezond zijn, dan ga je niet voor twee jaar naar zo’n gemeente. Het werd vijf jaar.”

Het formele emeritaat was aanleiding tot bezinning. Niet op wat hij allemaal nog zou gaan doen, maar over dat wat achter hem lag. „Wie ben je in die veertig jaar geweest; wat heb je gedaan? Hoe vaak bedoelde je werkelijk de Heere, hoe vaak ging het meer om jezelf? Uiteindelijk overheerste de dankbaarheid. De wetenschap dat wat gedaan is uit liefde tot Jezus, zal blijven.”

Emeritus

Als emeritus ging ds. Westland in iets tragere gang gewoon verder. Eerst in de destijds vacante gemeente in Amersfoort, waar hij eerder predikant was geweest. Vervolgens in zijn woonplaats Putten. „Hier verleen ik nog steeds bijstand in het pastoraat. Dat is míjn leven. Zinvol leven is een leven tot eer van God. Dat is tegelijk een gelukkig leven.”

Ook het maken van reizen, om te genieten van Gods schone schepping, kan tot eer van God zijn, nuanceert de bejaarde predikant. „We passeren een Bijbelse grens als het genieten een doel op zich wordt. Dat is een valkuil in onze welvarende samenleving, ook voor christenen. Het valt me op hoe vaak mensen tegen elkaar zeggen: „Geniet ervan!” Alsof dat het hoogste goed in het leven is. Het mogen genieten wordt dan een moeten genieten en de notie van de dienstbaarheid en de dankbaarheid verdwijnt.”

Arbeid is in de optiek van de auteur van ”Goed en zinvol leven” zowel een roeping als een voorrecht. De gedachte dat het arbeidzame leven een soort celstraf is met de pensioendatum als poort naar de vrijheid, is hem vreemd. „Waarbij ik me realiseer dat er beroepen zijn die op oudere leeftijd zwaar gaan drukken. Ook op dit terrein moet je voorzichtig zijn in het oordelen. Dan heb ik het nog niet over individuele verschillen. De een kan lichamelijk en psychisch meer aan dan de ander. Tegen iemand die na zijn pensionering geen werk meer verricht, zal ik niet zeggen: „Jij zit maar te genieten en doet verder niks.” Zelf zou ik niet moeten denken aan een leven van enkel fietsen, vakantiehouden of rondzwerven met een caravan.”

Regelingen

Teus Brand (58), werkzaam bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten in het UMC Amsterdam en bedrijfsarts bij Arbo Unie Europoort, kijkt er net zo tegen aan. „Arbeid is een Bijbelse opdracht. Bovendien zijn er tal van positieve aspecten aan verbonden. Denk aan het contact met collega’s, om er maar één te noemen.”

Toen hij in 1992 in het Rotterdamse havengebied als arts aan de slag ging, was het daar regel dat 57-jarigen afscheid namen. „Ik vond dat heel normaal. Je wist niet beter. Mensen die met hun zestiende begonnen waren, gingen op 52-jarige leeftijd al met een goed pensioen naar huis. Om leuke dingen te gaan doen, zoals ze dat noemden. Een deel vertoonde slijtageverschijnselen, omdat ze in de jaren na de oorlog stevig moesten aanpoten, maar de meesten waren nog behoorlijk vitaal.”

Kijkt hij erop terug, dan vindt hij het een wonderlijke situatie, die intussen radicaal is veranderd. Ook voor Rotterdamse havenwerkers en operators in de chemische industrie ligt de huidige pensioenleeftijd rond de 66 jaar en stijgt die jaarlijks geruisloos met één of meerdere maanden. „Een hard gegeven, terwijl de oude pensioengrens zo zacht als boter was. Allerlei regelingen maakten het mogelijk om onder financieel aantrekkelijke voorwaarden eerder uit te stappen. Die regelingen zijn allemaal afgeschaft, net als de extra vrije dagen voor de oudere werknemers.”

Doorgeslagen

De slinger is doorgeslagen, vindt Brand. „Ik vraag me af of mensen van de nieuwe generatie het volhouden om tot hun 71e jaar of nog langer door te werken. Met de huidige arbeidsomstandigheden acht ik dat in bepaalde beroepen bijna onmogelijk. Te meer daar de eisen die aan werknemers worden gesteld nog steeds stijgen.”

