Kroket eten bij de Canadezen

75 jaar vrijheid
Canadese tank op het Haagse Buitenhof, 8 mei 1945. beeld Haags Historisch Museum
6

„Eindelijk was het zover! De eerste Canadees die ik zag, was een grote soldaat. Op de Kerkweg, bij onze school, sprong hij uit een jeep en deelde chocolade uit. Op een kist zat een vrouw die nogal ruw werd kaalgeschoren.” Herinneringen die B. Oudijn (84) uit Ridderkerk altijd bijgebleven zijn.

De bevrijdingsvreugde volgde na een bange winter. In de bijkeuken van de familie Oudijn zaten eens drie voedselzoekers op de vloer. „Doodzieke mensen met hongeroedeem in de benen. Je zag hun zweren.” Ze liepen door de sneeuw terwijl ze een stuk deken met een touw om hun voeten hadden gebonden. Moeder Oudijn gaf ze wat warms en zei daarna zacht: „Ik wou dat ze maar gingen; ik heb toch niets meer voor hen.”

Besmeurde Duitse soldaten rammeiden midden in de nacht op de deur: ze eisten onderdak om een uur te kunnen slapen. Dat deden ze, in de hal en de voorkamer. Na een uur waren ze weer weg en verzuchtte vader: „Ik was bang dat ze je moeder iets zouden aandoen.”

En nog altijd zuchtte de noordelijke helft van Nederland onder de Duitse knoet. Ook Ridderkerk.

Losse flodders

De ondergrondse bereidde zich voor op de bevrijding, en Ben Oudijn was daar plotseling ooggetuige van. „Mijn vriendje Jan van der Graaf vroeg me op een middag in april mee te gaan naar de coöperatie aan het begin van de Ringdijk. We belden aan, want de winkel was leeg; er was geen eten meer. Jans opa deed open en bracht ons naar zijn kantoortje op de bovenste verdieping. Door het raam zag je een ommuurde binnenplaats. Daar zag ik mannen in blauwe overalls. Beurtelings zetten ze een stengun tegen hun schouder en deden ze alsof ze schoten. Met geluidsdempers en losse flodders oefenden ze. Jans opa bond ons op het hart aan niemand te vertellen wat we hadden gezien, want het was nog oorlog en de Duitsers zaten om de hoek, in een groot kamp van de Kriegsmarine op de Muizenkade.”

Na de Duitse capitulatie blies de bezetter de aftocht. Geallieerde militairen namen hun plaats in. Ze werden met gejuich ingehaald.

Kroket en kaas

In de garage van een Ridderkerks café richtten de Canadezen een keuken in. „Dat was bij ons in de straat”, zegt Oudijn. „In een grote gamel kookten ze bruinebonensoep. Ik stond erbij toen een Canadees in die soep stond te roeren. Hij gooide er twee potten rode jam bij. Ik vond dat zo gek dat ik het op een drafje zette om het mijn moeder te gaan vertellen.

Bij de Canadezen at ik voor het eerst een kroket. Die had ik nooit gezien. Ik zag een Canadees kaas eten. Hij zag me begerig kijken en maakte met een groot mes een stekende beweging in mijn richting. Toen ik geschrokken achteruit sprong, brulde hij van het lachen. Daarna kreeg ik een plak kaas.”

De Hongerwinter was wel voorbij, maar thuis was het voorlopig geen vetpot. „We aten nog kaakjes die in blikken door geallieerde vliegtuigen waren gedropt. Met zes lege blikken en een paar stukken touw maakten we een bootje. Erg wankel, dus met een nat pak als eindresultaat.”

Bleekneusje

Met een oranje sjerp om stapte Oudijn naar school. Maar de ontberingen van de laatste oorlogswinter deden zich gelden. „Ik was een bleekneusje, ondervoed en verzwakt door astma, dus in september stuurde de huisarts me naar kinderherstellingsoord Het Boschhuis in Nunspeet. Daar sterkte ik aan. Ik denk er nog dankbaar aan terug.”

Oudijn noteerde na de bevrijding: „Ons gezin had de oorlog overleefd. Door ’s Hoogsten arm ’t geweld onttogen...”

„Ik hoor het klapperen van de vlag nu nog”

Bij de bevrijding was ik een jongetje van zes jaar. Mijn vader was, zoals dat toen heette, hoofd der school in het Groninger Sint Annen. We woonden naast de school. Op die school was een toren.

De Duitsers waren vertrokken. Als kinderen zaten wij naast elkaar op een graswalletje bij de tuin schuin achter de school. En achter ons was voor het eerst weer de Nederlandse vlag uitgehangen op de toren. Het was prachtig weer, de zon scheen uitbundig. En het waaide hard. Veel weet ik niet meer van die dag, maar het geluid van die wapperende vlag is me altijd bijgebleven. Ik hoor het klapperen nu nog als ik eraan denk.

’s Avonds was de vlag kapotgewaaid. Maar de volgende morgen was er gelukkig een nieuwe.

Ik had een kleine Nederlandse vlag aan een stokje gekregen. Die heb ik buiten aan mijn slaapkamerraam gespijkerd. Dat vlaggetje heeft er nog dagenlang gehangen, totdat mijn ouders zeiden dat het nu wel genoeg was.

