Leven als een boer in Zuid-Tirol

Vakantie 2018
Producten van de boer. beeld RD
6

Wie het dorpje Klausen uitrijdt, de heuvel af richting de boerderij van Sepp en Agnes Kerschbaumer, gaat de rust en de ontspanning tegemoet. Dat is precies wat het vakantieleven op de boerderij in het Italiaanse Zuid-Tirol te bieden heeft. De snelheid van het leven is er heerlijk laag.

De kinderen verheugen zich al weken op de dagen in Klausen. De website van Unterplattnerhof is de dader; die belooft een karrenvracht aan dieren – konijnen, een hond, katten, ezels, kippen. En: gasten mogen meehelpen met het voeren van de beesten en het melken de koeien. Al snel na aankomst hebben ze de weg naar de konijnen –de rest van de week ”die Hasen” genoemd– gevonden.

Boer Sepp woont al zijn hele leven op Unterplattnerhof; boerin Agnes sinds ze dertig jaar geleden trouwden. Sepps vader Johann –die met zijn vrouw nog steeds op de boerderij leeft– kwam er in 1935 wonen. Diens vader en hijzelf boerden er decennialang. Toen Sepp het bedrijf overnam, bleek al snel dat de inkomsten te weinig waren om van rond te komen.

Zo’n 20 jaar werkte hij buitenshuis om bij te verdienen. Agnes: „Al die tijd heb ik de koeien gevoerd en gemolken. Ik ben opgegroeid op een boerderij; ik houd van dieren.” Inmiddels is Sepp met pensioen en zorgen ze samen voor de paar koeien die nog over zijn, het kleinvee en de huis- dieren. Daarnaast beheren ze 4,5 hectare weiland en 7 hectare bos. Genoeg te doen dus op de boerderij in het Eisacktal. Op het terrein bouwden ze drie luxe houten appartementen. Ze sloten zich, samen met 1600 andere boeren, aan bij Roter Hahn, een initiatief van de Zuid-Tiroolse Boerenbond.

Klimmen

Sepp en Agnes laten op een stralende dag hun almhut zien: een stoer vakantiehuis op 2000 meter hoogte. Vanaf de boerderij start de tocht met de auto. Dat betekent 1000 meter klimmen. De robuuste hut staat een eind boven de boomgrens in een bergweide die vanaf het dal niet te zien is. Elektriciteit is er niet, water komt uit een bron en het rioolloze toilet is buiten.

Sepp wijst: „Daar in de Gemeinschaftsalm, tussen de omheining, lopen de koeien en paarden van ons dorp. Iemand uit onze gemeente past een zomer lang op de dieren. In het begin van het najaar komen ze naar beneden, van de alm naar het dorp. Een feestdag is dat.”

De regio Zuid-Tirol, waarin Klausen ligt, doet meer aan Oostenrijk en Duitsland denken dan aan Italië. Op plaatsnaam- borden staan naast Italiaanse ook Duitse namen. Vreemd is dat niet; de regio werd na de Eerste Wereldoorlog geannexeerd door Italië. Mussolini en Hitler probeerden de regio te italianiseren. Dat lukte deels. Nog steeds spreekt ruim 60 procent van de Zuid-Tirolers Duits. De oudste generatie voelt zich nog Oostenrijker, legt Sepp uit, die namens de Südtiroler Volkspartei in de gemeenteraad van Klausen zit. „Mijn ouders zijn nog echte Oostenrijkers, en zo voelen ze zich ook. Mijn vrouw en ik zijn een combinatie van Italiaan en Oostenrijker; onze kinderen voelen zich meer Italiaan.”

Sommige Italianen kunnen het nog steeds niet verkroppen dat er Duits wordt gesproken in de noordelijkste regio van het land. Sepp wijst tijdens wandeling op wegbewijzering waarop de Duitse namen zijn doorgestreept. „Andersom gebeurt er ook; er zijn Zuid-Tirolers die geen Italiaanse namen willen zien.”

Pootjebaden

Tijdens de week op de boerderij van de Kerschbaumers is er niets te merken van deze wrijving. Dat er Duits –weliswaar met een stevig accent– wordt gespro- ken, is juist handig. Dat is in elk geval beter te verstaan dan het Italiaans.

Vanaf de almhut van de Kerschbaumers start een wandeltocht naar de Radlsee. Een paar honderd meter klimmen is bepaald geen straf. De uitzichten zijn weids, de gidsen kennen de omgeving als geen ander. De kinderen vermaken zich met het tellen van de rode wegwijzers.

Bij de Radlsee hoort een rustpauze, vindt Agnes. „Na een stevige wandeling moet je hier pootjebaden. Dan voel je je weer fris en herboren en kun je er weer even tegenaan. Let wel: doe je sokken gewoon over je natte voeten; dat voelt het best.” De boerin heeft gelijk, een korte stop bij het blauwgroene bergmeer is een aanrader.

Halverwege de tocht staat de Radlseehütte (bijna 2300 meter hoog). Daar is het tijd voor een stevige Italiaanse lunch met traditionele knoedels, en schnaps van de zaak als afsluiter.

De almhut van de Kerschbaumers staat op de grens van de Alpen en de Dolomieten. Sepp wijst op de Dolomietentoppen: de grootse Schlern, de Marmolada, de beroemde Rosengarten in de verte. Het begint te kriebelen bij het zien van al die bergen: die moet je echt bedwingen.

Bij terugkomst in de almhut toont Agnes zich een goede gastvrouw. De koffie, chocolademelk en apfelstrudel laten zich goed smaken na zo’n stevige wandeling. En dat in combinatie met het prachtige uitzicht op de bergweiden en andere toppen. Die rust en ontspanning zijn eigen aan Zuid-Tirol.

Roter Hahn redde boerenstand

Vakantie vieren op een Italiaanse boerderij heeft een lange traditie. Al in de achttiende eeuw trokken de rijken ’s zomers uit steden als Bozen en Meran naar boerderijen in de bergen. Dankzij een snelweg kwamen in de jaren zestig van de vorige eeuw steeds meer buitenlandse toeristen naar Zuid-Tirol.

Boerderijvakanties waren vaak goedkoop en de kwaliteitsstandaard was laag. Tegelijk leverde de landbouw in de loop van de decennia voor de kleinschalige boerderijen steeds minder op. Met als gevolg dat de landbouwsector in de regio flink onder druk kwam te staan.

Roter Hahn, in 1999 in het leven geroepen door de Zuid-Tiroolse Boerenbond, heeft als doel de toeristen op boerderijen goede vakantieaccommodaties te bieden en op die manier de boeren in de regio van extra inkomsten te voorzien, legt Kevin Huck van Roter Hahn uit. „Er zijn zo’n 1600 boerderijen bij het label aangesloten. Inmiddels vallen ook acht boeren onder Roter Hahn die ambachten uitvoeren. En daarnaast horen nog veertig boerderijrestaurants bij de organisatie.”

Roter Hahn hanteert strenge criteria voor de deelnemende boeren, aldus Huck. „Producten die de boerderijen leveren en etenswaren die ze serveren, moeten zo veel mogelijk uit de regio Zuid-Tirol komen en het liefst van eigen boerderij.”