Belgische vluchtelingen stichtten in Sas van Gent hun eigen dorp

Einde Eerste Wereldoorlog
Heemkundige Joop van Hecke bij de fabriek in Sas van Gent waar veel Belgische vluchtelingen werden opgevangen. beeld Jan Dirk van Scheyen

Massaal kwamen ze ons land binnen, de Belgische vluchtelingen van de Eerste Wereldoorlog. Een lege fabriek in Sas van Gent veranderde in een Belgisch dorp.

Na de val van Antwerpen in oktober 1914 zochten 400.000 Belgen een veilig heenkomen in Zeeland in het neutrale Nederland. Ze waren op de vlucht voor het oorlogsgeweld in hun door de Duitsers bezette vaderland. De Belgen kregen in het hele land onderdak. In onder meer Roosendaal, Bergen op Zoom, Gouda, Nunspeet, Ede, Oldebroek en Veenhuizen werden grote groepen mensen ondergebracht. Ongeveer 5000 ontheemden kwamen terecht in Sas van Gent, een industriestadje in Zeeuws-Vlaanderen pal aan de Nederlands-Belgische grens. Een gloednieuwe, nog leegstaande fabriek diende daar als opvangcentrum en veranderde zo in een compleet Belgisch dorp met een eigen gaarkeuken, hospitaaltje, kerk en bierbrouwerij.

Splinternieuw

In 1912 werd aan de huidige Westkade langs het Kanaal van Gent naar Terneuzen in Sas van Gent een fosfaatfabriek gebouwd. Het bedrijf was eigendom van een Frans concern. Toen het tijd was het splinternieuwe complex in te richten en op te starten, brak de Eerste Wereldoorlog uit. Daardoor kwam het transport van de benodigde machines voor de fabriek, die vanuit Duitsland moesten komen, volledig stil te liggen. Directeur Jozef August Jacobs besloot van de nood een deugd te maken en stelde zijn fabriekscomplex ruimhartig ter beschikking aan ruim 1000 van de 5000 Belgen die op de vlucht voor het oorlogsgeweld in Sas van Gent waren beland. Na de overgave van Antwerpen op 9 oktober 1914 was een immense stroom van een miljoen vluchtelingen op gang gekomen richting ons land, dat zich afzijdig hield in het conflict.

„De meer bemiddelde Belgische ontheemden verbleven in Sas van Gent bij gezinnen of lagen met hun eigen schip hier aan de kades. Maar een grote groep die het minder breed had, werd gehuisvest in deze net voltooide fosfaatfabriek die nog niet in bedrijf was”, vertelt Joop van Hecke (68) van de heemkundige kring in zijn woonplaats Sas van Gent. „Onder de bewoners van dit opvangcentrum bevonden zich ook Belgen die al vóór de oorlog als grensarbeider in Sas van Gent waren gaan werken. Jacobs was ook directeur van de glasfabriek van Sas van Gent, die naast de fosfaatfabriek stond. Daar werkten een paar honderd Belgen. Toen de grens tussen Nederland en België vanwege de oorlog dicht dreigde te gaan, zorgde hij in de fosfaatfabriek voor opvang van deze arbeiders met hun vrouwen en kinderen. Dat was goed voor die gezinnen, maar natuurlijk ook voor de glasfabriek. Dat had Jacobs goed gezien. Hij was een directeur die hier ter plaatse bekendstond als een man die maatschappelijk betrokken was.”

In de fosfaatfabriek ontstond in 1914 gaandeweg een compleet Belgisch dorpje, met inderhaast in elkaar geknutselde noodwoningen, een eigen ziekenhuisje voor de bewoners, een rooms-katholiek kerkje en een brouwerij. De machinekamer van het fabriekscomplex werd ingericht als kerk. Pater Colpaert mocht er elke zondag de mis opdragen. Van Hecke: „Voor de kinderen van de vluchtelingen moest natuurlijk ook iets gedaan worden, want die moesten wel gewoon naar school kunnen. Daarom regelde de toenmalige gemeente Sas van Gent dat er aan de huidige Wilhelminalaan een schooltje in gebruik werd genomen waar deze kinderen les konden krijgen. De school werd geleid door twee Vlaamse onderwijzeressen die eveneens uit België waren gevlucht. De school heeft er tot 1918 gestaan. Vijfenzeventig Belgische vluchtelingenkinderen hebben er les gehad.”

De machinekamer staat er vandaag de dag nog altijd en is nu een centraal magazijn als onderdeel van de huidige fabriek op de locatie van de voormalige fosfaatfabriek, kunstmestproducent Rosier Nederland.

Van Hecke toont een oude foto van het interieur van de machinekamer toen die als noodkerk in gebruik was, compleet met altaar. Zo te zien waren er heel wat zitplaatsen.

De gevluchte zuiderburen verbleven in ‘Sas’ van oktober 1914 tot ongeveer juli 1915. De meesten gingen daarna vrijwillig terug naar hun vaderland, vaak weer met kruiwagen of te voet, zoals ze ook gekomen waren. Een aantal bleef echter in Sas van Gent.

