Theologische vragen tijdens studiedag rond geloof en evolutie

De studiedag over geloof en evolutie vond plaats in de Fonteinkerk te Nijkerk. beeld RD, Anton Dommerholt
9

De verhouding tussen christelijk geloof en evolutie roept tal van vragen op. Die stonden vrijdag centraal tijdens een studiedag over het thema. Waar de een ruimte ziet voor harmonie, ziet een ander belangrijke thema’s onder druk staan. „Centrale punten als het bestaan van de ziel of de historiciteit van Adam zijn te wezenlijk.”

Alle wetenschappelijke data pleiten voor de evolutietheorie, stelt bioloog dr. R. Fransen. „Onzin!” roept een aanwezige door de zaal. Het komt hem op een reprimande van dagvoorzitter Andries Knevel te staan. „Dat doen we niet in de kerk.”

Duidelijk is vrijdag dat de verhouding tussen christelijk geloof en evolutie veel losmaakt. Ook in de pauzes tijdens de druk bezochte studiedag in Nijkerk gaat de discussie door, vurig soms. Het programma van de dag in de Fonteinkerk zit boordevol: zestien verschillende sprekers voeren het woord. De meesten van hen schreven mee aan het recent verschenen boek ”En God zag dat het goed was”, dat de aanleiding vormde voor de studiedag.

Verzet

Het gaat om moeilijke materie, benadrukt Knevel in zijn openingswoord. „Als we na 1900 jaar de Bijbel anders gaan lezen, kan ik me voorstellen dat dat verzet oproept.” Dr. H. D. Peels, een van de redacteuren van de verschenen bundel, is dat niet met hem eens. „De letterlijke, creationistische lezing van de eerste hoofdstukken van Genesis komt pas in de twintigste eeuw op. In het grootste deel van de kerkgeschiedenis werd er anders gelezen. Tijdens de opening zongen we vanuit Psalm 62: „Ik zal geen grote wankeling vrezen.” Dat vind ik een Bijbelser geluid dan benadrukken hoe moeilijk het onderwerp is.”

De meeste sprekers zijn thematisch aan elkaar gekoppeld. Zo kruisen filosoof prof. dr. ir. G. J. de Ridder en dr. G. A. van den Brink, predikant van de hersteld hervormde gemeente te Rotterdam-Kralingseveer, de degens over de wetenschappelijke status van de evolutietheorie. Die heeft sterke papieren, stelt prof. De Ridder. Hij keert zich tegen „selectief winkelen” in de wetenschap. „Als je wilt ontkennen dat het succes van de evolutietheorie wijst op waarheid in die theorie, moet je alle wetenschap zo relativeren.”

Consequenties

Dr. Van den Brink legt de vinger bij „eenrichtingsverkeer” in de discussie. Wetenschappelijke en theologische argumenten zouden niet hetzelfde gewicht krijgen. „Er wordt wel gevraagd wat de consequenties voor de theologie zijn als de evolutietheorie waar is. Maar is er ook een omgekeerde beweging, bijvoorbeeld door te vragen: als de klassieke erfzondeleer waar is, kan ik dan de evolutietheorie wel aanvaarden? Het siert een christen om waarheidsclaims die voortkomen uit Gods openbaring een centrale plaats te geven. Uiteindelijk kun je beter een biblicist hebben die gehoorzaam wil zijn aan het Woord van God, dan een wetenschapper die de Bijbel ergens aan de zijkant van zijn overtuigingen heeft zitten.”

De predikant gaat „op grond van theologische overwegingen” niet mee met de evolutietheorie. „Centrale punten als het bestaan van de ziel of de historiciteit van Adam zijn voor mij te wezenlijk.”

Wereldbeeld

Aanleiding voor het verschijnen van de bundel was het in 2017 verschenen boek ”En de aarde bracht voort” van prof. dr. G. van den Brink. In zijn bijdrage tijdens de studiedag trekt hij een parallel tussen het huidige debat en de discussie in het verleden over aanvaarding van een heliocentrisch wereldbeeld. „Mannen als Voetius en Maresius hadden destijds grote bezwaren tegen de opvatting van de zon als middelpunt van het heelal. Voetius zag het Schriftgezag en de toekomst van de kerk op het spel staan. Hij zei: als je deze teksten niet meer letterlijk leest, geldt dat uiteindelijk voor alle teksten.”

Toch is dat laatste niet gebeurd, aldus prof. Van den Brink. „Het is intrigerend dat latere generaties, ondanks de ernstige waarschuwingen, toch het heliocentrisme overnamen. De orthodoxie bleek in staat om de omslag door te maken in haar omgang met de Bijbel, zonder dat de consequenties zich voordeden waarvoor Voetius vreesde.”

Een verklaring hiervoor ziet de hoogleraar in het feit dat het destijds met name de coccejanen waren die het heliocentrisme overnamen. „Dat bleven vrome mensen, trouwe kerkgangers. Juist hun vroomheid maakte dat mensen zeiden: misschien valt het toch te combineren.”

Die houding bepleit hij ook in het evolutiedebat. „Ik las een interview met iemand die zei de evolutietheorie te aanvaarden en die er in één adem aan toevoegde niet iedere zondag naar de kerk te gaan. Als dat de sfeer wordt, zijn de bezwaren terecht. Het beste wat gelovigen die de evolutietheorie aanvaarden kunnen doen, is laten zien hoe dit ook samen kan gaan met geleefde vroomheid.”

Problemen

Prof. dr. M. J. Paul sprak met dr. K. van Bekkum over de exegese van Genesis 1-11. De uitleg van de eerste Bijbelhoofdstukken stelt iedere exegeet voor „serieuze problemen”, aldus prof. dr. M. J. Paul. „Dat blijkt de kerkgeschiedenis door. Maar een evolutionistische lezing stelt voor nog grotere problemen. Die beide zijn onverenigbaar.”