„Keuze voor refo-school moet vanzelfsprekend zijn”

Vrijheid van onderwijs
Nationale herdenkingsdienst 100 jaar vrijheid van onderwijs. beeld Martin Droog
7

„De vanzelfsprekendheid dat ouders uit onze achterban voor een reformatorische school kiezen, is voorbij. De gemiddelde ouder is kritischer; gedraagt zich meer als consument. Zo infecteert de samenleving ons.”

Drs. L. N. Rottier, bestuurder van Driestar educatief, zei dat woensdagavond in de Sint Janskerk in Gouda tijdens de Nationale herdenkingsdienst 100 jaar vrijheid van onderwijs. „De bijzondere school kan alleen een levende gemeenschap zijn als ze door een groep uit de samenleving wordt gedragen. De betrokkenheid van ouders moet groter worden. Onze vrijheid is alleen gelegitimeerd als ouders erop betrokken zijn.”

De invloed van het algemene denken blijkt volgens Rottier ook uit het carrièredenken, de drang tot zelfontplooiing. „De vraag wat onze plaats in de samenleving is waar we God het best kunnen dienen, raakt op de achtergrond in school- en beroepskeuze.”

De komende jaren zijn heel veel nieuwe leraren nodig, zei Rottier. „We zitten echt te wachten op begaafde en gemotiveerde jongeren en ouderen. Luther zei dat na predikant onderwijzer het mooiste beroep is.”

„De gelijke bekostiging van openbaar en bijzonder onderwijs heeft ons veel zegen gebracht”, zei Rottier. „Wie in het buitenland ziet dat christelijk onderwijs ontbreekt of heel armoedig is ingericht, komt onder de indruk van de voorrechten die we in Nederland hebben.”

De samenleving begrijpt steeds minder wat christelijke scholen bezielt, signaleerde Rottier. „Het kan niet anders of dat leidt tot spanning. Reformatorische scholen moeten daarom vaker en beter verwoorden wat ze beogen. Binnen de veiligheid van een zekere beslotenheid is het onze opdracht leerlingen toe te rusten voor het leven in een niet-christelijke omgeving: burgerschap; de eigen mening vasthouden en onder woorden brengen, respectvol en zelfbewust, bewogen met de wereld om ons heen.”

De scholen moeten niet alleen worden gekenmerkt door „een eigen sfeer met de Bijbel”, maar dienen hun levensbeschouwing pedagogisch en didactisch te vertalen, zei de Driestarbestuurder. De aanhoudende overheidsdiscussie over het toelatingsbeleid dringt scholen tot grote aandacht voor het personeelsbeleid.

Schoolstrijd

Christelijke scholen zijn het aan zichzelf verplicht de geschiedenis van de schoolstrijd in hun onderwijsprogramma op te nemen, zei SGP-Kamerlid dr. R. Bisschop. De schoolwet van 1806 regelde feitelijk staatsonderwijs. De gewetensvrijheid van ouders werd aangetast. De Kampense oefenaar D. Hoksbergen wees op het belang van eigen scholen. Meester Gangel uit Appeltern gaf op de openbare school christelijk onderwijs, totdat tegenwerking het onmogelijk maakte. Groen van Prinsterer –„hij was wel degelijk een staatsman, maar in de eerste plaats een Evangeliebelijder”– verdedigde met overtuiging het „regt van de gezindheden” om eigen scholen te stichten, zodat ouders kunnen opvoeden „gelijk met den eisch van het Kerkgeloof en van het geweten overeenkomt.” Pas bij de gelijke bekostiging in 1917 was de dominantie van het staatsonderwijs de pas afgesneden.

Bisschop wees op de buitenlanders die in Nederland op werkbezoek komen om kennis te nemen van ons unieke onderwijsstelsel. „Van links tot rechts erkennen de collega’s in de Tweede Kamer de waarde van de vrijheid van onderwijs. Tegelijkertijd moet je alert zijn op uitholling van binnenuit. Artikel 23 heeft onderhoud nodig, zegt men dan. De overheid legt verplichtingen op wat betreft de onderwijsinhoud. Er wordt gewrikt aan het toelatingsbeleid. Het vraagt alertheid, zodat ook voor onze kleinkinderen de vrijheid van onderwijs er nog zal zijn.

Blijf de waarde van het reformatorisch onderwijs onderstrepen en onderken de ondermijnende krachten. We moeten waakzaam en dienstbaar zijn.”

Gebed

„Er is wat gestreden, er is wat gebeden”, zei W. B. Kranendonk, voorzitter van de Werkgroep Vrijheid van Onderwijs 1917/2017. Hij overhandigde het eerste exemplaar van een lees- en kijkboek over de geschiedenis van het reformatorisch onderwijs aan de auteurs, dr. L. D. van Klinken en drs. D. Vogelaar. Uit zijn jeugd in Ridderkerk herinnerde Kranendonk zich Anna Flach. „Ze zei dat ze elke dag voor de meesters bad. Ook over zulke mensen gaat dit boek.”

Kranendonk wees erop dat in 1934 bij de herdenking van 25 jaar financiële gelijkstelling vergadercentrum Tivoli in Utrecht uitpuilde. De belangstelling voor de huidige herdenking laat te wensen over. „Het past ons Gods goedheid te gedenken”, zei ds. H. A. van Zetten, voorzitter van de VGS. „Niet eindigen in de deugdelijkheid van onze eigen scholen, maar Gods deugden bezingen, Zijn trouw en goedertierenheid. Is niet gebleken dat Hij alle dingen regeert? Dan hoeven we voor de toekomst niet overbezorgd te zijn.”

Heimwee

Terugzien zou in verootmoediging moeten gebeuren, zei de predikant uit Benthuizen. „Wij hebben het verzondigd en verknoeid. Hebben we één keer Gods eer bedoeld?” Ds. Van Zetten wees erop hoeveel schoolkinderen in Nederland niet elke dag met Gods Woord beginnen.

„Wat kun je soms heimwee hebben naar het ideaal van Groen van Prinsterer: de openbare school met de Bijbel”, zei Kamerlid Bisschop. „Wat zou het een zegen zijn voor de kinderen, en voor de samenleving als geheel, als ze in hun opvoeding allemaal in aanraking zouden komen met de boodschap van zonde en genade, van Gods zegenrijke geboden. Dat ideaal lijkt verder weg dan ooit. Maar mag de bede zijn dat de vrijheid van onderwijs behouden blijft tot zegen van de komende generaties, tot eer van God en tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk. Getrouw de hand aan de ploeg slaan, uitziende naar Zijn wederkomst. Maranatha.”