Prof. Henk Visser, kinderarts met wereldfaam

Medische topspecialisten
Dankzij prof. Henk Visser kreeg Rotterdam de grootste academische kinderafdeling van Nederland. beeld Sjaak Verboom
3

Op 37-jarige leeftijd werd Henk Visser benoemd tot hoogleraar kindergeneeskunde aan de nieuwe medische faculteit in Rotterdam. Onder zijn leiding werd het verouderde Sophia Kinderziekenhuis het toonaangevende academische kindercentrum van Nederland. „Ik had daar unieke mogelijkheden.”

Dat hij arts en hoogleraar zou worden, lag niet voor de hand. Laat staan dat hij een zeer hoge leeftijd zou bereiken. Als kind was prof. Henk Visser (89) een kwetsbaar jongetje, vanwege de astma die hij van zijn vader had geërfd. Geregeld stond de huisarts naast zijn bed. Als hij terugblikt, heeft hij het idee dat toen zijn fascinatie voor de geneeskunde is ontstaan.

Zijn beide ouders verloren op zeer jonge leeftijd hun vader, groeiden op in armoede en hadden daardoor een minimale opleiding. „Mijn vader is terechtgekomen bij de belastingdienst en heeft zich door zelfstudie opgewerkt. Samen met mijn moeder deed hij er alles aan om mijn zus en mij te geven wat voor hen niet was weggelegd. We zijn allebei arts geworden. Na het overlijden van mijn vader vond ik het overzicht van alle kosten voor mijn studie. Dat document had hij gemaakt voordat ik startte. Voor het aanvragen van een beurs was hij te trots. Toen ook mijn zus ging studeren, is hij een eigen praktijk begonnen. Daardoor kregen mijn ouders het wat ruimer.”

Vader Visser vroeg zich wel af of Henk fysiek bestand was tegen een zwaar beroep als arts. „Hij heeft er de huisarts naar gevraagd, maar die zag geen bezwaren. Dat heeft die man goed ingeschat. Rond mijn twintigste jaar was de astma weg, rond mijn zestigste kwam die weer terug. In mijn actieve periode heb ik er nooit enige last van gehad.”

Prof. H.K.A. (Henk) Visser, emeritus hoogleraar kindergeneeskunde. beeld Sjaak Verboom

Ideale echtgenote

Voor zijn doctoraalexamen aan de medische faculteit van Groningen slaag hij cum laude, zodat hij mooie mogelijkheden had. Tot verbazing van zijn jaargenoten koos de slimme student voor de specialisatie tot kinderarts, destijds denigrerend „poppendokter” genoemd. Belangrijke inspirator was prof. J. H. P. Jonxis, de markante en internationaal bekende hoogleraar kindergeneeskunde in Groningen.

„Voor een succesvolle loopbaan zijn vier zaken essentieel”, doceert Visser. „Je moet een zekere mate van intelligentie hebben, doorzettingsvermogen, goede leermeesters en een ideale echtgenote. Die had ik alle vier.” Weemoedig toont hij een foto van zijn overleden vrouw. „Margreet en ik waren 55 jaar bij elkaar, vijf jaar geleden is ze overleden aan alvleesklierkanker. Ik mis haar nog elke dag. Ze inspireerde me, ving me op en was de rots in de branding van mijn leven.”

Promotie

Het aantrekkelijke van kindergeneeskunde was voor Visser het bezig zijn met patiënten in de jaren van hun lichamelijke ontwikkeling. „Een kind heeft een groot herstelvermogen. Daardoor kun je veel genezen. Bij ouderen is het vaak meer repareren. Bovendien vond ik het fascinerend om onderzoek te doen naar het proces van groei en ontwikkeling. Het is een absoluut wonder dat uit die ene cel die bevrucht wordt in negen maanden een prachtig kind groeit. Ook de puberteit is een heel bijzondere periode.”

Op 1 januari 1956 begon hij de opleiding bij Jonxis. „Tot mijn verbazing stelde hij voor dat ik zou beginnen met een studie op het researchlaboratorium. Daar deed ik onderzoek naar foetaal hemoglobine, de rode bloedkleurstof bij pasgeborenen die geleidelijk wordt vervangen door volwassen hemoglobine.” Het leverde onder meer een publicatie in een prestigieus Amerikaans tijdschrift op. Twee en een half jaar na de start van zijn onderzoek promoveerde hij. Opnieuw cum laude.

Boston

Na zijn registratie als kinderarts, in 1960, vertrok de veelbelovende specialist in overleg met Jonxis voor een jaar naar het Children’s Hospital in Boston. Een van de beroemdste kinderziekenhuizen ter wereld. „Daar kon ik onderzoek gaan doen op het gebied van de endocrinologie, dankzij een Amerikaanse studiebeurs. Het bekende Fulbright Fellowship Programma, genoemd naar senator Fulbright.”