De beroepsziektenspecialist maakt zich vooral zorgen over het laagopgeleide deel van de bevolking. Het verschil in levensverwachting tussen hoog- en laagopgeleiden is zeven jaar, het verschil in als goed ervaren gezondheid zo’n 18 jaar. „Vooral voor de laagopgeleiden zal het slot van de loopbaan met steeds meer getob gepaard gaan”, verwacht Brand. Ook een deel van de hoogopgeleiden zal het moeilijk krijgen. „Neem het onderwijs. Oudere docenten hebben gemiddeld genomen moeite met het levenstempo van de jongeren en redden het niet meer om de orde te handhaven.”

Als het aan de Rotterdamse bedrijfsarts ligt, komen er betere voorzieningen voor mensen die door hun lichamelijke of psychische conditie de mars niet tot het eind toe volhouden. „Die worden nu geconfronteerd met een grote inkomensval, tenzij ze een forse financiële buffer hebben opgebouwd. Dat geldt maar voor een zeer kleine groep, want niemand voorzag dat de situatie zo snel zou veranderen. Bij de jonge generatie is sparen voor de oude dag een ver-van-mijn-bed-show.”

Verantwoordelijkheid

Het besef van eigen verantwoordelijkheid mag in de optiek van Brand wel wat toenemen. „We waren in dit land gewend dat de overheid alles voor je regelde. Dat is echt voorbij.” Een van de mogelijkheden om zonder uiterste inspanning de eindstreep te halen, is vrijwillige demotie met aanpassing van salaris. Of aanpassing van de werkduur; op eigen kosten of via een regeling waaraan de werkgever bijdraagt. Een derde optie is het naar voren halen van het pensioen, waardoor het uitgekeerde bedrag wel fors omlaag gaat. En gedurende de periode tot de AOW-leeftijd ook nog eens belasting over het pensioenbedrag moet worden betaald. „Dat zou de overheid moeten aanpassen”, vindt Brand. „Dan zijn mensen die het niet meer trekken sneller bereid om vroeger met pensioen te gaan.”

Ds. Westland vindt het niet meer dan reëel dat senioren het wat kalmer aan kunnen doen, zeker na hun pensionering. „In de Bijbel lees je over oude mannen die onder hun vijgenboom zitten. Ik zeg er meteen bij dat ze daar vaak zaten om raad te geven. Ouderen kunnen hun omgeving dienen met hun levenservaring en levenswijsheid. Als gepensioneerde heb je ook meer tijd om dienstbaar te zijn binnen de christelijke gemeente. Er is genoeg te doen.”

Een treffend voorbeeld is voor de emerituspredikant een vrouw op leeftijd in zijn omgeving die zich heeft ontfermd over een hoogbejaard echtpaar met allerlei lichamelijke gebreken. Daarin staat ze niet alleen. „In het algemeen zie ik, zeker op de Veluwe, nog een sterke betrokkenheid op elkaar. Wat dat betreft ben ik zeker niet negatief gestemd over de houding van de senioren.”

Voorrecht

De stijging van de pensioenleeftijd beschouwt de predikant als een feit waaraan niet valt te ontkomen. „Destijds is voor 65 jaar gekozen op basis van de levensverwachting en vitaliteit van de ouderen van toen. Als de eindgrens opschuift, is het logisch dat ook de pensioenleeftijd wordt verhoogd. Dat is heel lang niet gebeurd. De feitelijke leeftijd waarop mensen uittraden ging zelfs omlaag, vanwege het overschot op de arbeidsmarkt. Nu worden we geconfronteerd met een inhaalmanoeuvre. Dat lijkt me reëel. Wel ben ik een voorstander van differentiatie. Er zijn vormen van arbeid die je moeilijk vijftig jaar kunt volhouden.”

Zijn leeftijdgenoten adviseert de predikant om zo veel mogelijk mee te gaan met nieuwe technische ontwikkelingen en interesse te blijven tonen. „Anders geef je de jonge generatie terecht de indruk dat je uit de tijd bent. Niet dat je hijgerig achter elke nieuwe ontwikkeling aan moet lopen, maar de bereidheid om te blijven leren bevordert de aansluiting bij de jongere generatie. Zelf geef ik leiding aan een theologische leeskring, waar we actuele theologische boeken lezen. Dat houdt je geest actief. Ik ervaar deze levensfase zeker niet als deprimerend. Mijn toekomst, die ik veilig mag weten bij de Heere, ligt over de grens. Maar zolang ik hier ben, beschouw ik het als mijn plicht én als een voorrecht om te doen wat mijn hand vindt om te doen.”