Om de gereformeerde leer

Afscheiding 1834
De Hendrik de Cockstraat in Ulrum, links zijn pastorie. Foto's RD
2

Met het ondertekenen van de ”Acte van Afscheiding of Wederkeering”, op 13 en 14 oktober 1834, maakte de voltallige kerkenraad van de hervormde gemeente in Ulrum zich, samen met een groot deel van de gemeente, los van het bestuur van de Nederlandse Hervormde Kerk. In de zeven jaren die volgden, zetten nog 86 gemeenten die stap, becijferde dr. H. Veldman.

Woensdag promoveerde Veldman (66) in Kampen op een biografie over Hendrik de Cock, de vader van de Afscheiding.

Toeval, dat zijn dissertatie precies in het 175e herdenkingsjaar van de Afscheiding verschijnt? „Min of meer wel”, zegt hij in zijn woning in het Groningse Zuidhorn – niet zo heel ver bij Ulrum vandaan. „Al is het natuurlijk ook wel weer een mooie gedachte.”

”Hendrik de Cock (1801-1842) op de breuklijnen in theologie en kerk in Nederland” luidt de titel van zijn proefschrift, dat hij gisteren aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt verdedigde. Het is niet de eerste publicatie die Veldman over De Cock, of de Afscheiding, het licht laat zien. Zo verscheen in 2004 ”Hendrik de Cock – afgescheiden en toch betrokken”.

Wat hebt u met Hendrik de Cock?

Veldman staat op, loopt naar een van de overvolle boekenkasten op zijn werkkamer en trekt er, na enig zoeken, een boekje uit. „Eigenlijk is het hier allemaal mee begonnen. Een heel oud boekje dat ik als kind van 10, 12 jaar kreeg. ”Als kinderen vragen” heet het, van Mattana Rompelman. Het verscheen in 1934, bij de herdenking van 100 jaar Afscheiding.

Ik ben in Bedum geboren, ik kom uit een afgescheiden familie. Mijn overgrootvader is door De Cock gedoopt, in 1840, in Ten Boer. Dat neem je mee. Je weet dat in je voorgeslacht de keuze is gemaakt tegen, laat ik zeggen, het moderne geloof. Later opnieuw, met de Vrijmaking van 1944. En op school werden wij door roomse kinderen uitgescholden voor cocksianen. Al die dingen bij elkaar hebben mijn interesse gewekt voor De Cock, de Afscheiding.”

En nu ligt er opnieuw een boek, van ruim 750 bladzijden.

„Twee zaken springen er wat mij betreft uit. In de eerste plaats: te vaak zijn de gebeurtenissen die uiteindelijk hebben geleid tot de Afscheiding beschreven als een kerkordelijk conflict. De Cock doopte kinderen uit naburige gemeenten en dat mocht hij niet doen. In mijn proefschrift probeer ik aan te tonen dat het ten diepste niet ging om de kerkorde, maar om de kerkleer, de theologie. Daarom ga ik uitvoerig in op de theologie die in die dagen, zeker in Groningen, dominant was geworden: het supranaturalisme, de leer van het verlichte christendom. Met die leer was De Cock óók groot geworden. Maar na de ommekeer in zijn leven krijgt hij daar steeds meer moeite mee, gaat hij zich daartegen verzetten. En dat levert hem onder zijn collega-predikanten in de classis Middelstum bepaald geen vrienden op.

Het tweede is: over de Afscheiding is al veel geschreven. Maar over wat er daarna is gebeurd veel minder. Neem het werk van kerkhistoricus G. Keizer over de Afscheiding: na 1834 volgen nog enkele bladzijden en dan is het afgelopen. In mijn studie laat ik zien wat De Cock, tot zijn vroege overlijden in 1841, allemaal nog heeft gedaan, op het gebied van gemeentestichting onder andere. Hij heeft 87 gemeenten nagelaten!”

Wist u dat?

„Nee. Aanvankelijk dacht ik: bij veertig, vijftig, zal het toch wel stoppen. Maar het bleken er 87 te zijn, inclusief Ulrum. En die bevonden zich niet alleen in Groningen, Friesland, Drenthe. Ook in Zwolle, Kampen, Huizen kwam het tot afscheiding. In Andijk, op Urk, zelfs in Bentheim, Duitsland.”