Met volle teugen genoot hij van de mogelijkheden die hem in Amerika ter beschikking stonden. „In Nederland had de ontwikkeling door de Tweede Wereldoorlog vijf jaar stilgestaan. Het land lag in puin, veel universiteiten waren een aantal jaren dicht geweest, het curriculum van de medische opleiding was zwaar verouderd. Amerika was in die jaren full speed doorgegaan. In Boston ontmoette ik specialisten die ik tot dan alleen uit de literatuur kende, de koplopers.”

Tijdens zijn periode in Boston bracht ook Jonxis een bezoek aan het vermaarde ziekenhuis. „Daar gaf hij een voordracht over foetaal hemoglobine. Hij liet plaatjes zien uit mijn proefschrift zonder te melden dat ik in de zaal zat. Zelfs mijn naam werd niet genoemd. Zo ging dat in die tijd; professoren waren halfgoden. Ik wond me er niet over op. Wel nam ik me voor het anders te doen als ik ooit in die positie zou komen.”

Visser-Costsyndroom

Het aanbod om in Amerika te blijven, sloeg Visser af. „Margreet was zwanger van ons eerste kind; we gaven er de voorkeur aan om het in Nederland te laten opgroeien. Amerika is wel altijd mijn tweede land gebleven.”

In Nederland werd de jonge specialist de eerste kinderendocrinoloog. „Jonxis was op een aantal punten zijn tijd ver vooruit en begon hier als eerste met specialisatie in de kindergeneeskunde. De hoogleraren voor de volwassenengeneeskunde vonden dat niets, maar hij zette door. Wat mij in de endocrinologie vooral boeide, waren de groeihormonen.”

Samen met collega Wim Cost was Visser de ontdekker van een syndroom dat de naam Visser-Costsyndroom kreeg. „Het betrof een erfelijk defect in het bijnierhormoon aldosteron. Die ontdekking gaf me onder vakgenoten internationale bekendheid.”

In 1963 kreeg Visser het aanbod om geneesheer-directeur van het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam te worden, het oudste kinderziekenhuis van Nederland. Tot grote verbazing van de havenbaronnen in het bestuur sloeg hij het af, omdat zijn voorganger het wetenschappelijk onderzoek zou blijven doen. „Dat was voor mij onbespreekbaar.” Ook de benoeming tot hoogleraar in Amsterdam wees hij af, omdat de neonatologie onder de verloskunde bleef vallen. „In Boston had ik gezien dat de zorg voor vroeggeboren kinderen een essentieel onderdeel van de kindergeneeskunde zou worden.”

Hoogleraar

In 1967 kreeg de Groningse kinderarts, intussen ook lector in Groningen, alsnog wat hij wilde, door de benoeming tot hoogleraar kindergeneeskunde aan de nieuwe medische faculteit van Rotterdam. „Ik had daar unieke mogelijkheden. Een nieuwe faculteit met daaraan verbonden het Sophia Kinderziekenhuis, dat onderdeel werd van het academisch ziekenhuis. Wie krijgt zo’n kans in zijn leven?”

In het spoor van Jonxis trok Visser goede subspecialisten aan. „Bij mijn komst had ik een chef de clinique en een paar assistenten. Toen ik met pensioen ging, telde mijn staf zeventig specialisten. De kinderafdeling in Rotterdam werd de grootste van Nederland, met tal van specialistische onderafdelingen. Na mijn komst zette ik de eerste Nederlandse afdeling voor kinderendocrinologie op, en een voor die tijd zeer moderne afdeling voor neonatologie. Op dat terrein was ik actief betrokken bij het onderzoek naar voeding voor te vroeg geborenen, de temperatuurregulatie en de stofwisseling.”

Een van zijn eerste activiteiten als hoogleraar was een rondreis langs fabrikanten van medische apparatuur. „Om te soebatten of ze ook instrumenten voor kinderen wilden maken. Die waren destijds vrijwel niet beschikbaar. Zelfs geen infuusnaalden. Bij baby’s moesten we ons behelpen met een naald voor volwassenen. Chirurgisch openden we een bloedvaatje, waarna we de naald erin schoven. Nu zijn er de mooiste producten voor het hele veld van de kindergeneeskunde.”

Vaccinatie

Tijdens zijn loopbaan zag de Rotterdamse hoogleraar zowel de diagnostische als de therapeutische mogelijkheden spectaculair toenemen. „Er is geen vergelijkbare periode in de geschiedenis aan te wijzen. Ik betwijfel ook of die er opnieuw zal komen. De mogelijkheid van bloedtransfusie, de ontdekking van penicilline, de ontwikkeling van vaccins, de komst van corticosteroïden, de nieuwe beeldvormingstechnieken: het een was er nog maar net of het ander diende zich aan. De kindergeneeskunde heeft daar ten volle van geprofiteerd.”

Vooral de landelijke vaccinatie deed de kindersterfte sterk dalen. „Ik heb nog meegemaakt dat kinderen overleden door de complicaties van mazelen en kinkhoest. In 1956 brak een grote polio-epidemie uit. Duizenden mensen waren besmet, een deel van hen lag de rest van hun leven in een ijzeren long. Het Zuiderziekenhuis in Rotterdam kreeg een speciale afdeling voor deze patiënten. In ’57 zijn we begonnen met vaccinatie tegen polio. Sindsdien heeft in Nederland geen gevaccineerde persoon polio gekregen. Later zat ik in vrijwel alle commissies van de Gezondheidsraad voor nieuwe vaccins.”

