Deetman: Artikel 23 stelt gewetensvrijheid centraal

Vrijheid van onderwijs
V.l.n.r. Deetman, Bisschop en Toes. beeld Cees van der Wal

Het waarom van de keuze van ouders voor een bepaalde school? Daar heeft de overheid niets mee te maken. Met de keuze van een school voor bepaalde leermiddelen? Ook niet.

Drs. W. J. Deetman was er zaterdagmorgen tijdens de jaarvergadering van de reformatorische scholenorganisatie VGS glashelder over: „De overheid moet zich daar niet mee bemoeien.”

De oud-minister van Onderwijs sprak over een eeuw gelijkberechtiging van openbaar en bijzonder onderwijs. „De overheid mag niet heersen over het geweten van zijn onderdanen, dát is de kern van artikel 23 van de Grondwet”, stelde hij. „Dat gaat terug op de Unie van Utrecht (1579) en het Plakkaat van Verlatinghe (1581).”

Al sinds Thorbecke is er een stroming in het liberalisme die vindt dat openbaar onderwijs de norm moet zijn, signaleerde Deetman. „De Grondwet gaat echter uit van de vrijheid van richting, stichting en inrichting.”

Als een politicus er zijn verwondering over uitspreekt dat ondanks de secularisatie nog altijd tweederde van de kinderen naar het bijzonder onderwijs gaat, is dat „paternalisme uit de negentiende eeuw”, zei de oud-bewindsman. „Daar heeft de overheid niets mee te maken”, stelde ook SGP-Kamerlid Bisschop.

Scholen moeten volgens Deetman wel duidelijk zijn over hun kleur en richting, anders roepen ze twijfels op over hun bestaansrecht.

Richtingvrij plannen

Deetman verwees naar een advies van de Onderwijsraad uit 1985 dat hij als minister overnam. „We besloten islamitische scholen op het scholenplan te zetten omdat ze niet op nationaliteit, maar op levensbeschouwing zijn gebaseerd. Wel onder de voorwaarde dat ze aan de deugdelijkheidseisen zouden voldoen.”

Dr. R. Toes, lid van de Onderwijsraad, stelde dat deze raad in 2012 positief was over het loslaten van het richtingenbegrip als stichtingsnorm voor scholen, maar dat men daar in 2016 veel kritischer over oordeelde.

Het oordeel uit 2012 was volgens Deetman „op drijfzand gebaseerd.” Een school stichten op grond van pedagogische ideeën is allang mogelijk, zei hij met een verwijzing naar onder meer de Vrije School en het Montessori-onderwijs. „Het woord richting heeft dus een andere lading dan zoals het tegenwoordig vaak wordt gebruikt. De richting is eenvoudigweg welke richting een school uit wil.”

Kamerlid Bisschop wees op de risico’s van richtingvrij plannen: „De overheid vraagt dan een onderwijsplan dat veel verder gaat dan deugdelijkheidseisen. Dus je legt een ideologische toets aan, waarbij de overheid beoordeelt welk onderwijs goed is.”

Het huidige onderwijsstelsel is deugdelijk, stelde Deetman. Het recente oordeel van de Raad van State dat het wetsvoorstel om de samenwerkingsschool mogelijk te maken –dat ter goedkeuring bij de Eerste Kamer ligt– in strijd is met de Grondwet, noemde Deetman, die zelf staatsraad was, „heel hard. Het is echt uitzonderlijk dat de Raad van State zo’n oordeel uitspreekt.”

Eigen keuzes

Van de vrijheid van inrichting kunnen scholen meer gebruikmaken dan ze nu vaak doen, vindt de vroegere onderwijsminister. „Maak eigen keuzes in leermiddelen; daarin staat u –wettelijk gezien– sterk.”

„We moeten het lef hebben die keuzes te maken”, beklemtoonde ook Toes. „Laten we daarvoor overtuigender de ruimte zoeken, en die ruimte is groter dan we vaak denken. We moeten ons minder op sleeptouw laten nemen als het accent wordt gelegd op meten en opbrengstgericht werken. We maken van docenten een soort outputcomputers. We moeten niet bang zijn voor de lijstjes van Trouw en Elsevier.”

Als opbrengstgericht werken wordt opgelegd, is dat een slinkse manier om de vrijheid van onderwijs in te perken, zei Bisschop. De SGP-fractie wil erop inzetten dat de administratieve werkdruk van leraren vermindert.

De vele regels waaraan scholen moeten voldoen, kunnen de vrijheid volgens Deetman sluipenderwijs aantasten. De overheid zou ook niet moeten regelen hoe gezag en medezeggenschap binnen de school geregeld zijn. Van een acceptatieplicht van leerlingen wil Deetman evenmin weten. „Via de medezeggenschap kun je een beweging krijgen waarbij ouders proberen de richting van een school te veranderen.”

Nieuwe structuur

Per 1 oktober vorig jaar vertrok A. C. Prins als lid van het college van bestuur van de VGS. Besloten is tot een herstructurering, waarbij alleen P. W. Moens bestuurder van de organisatie is. Het managementteam is afgeslankt van zes tot drie personen: de vier teamleiders maken plaats voor twee managers.

Ds. J. Joppe en ir. A. M. Weststrate treden terug als leden van de raad van toezicht, na de statutair bepaalde maximumtermijn van 12 jaar. Ds. R. W. Mulder en drs. I. de Muijnck werden zaterdag in hun plaats gekozen.

Bestuurder Moens riep op tot zelfreflectie: „Hoe betrokken zijn we op ons onderwijs? Is er gebed voor? Hoe dragen we bij aan de toekomst ervan?”

Hij sprak zijn bezorgdheid uit over het steeds meer ontbreken van mannelijke leraren. „Voor kinderen is het belangrijk dat ze jufs én meesters hebben.” Moens riep kerkelijke gemeenten op het werken in het onderwijs aan de orde te stellen. „Dit is onderbelicht.” Blijvende aandacht is volgens de bestuurder nodig voor de relatie tussen school, kerk en gezin.

Bloeiende school

Het christelijk onderwijs heeft alleen toekomst als de scholen hun identiteit versterken en daarover helder zijn, naar binnen en naar buiten toe, zei voorzitter ds. H. A. van Zetten. Hij wees op Psalm 72:5: „Zij zúllen U vrezen.” „Daarom heeft Bijbels onderwijs toekomst. David gunt het Salomo als koning te wandelen in het spoor van Gods Woord en Wet.”

De psalm wijst echter ook heen naar de Koning der koningen, zei ds. Van Zetten. „De vreze des Heeren bestaat uit beven, buigen en beminnen. Het is nodig dat onze kinderen leren dat er een ellendig en arm volk overblijft dat op de Naam des Heeren leert betrouwen. Het is nodig daarop gespitst te zijn: werkt Gods Geest zo in onze school? Dán heb je een bloeiende school. Als leraren dat kennen, staan ze met bewogenheid voor de klas en willen ze geen rust geven buiten de Zaligmaker, Jezus Christus. Dat werk gaat door.”

De kerk is vaak zo gezapig, lauw en flauw, zei ds. Van Zetten. Ze wordt echter door God bewaard en staande gehouden temidden van het woeden van de wereld.