Promovendus Van der Knijff: Dathenus was geen dichter, maar goede vertaler

Drs. Jaco van der Knijff verdedigde donderdag aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) zijn dissertatie “Heilige Gezangen”. Vooraan: promotor prof. dr. Arie Molendijk. beeld RD, Anton Dommerholt
5

Zou het kunnen dat Petrus Dathenus de Lofzang van Zacharias en van Maria heeft gedicht? Wat promovendus Jaco van der Knijff betreft is dat „erg onwaarschijnlijk.” Maar, wierp de Amsterdamse hoogleraar Van Lieburg hem donderdag tegen: „Wie was de auteur volgens u dan wél?”

In veel gemeenten in de gereformeerde traditie worden gewoonlijk alleen psalmen gezongen. Toch zijn in de psalmboeken ook ”Enige Gezangen” opgenomen. Van der Knijff, theoloog en muziekredacteur bij het Reformatorisch Dagblad, verdedigde donderdag aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) zijn proefschrift ”Heilige gezangen”.

De promovendus gaf aan dat hij geen „verborgen agenda” had om met de verschijning van zijn proefschrift het zingen van gezangen in de eredienst te bevorderen of af te raden. Dat deed hij naar aanleiding van een opmerking van zijn eerste opponent, prof. dr. Herman Selderhuis, hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA). „Ik heb me oprecht beziggehouden met de vraag waar de Enige Gezangen vandaan komen en waarom die naast de psalmen gezongen worden”, stelde de promovendus. „Het valt op dat bijvoorbeeld de Morgen- en Avondzang niet teruggaan op een Bijbeltekst.”

2018-06-30-pkMUZ2-JacoVanderKnijff-7-FC_webDrs. Jaco van der Knijff: Kerklied verdient meer aandacht

Prof. dr. Henk van den Belt, bijzonder hoogleraar gereformeerde godgeleerdheid aan de RUG, vroeg zich af waarom Van der Knijff „de regel van het alleen psalmen zingen” niet nader theologisch had doordacht. „Die regel kan samenhangen met de manier waarop het gereformeerd protestantisme omgaat met het beeldverbod”, aldus de Groningse theoloog. „Alle gebruiken die niet in de Bijbel staan, worden verboden in de eredienst. De luthersen zagen dat andersom; gebruiken waarover de Bijbel niets zegt, zijn bij hen juist om die reden geoorloofd.”

Van der Knijff stelde dat er in dat opzicht zeker sprake is van een vorm van diversiteit. „Neem bijvoorbeeld de protestantse kerken in Schotland. Daar gaat men veel strikter om met de regel dat alles wat niet in de Bijbel staat, verboden is tijdens de eredienst.” Tegelijkertijd constateerde hij dat Calvijn de regel van het louter psalmen zingen tijdens de kerkdienst minder strikt toepaste dan vaak wordt gedacht.

Prof. dr. Mirjam van Veen, hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Vrije Universiteit (VU) Amsterdam, trok Van der Knijffs conclusie in twijfel dat de bestudering van de psalmen licht werpt op de binnenkant van de gereformeerde traditie. „Is dat wel zo? De katholieken hadden toch dezelfde psalmen en geloofsbelijdenis als de protestanten?”

Volgens de promovendus was die vraag moeilijk te beantwoorden. Tijdens de boekpresentatie donderdagavond kwam hij er echter nog op terug: „De vernieuwing van de Reformatie was dat de kerkelijke gemeente de psalmen en gezangen in de volkstaal ging zingen. Dat antwoord had ik prof. Van Veen moeten geven.”

Prof. dr. August den Hollander, hoogleraar religieus erfgoed aan de VU, kwam als vierde opponent aan het woord. Hij nam de bibliografie van de onderzochte psalmboeken van Dathenus onder de loep. „De lijst is volgens mij niet volledig.” Van der Knijff antwoordde echter dat hij edities had ontdekt die in eerder onderzoek ontbraken. „Ik ben vollediger geweest dan eerdere onderzoekers.”

Wilhelmus

Tijdens de verdediging kreeg het Wilhelmus bijzondere aandacht. In een van zijn stellingen beweert de promovendus dat het „niet waarschijnlijk is” dat Petrus Dathenus het Wilhelmus heeft geschreven. Prof. dr. Fred van Lieburg, hoogleraar religiegeschiedenis aan de VU, is het daarmee oneens. „Recent onderzoek heeft aangetoond dat Dathenus vrijwel zeker de auteur van het Wilhelmus was. Het zou kunnen zijn dat hij ook de Lofzang van Zacharias en van Maria heeft gedicht.”

Van der Knijff ging daar niet in mee. „Ik heb Dathenus niet kunnen betrappen op veel dichterlijke gaven. Hij was wel een goede vertaler.” Wie de lofzangen wel heeft geschreven, is volgens de promovendus nog onbekend. „Maar ik blijf zoeken.”

bedezang

Het document kan niet getoond worden, omdat het mogelijk is dat het cookies plaatst die volgens uw cookie-instellingen niet toegestaan zijn.
Sta alle cookies toe om het document te tonen en ververs dan de pagina.

Muzikale cd-presentatie

Achter in het proefschrift ”Heilige gezangen” is een cd als bijlage opgenomen. Daarop bespeelt dr. Jan Luth, copromotor van Van der Knijff, het Hinsz-orgel in de Grote Kerk van Harlingen. Hij brengt nieuwe composities ten gehore over de Enige Gezangen. Deze zijn gecomponeerd door Jan van Gijn, Chiel Jan van Hofwegen, Dick Sanderman, Gerard de Wit en Boudewijn Zwart.

Daarnaast staan op de cd orgelbewerkingen van Johann Sebastian Bach, Wilhelm Friedemann Bach, Geert Bierling, Georg Böhm, Margaretha Christina de Jong, Jan Pietersz. Sweelinck en Jan Zwart.

De cd werd donderdagavond, tegelijk met de in boekvorm uitgegeven dissertatie, gepresenteerd in de Nieuwe Kerk van Groningen. Dr. Luth bracht enkele van de composities ten gehore op het Timpe/Van Oeckelenorgel uit 1831. Ook was er samenzang van onder meer alle zeven verzen uit de Avondzang. De Bedezang voor de Predikatie werd a capella onder leiding van Van der Knijff als voorzanger gezongen, „volgens zestiende-eeuws gebruik.”