Nieuwe geneesmiddelen betekenden een sprong voorwaarts voor kinderen met astma en diabetes. „De Nederlandse kinderarts prof. W. K. Dicke ontdekte dat gluten de oorzaak zijn van de ernstige darmziekte coeliakie. Het glutenvrije dieet heeft het leven van coeliakiepatiënten enorm verbeterd. In mijn jonge jaren deden we in Groningen aan de lopende band wisseltransfusies bij zogeheten rhesuskinderen. We vervingen het rhesuspositief door rhesusnegatief bloed. Dat komt vrijwel niet meer voor. Alle rhesusnegatieve moeders krijgen in de zwangerschap al antistoffen toegediend. Grote ontwikkelingen.”

Concentratie

Als jong hoogleraar pleitte Visser al voor taakverdeling in de gezondheidszorg en concentratie van specialistische zorg in topcentra. „Ook de academische ziekenhuizen hoeven niet alles te doen, zeker niet in een klein land als Nederland. Daarmee liep ik ver voor de muziek uit. Tijdens voordrachten over dit onderwerp keken de aanwezigen of ze water zagen branden.”

Van zijn eigen bestuur kreeg hij alle ruimte om subspecialisten naar Rotterdam te halen. De meesten werden hoogleraar. „Van de assistenten die ik zelf heb opgeleid, deels afkomstig uit het buitenland, zijn er 26 hoogleraar geworden. Het aantrekken, stimuleren en vasthouden van goede mensen zag ik als een van mijn belangrijkste taken. Ik was het boegbeeld van de kindergeneeskunde in Rotterdam, maar in het Sophia deden we het als team.”

In de staart van zijn loopbaan werd de belangrijkste vooruitgang geboekt op het terrein van de oncologie. „Als je vroeger bij een kind leukemie constateerde, was dat het doodvonnis. Nu geneest 80 procent. Ook bij andere vormen van kanker is de prognose sterk verbeterd.” Een ander veld dat tot grote bloei kwam, was de genetica. „Een van mijn beste vrienden is prof. Hans Galjaard. Die heeft de genetica hier groot gemaakt en een belangrijke rol gespeeld in de prenatale diagnostiek voor het vaststellen van erfelijke ziekten.”

Prof. H.K.A. (Henk) Visser, emeritus hoogleraar kindergeneeskunde. beeld Sjaak Verboom

Nieuwe ziekten

Terwijl oude ziekten verdwenen, kwamen er nieuwe bij, zoals aids. Andere kwalen keren in verhevigde vorm terug. Visser wijst naar een proefschrift van de afdeling oogheelkunde in Rotterdam dat op een tafel ligt. „Heel veel kinderen worden bijziend door het urenlang kijken naar een beeldscherm of mobiele telefoon. Dat wordt een epidemie.”

Wat hem nog meer zorg geeft, is de groeiende weerstand tegen inenten. „Ik respecteer de ouders die vaccinatie afwijzen op grond van hun geloofsovertuiging, al ben ik het er niet mee eens. Het is bovendien een betrekkelijk kleine groep. Zolang de rest van de bevolking wel gevaccineerd is, zijn die 300.000 mensen redelijk beschermd. Nu zijn het hoogopgeleide D66-moeders uit ’t Gooi en van de grachtengordel die niet meer willen vaccineren. Zelfs niet na de sterfte van tieners door een meningokokkeninfectie. Daar kan ik niet bij. Ik vrees dat er een ramp moet gebeuren om de mensen wakker te schudden.”

Zijn vele bestuursfuncties stootte hij geleidelijk af, de ontwikkelingen op zijn vakgebied houdt hij in grote lijnen nog bij. Door het lezen van tijdschriften en wetenschappelijke artikelen op internet. „Revolutionaire ontdekkingen en doorbraken zijn er na mijn pensionering niet geweest, maar stap voor stap gaan we wel vooruit. Helaas wordt de vooruitgang belemmerd door alle administratieve eisen, om de kwaliteit te waarborgen. Op zichzelf prima, maar die bureaucratie slokt veel te veel tijd en geld op. Mijn oudste zoon is KNO-arts, ik benijd hem niet. In mijn tijd moesten we lange dagen maken, maar je was wel voornamelijk met je werk bezig. Niet met het afvinken van lijstjes.”

De zeilboot waarmee hij in de zomervakantie lange Europese tochten maakte, samen met Margreet en de zoons, is verkocht. „Schaken, mijn andere hobby, beoefen ik nog steeds. Tegen de computer. Meestal verlies ik. Gelukkig heb in een programma ontdekt waarbij ik de moeilijkheidsgraad kan instellen. Dan win ik nog eens een keer. Dat vindt elk mens prettig.”

Serie Kanjers in hun vak

Gepensioneerde medische topspecialisten blikken terug op hun loopbaan. Deel 3. Vrijdag 30 augustus deel 4: neurochirurg prof. dr. Cees Avezaat