RSI-patiënt heeft verslechterde weefseldoorbloeding

Illustratie Janneke Paalman

Patiënten met RSI-klachten hebben een verstoorde zuurstofopname in en doorbloeding van de onderarm, ontdekte fysiotherapeut Jaap Brunnekreef. Merkwaardig is echter dat in de niet-aangedane arm dezelfde veranderingen in de weefselcirculatie aantoonbaar zijn.

Repetitive Strain Injury (RSI), ook bekend onder de naam ”klachten armen, nek en schouder” (KANS), is een moeilijk te behandelen aandoening waarvan het ontstaans­mechanisme nog grotendeels onbekend is. Brunnekreef deed daarom onderzoek op de afdeling fysiologie van het UMC St Radboud naar mogelijke oorzaken van het ontstaan van RSI en promoveerde daar donderdag op.

Ieder jaar meldt 2 tot 4 procent van de werknemers zich ziek vanwege werkdruk en stress op het werk. Volgens TNO-onderzoek uit 2006 krijgt 15 procent van de werkenden klachten aan arm, nek of schouder door het werk. Van de beeldschermwerkers heeft 47 procent soms en 9 procent vaak RSI-klachten.

Brunnekreef: „Die klachten zijn moeilijk te behandelen. De meest geëigende behandeling tot nu toe is fysiotherapie. Helaas is die aanpak weinig effectief. Uit onderzoek van anderen bleek dat van de behandelde patiënten na vierenhalf jaar nog maar 9 procent van de patiënten klachtenvrij was. Bij 14 procent waren de klachten zelfs verergerd en bij 77 procent waren die ondanks behandeling gelijk gebleven.”

Voor de fysiotherapeut waren die gegevens aanleiding onderzoek te doen naar mogelijke oorzaken van RSI, in de hoop in de toekomst betere behandelresultaten te kunnen behalen.

Brunnekreef, van Groningse komaf, werkte tot 2008 als fysiotherapeut in het UMC St Radboud te Nijmegen. Sinds 2007 is hij onderzoeker op de afdeling orthopedie en docent op de opleiding fysiotherapie van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.

Onderzoek

Voor zijn onderzoek naar mogelijke ontstaansmechanismen van RSI selecteerde Brunnekreef zeventig patiënten met RSI-klachten en een even groot aantal vrijwilligers zonder klachten. Bij beide groepen onderzocht hij door middel van verschillende kleine experimenten de lokale spierdoorbloeding, de bloeddoorstroming in de vaten en de zuurstofopname van de spieren in beide armen. De metingen hadden plaats in rust en direct na afloop van een serie knijpoefeningen van de hand. Brunnekreef maakte daarbij gebruik van infraroodmetingen, de zogenoemde NIRS-methode (Near Infrared Spectroscopy), en echo-onderzoek.

Met de NIRS-methode werd op een niet-invasieve manier met infrarood licht de waarde van de doorbloeding en zuurstofopname in de spieren gemeten. Zuurstof hecht zich namelijk aan de rode bloedcellen.

Uit dit onderzoek bleek dat patiënten met RSI in de spieren van de onderarm een lagere zuurstofopname hebben tijdens inspanning, een lagere bloeddoorstroming in de vaten en een lagere doorbloeding na afloop van inspanning vergeleken met vrijwilligers zonder RSI. Brunnekreef: „Er is dus sprake van een verstoorde zuurstofopname en doorbloeding in de spieren van de onderarm bij patiënten met RSI.”

Dezelfde metingen deed de fysiotherapeut bij patiënten in zowel de aangedane als niet-aangedane arm van patiënten met RSI. Daaruit bleek, opmerkelijk genoeg, dat niet alleen in de aangedane, maar ook in de niet-aangedane arm sprake is van aantoonbare veranderingen in de weefselcirculatie.

Meer oorzaken

Brunnekreef heeft daarvoor nog geen sluitende verklaring. Mogelijk is er nog een onbekende factor in het spel bij het ontstaan van RSI-klachten, zegt hij. „Uit studies waarin de functie van spieren van patiënten met RSI is onderzocht komt naar voren dat er typen spiervezels zijn, type 1 en type 2.”

Type 1 spiervezels werken langzaam. Deze houden het volgens de fysiotherapeut heel lang vol. Type 2 zijn de zogenoemde sprintvezels. Die komen bij inspanning snel in actie, verzuren ook snel, waardoor vermoeidheid ontstaat. In het onderzoek van Brunnekreef werd het type spierweefsel dat sneller vermoeid raakt ook aangetoond in de benen van patiënten met RSI.

Brunnekreef: „Door een lagere zuurstofopname en een verminderde doorbloeding van de spieren ontstaat bij RSI mogelijk eerder een verzuringsproces van de spieren en als gevolg daarvan verergering van de klachten en vermoeidheid.”

De fysiotherapeut stelt dat stress ook een rol kan spelen bij het ontstaan van RSI. „Stress heeft een remmende invloed op de algehele doorbloeding omdat de bloedvaten zich vernauwen. Bij patiënten met RSI verergeren daardoor de klachten.”

Volgens Brunnekreef wordt de regulatie van de lokale doorbloeding en zuurstofopname van het spierweefsel gereguleerd door de binnenbekleding van de bloedvaten, ook wel het vasculaire endotheel genoemd. „Een verslechterde doorbloeding van spierweefsel tijdens inspanning kan daarom ook worden veroorzaakt door een verminderde functie van het endotheel”, zegt hij.

Ook dat onderzocht hij met behulp van echometingen. De verwachting was dat patiënten met RSI een lagere endotheelfunctie en een lagere bloeddoorstroming zouden hebben in de bloedvaten van de aangedane arm. „Het onderzoek bevestigde dat”, aldus Brunnekreef.

Behandeling

Maar er is nog altijd geen afdoende behandeling voor RSI, ook niet drie decennia na de intrede van de computer. Brunnekreef: „Ik denk dat we ons in de behandeling van RSI-klachten niet alleen moeten richten op de locaties van de klachten maar ons meer moeten concentreren op het hele lichaam.” De fysiotherapeut denkt daarbij aan een oefentherapie die het hele lichaam soepel moet houden en aan goede begeleiding op het werk. Ook zouden RSI-patiënten hun leefstijl moeten wijzigen. Met dat laatste doelt hij op het aanpassen van de belastbaarheid. „Patiënten met RSI-klachten gaan vaak maar door, terwijl ze vaker nee zouden moeten zeggen.”


Schrijverskramp

RSI is een verzamelnaam voor klachten van nek, schouders, arm en/of hand. Ze ontstaan als gevolg van langdurige repeterende bewegingen en een eenzijdige verkeerde houding.

De aandoening werd in 1713 omschreven als schrijverskramp (writers cramp en jaren later als occupational neuroses). Nadat in 1830 de kroontjespen en in 1868 de typemachine werden uitgevonden, ontstond een toename van de klachten. Na 1912, toen de morsecode zijn intrede deed, werd de aandoening telegrafistenkramp genoemd.

Met de komst van de computer begin jaren tachtig is er sprake van een explosieve toename van RSI-klachten.