D. H. Siebering, Elburg

Onderduiker in de kerkenraadsbank

Het blad Strijdend Nederland versloeg in 1945 de feestvreugde in Genemuiden: „Op 5 mei kondigden vanaf 7 uur 3 herauten te paard de bevrijding aan. Om 8 uur las de burgemeester een proclamatie voor vanaf de trap van het stadhuis en daarna gaf het plaatselijke muziekkorps een concert.

’s Middags werd in de Hervormde kerk een interkerkelijke bijeenkomst gehouden. In het stampvolle gebouw spraken achtereenvolgens: ds. A. Quak, de heer Steven Fuite en ds. J. H. Cirkel, respectievelijk namens de gereformeerden, de Gereformeerde Gemeente en de Hervormde gemeente. Deze bijeenkomst was zeer geslaagd.”

Bij onderwijzer De Graaf zat de Joodse tandarts Polak uit Kampen met zijn vrouw ondergedoken. Tijdens de herdenkingsdienst kreeg Polak een plaats in de kerkenraadsbank. De man was wat doof; hij kreeg de preek van ds. Cirkel mee om die nog eens door te lezen.

Vreugde en verdriet volgen soms kort op elkaar. Op 23 mei 1945 overleed een dochtertje van ds. Cirkel. Zijn vriend ds. W. L. Tukker leidde de begrafenis.

Hossen van blijdschap

Op 17 april werd Oldebroek bevrijd. Wij woonden op een boerderij, maar we gingen naar het dorp toe. De mensen waren gek van vreugde. Voor het gemeentehuis waren ze aan het hossen. Van de geallieerde soldaten kregen we chocola.

W. Stuivezand-van Hattem, Kampen

Glas zoeken

In Nieuwdorp op Zuid-Beveland zijn we in het najaar van 1944 bevrijd. Er stonden legervoertuigen voor ons huis, en mijn zus en ik kregen snoepgoed en chocola.

Op 20 maart 1945 stortte een Britse Lancasterbommenwerper op enkele honderden meters afstand van ons huis neer, net buiten het dorp. Het vliegtuig was op de terugweg van een missie boven Duitsland, maar werd boven Schouwen-Duiveland –dat nog niet was bevrijd– door Duits luchtafweergeschut geraakt. Nadat een vleugel afbrak, raakte het toestel net buiten Nieuwdorp de grond. De zeven bemanningsleden kwamen om. Ik liep als vierjarige jongen bij het wrak en iemand zei: „Je moet vliegtuigglas zoeken, want dat kan branden.”

Op 5 mei was ook de noordelijke helft van het land vrij. Iedereen was uitgelaten. Ik mocht meerijden op een legervoertuig. En met een jeep: de dijk op en af. Natuurlijk niet ongevaarlijk, maar het liep goed af.

M. Nieuwenhuijse (79), Moerkapelle

Bij Nero in het hok

Het gerucht vloog in Hardinxveld langs de dijk: De BS is de NSB’ers aan het ophalen. De Binnenlandse Strijdkrachten; het verzet. Pa en Gert en ik stonden op het brugje over de sloot voor ons huis om te kijken waar die auto stopte. Een overhuifde, donkere legerauto waar –weggedoken– mensen in zaten.

De rijksveldwachter vonden ze niet. Was hij NSB’er? Zover wij wisten niet. Waar had hij gezeten? In ’t hok bij zijn politiehond Nero, dachten wij later. Toen de BS weg waren, kwam hij met z’n fiets naar buiten. „Ik ga zelf wel naar die lui toe”, zei hij. Kwam ook ’s avonds weer thuis.

Een veroordeling had tot gevolg dat je een kwalificatie ”politiek onbetrouwbaar” aan je broek had. En dat had weer gevolgen bij sollicitaties, niet alleen van jou maar ook van je kinderen. Dat heeft tot lang na de oorlog geduurd. En gaf veel frustraties. Niet alles na de bevrijding was gelijk weer koek en ei.

M. Dankers, Rotterdam-IJsselmonde

Verfoeide chef enthousiast omarmd

Door de Arbeitseinsatz werd mijn vader, G. Th. Visser (1923-2013) uit Den Haag, in Duitsland tewerkgesteld in Laboe, bij Kiel. Daar werd de oorlogshaven zwaar gebombardeerd door de geallieerden.

Vader werkte in een administratieve eenheid en kon het redelijk goed met zijn (Duitse) collega’s vinden. Bepaald niet iedereen was geporteerd van Hitler... Onderling kon eerlijk over de gevoelens worden gesproken, behalve als de chef in de buurt was. Een norse en fanatieke Duitser.

Op 4 mei vielen de Engelse bevrijders het werkkamp binnen. Tot ieders verbazing werd de verfoeide Duitse afdelingschef direct bij binnenkomst omarmd door de Engelse commandant. De chef bood zijn medewerkers excuses aan voor zijn botte, afstandelijke houding. Die houding moest hij wel aannemen omdat hij jarenlang geheime informatie aan de geallieerden had doorgegeven over de activiteiten in oorlogshaven Kiel.

A. Visser, Kampen

Eindelijk vrij

Oudere lezers herinneren zich de bevrijding, nu 75 jaar geleden. Reikhalzend werd uitgezien naar het einde van de Duitse bezetting. Eindelijk was Nederland weer vrij!