Klandizie

Het grensstadje heeft natuurlijk ook profijt gehad van de komst van de Belgen. Van Hecke: „Voor de plaatselijke middenstand betekende hun aanwezigheid ook meer klandizie en dus meer handel en meer geld in het laatje. In 1916 telde Sas van Gent op een gegeven moment maar liefst achttien broodbakkerijen. Dat het er zo veel waren, had ook te maken met het feit dat er in België zelf voedseltekorten waren ontstaan. In 1916 zijn er gedurende het hele jaar vanuit Sas van Gent ongeveer 60.000 broden via de grens naar België vervoerd. Dat gebeurde meestal met paard-en-wagen. In het jaar daarop viel dat aantal van achttien bakkerijen opeens terug naar slechts vier, omdat de Duitsers de grens tussen Nederland en België toen hermetisch afgrendelden met de aanleg van de beruchte, 200 kilometer lange elektriciteitsdraad.”

Ook in Sas van Gent waren de inwoners bekend met het bestaan van die zogenaamde dodendraad van ijzer die tussen de twee landen was gespannen en waarop een spanning van 2000 volt stond. De bezetter wilde zo voorkomen dat smokkelaars, spionnen maar ook vluchtelingen de grens overstaken. Wie met de versperring in aanraking kwam, was op slag dood. Het lichaam verkoolde direct. Van Hecke: „Er is een verhaal bekend van een douanier uit Koewacht, een grensdorp hier in Zeeuws-Vlaanderen dat deels op Nederlands en deels op Belgisch grondgebied ligt. Die douanier zei later dat hij soms een blauwachtige flits zag als hij bij zijn grenspost op wacht stond. „Ik wist dan dat er weer iemand aan de draad was blijven plakken”, vertelde hij.”

Radeloos

Van Hecke weet dat er tijdens de Grote Oorlog, zoals België de Eerste Wereldoorlog noemt, in totaal zo’n 30.000 verzwakte, hongerige en radeloze vluchtelingen door Sas van Gent zijn getrokken op zoek naar veiligheid en een dak boven hun hoofd. „Het leek wel of heel Belgenland richting onze grens strompelde”, zou iemand later schrijven. In veel steden en dorpen in Zeeuws-Vlaanderen werd spontaan opvang geregeld voor de vluchtelingen in kerken, scholen, barakkenkampen en ook in woonwagens, zoals in Breskens. In Terneuzen werden eveneens Belgen tijdelijk in een nieuwe fabriek ondergebracht, in dit geval in een staalfabriek.

In Sas van Gent waren er nooit problemen tussen de eigen bevolking en de vluchtelingen uit het zwaar op de proef gestelde buurland, weet Van Hecke. Dat kwam mede doordat het van oudsher een stadje was waar veel invloeden samenkwamen: heel vroeger Spaanse en Franse, later ook Belgische. Zowel westelijk als zuidelijk en zelfs een klein stukje oostelijk van de stad ligt louter Belgisch grondgebied.

Erwtensoep

De toenmalige Nederlandse regering onder leiding van minister-president Cort van der Linden had wel de handen vol aan de opvang. Want 1 miljoen vluchtelingen, onder wie ook gedeserteerde Belgische soldaten, is niet niks. De soldaten werden geïnterneerd. Er zijn wel verhalen bekend over spanningen elders in ons land tussen Nederlanders en Belgische vluchtelingen. De Belgen klaagden over het strenge regime in de barakken- en tentenkampen en over de Hollandse keuken. De voedzame erwtensoep die ze te eten kregen, kieperden ze uit het raam, want als culinaire fijnproevers weigerden ze béton armé (gewapend beton) te eten.

Vandaag de dag vormt in Sas van Gent alleen het huidige centraal magazijn van kunstmestfabriek Rosier Nederland nog een tastbare herinnering aan de volksverhuizing van weleer. Het Belgische schooltje bestaat niet meer. Het Zeeuws-Vlaamse stadje zal niet uitgebreid stilstaan bij de herdenking van het einde van de Eerste Wereldoorlog. Maar heemkundige Van Hecke is blij dat hij geïnteresseerden nog kan vertellen over een bijzondere episode uit de geschiedenis van zijn woonplaats. Hij toont nog wat zwart-witfoto’s uit een officieel verslag van destijds over de vluchtelingenopvang. „Je kunt het je nu eigenlijk niet meer voorstellen dat er hier aan de Westkade een heus Belgisch dorp bestond, compleet met medische voorzieningen”, zegt hij. „Dat de bewoners een eigen brouwerij in elkaar knutselden ligt wel een beetje voor de hand. Wat moet een Belg immers zonder zijn pint? Maar ze hadden zelfs een eigen kraamkamer. Daar zijn in 1914 en 1915 zes Belgische kinderen geboren.”

Dankbaarheid was er ook voor de opvang van de ontheemde zuiderburen in Zeeuws-Vlaanderen. Grensgemeente Maldegem in België stuurde zelfs een telegram naar onze toenmalige koningin Wilhelmina. „Het gemeentebestuur van Maldegem, België, bidt Hare Majesteit de uitdrukking te willen aanvaarden van zijnen vurigsten dank en van zijne diepe erkentelijkheid voor de vrijgevige herbergzaamheid welke zijne beproefde medeburgers hebben genoten tijdens hun verblijf in de gemeenten van haar rijk.”