De Cocks ideaal was in elk dorp een gemeente te stichten, schrijft u, naast de hervormde kerk.

„Dat klopt, en daarin was hij ook wel eens wat naïef. Sommige gemeentetjes, van tien, twaalf man, waren gewoon niet levensvatbaar. Maar het ging hem om de gereformeerde leer, zoals die de eeuwen door vanaf de kansels had geklonken, maar die nu op veel plaatsen was vervangen door een leer waarin nauwelijks nog plaats was voor noties als zonde, wedergeboorte, bekering, kruis en opstanding. Waar de deugd als kern van het Evangelie werd gepredikt.

Veel van de gemeenten die De Cock stichtte, hebben hun wortels in de conventikels, de gezelschappen, die nogal eens los van de kerk waren komen te staan. Maar dat mochten ze van De Cock niet blijven. Met prof. dr. W. van ’t Spijker en prof. J. Kamphuis zeg ik daarom: de Afscheiding had als doel het herstel van de kerk; niet het voortbestaan van het conventikel.”

Prangende vraag is altijd weer of de Afscheiding –met alle gevolgen van dien– voorkomen had kunnen worden.

„In mijn ogen niet. De Afscheiding was onafwendbaar, juist omdat het hier om een geestelijk conflict ging. De enige manier waarop de Afscheiding voorkomen had kunnen worden, was dat De Cock er het zwijgen toe had gedaan, zich had neergelegd bij zijn schorsing ook. Maar dat kon hij niet, en hij werd daarin gesteund door zijn eigen kerkenraad.

Het was niet zo dat De Cock zich koste wat kost wilde afscheiden. Hij was daarin veel aarzelender dan bijvoorbeeld ds. H. P. Scholte. Maar uiteindelijk kon hij toch niet anders – en daarvoor beroept hij zich in de Acte van Afscheiding of Wederkeering op allerlei teksten in de Bijbel. Hij mócht niet anders.”

Speelden hier toch ook karakterologische aspecten niet een rol?

„Ik denk dat De Cock wel een figuur is geweest die zich kenmerkte door een zekere heftigheid. Maar nogmaals: die had vaak alles te maken met het feit dat zijn pleidooi voor handhaving van de gereformeerde confessie, die hij had herontdekt, bij zijn collega’s op geen enkele steun kon rekenen. Kijk, ze hebben het hem zeer kwalijk genomen dat hij sommige predikanten vergeleek met wolven, die de schaapskooi Christi bedierven. Maar was hij daarin nu echt te scherp? Christus doet in het Nieuwe Testament hetzelfde.”

In uw proefschrift toont u zich duidelijk betrokken op uw onderwerp. Zou u, als historicus, zeggen dat de Afscheiding Gods werk is geweest?

„Ik wil er ook als historicus openlijk voor uitkomen dat God hier de hand in heeft gehad. De Afscheiding, die zo zwak begon, is uiteindelijk een brede beweging geworden, ook waar het ging om het stichten van gereformeerde scholen, bijvoorbeeld. Overigens wil ik hiermee zeker niet zeggen dat er in de Hervormde Kerk geen enkel leven meer was.”

Hoe zou u De Cocks theologische opvattingen typeren?

„Het aardige is dat ik tijdens mijn onderzoek op een epistel stuitte waarin hij zich daarover duidelijk uitspreekt. De titel luidt: ”Kerkgeschiedenis – Kerkelijke geschiedenis in 6 tijdperken”. Daarin laat hij zich onder andere kennen als een duidelijk antipapist, spreekt hij zich ook uit tegen het semipelagianisme.

Je zou De Cock in de eerste plaats kunnen typeren als een calvinist. Hij heeft Calvijn herontdekt, diens verkorte Institutie heruitgegeven.

De tweede lijn die je bij hem aantreft, is die van de Nadere Reformatie, vooral Koelman en Wilhelmus à Brakel. Voetius komt bij hem weer niet voor. Overigens zou ik De Cock bepaald niet op één lijn willen plaatsen met ds. Ledeboer, of de kruisgezinden.

Als je me vraagt in welk kerkverband De Cock zich nu het meest thuis zou hebben gevoeld, zou je denk ik terechtkomen in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt van 25 jaar geleden, maar vooral ook in de Christelijke Gereformeerde Kerken, een deel daarvan althans. En misschien toch ook in de Gereformeerde Gemeenten – al denk ik dat hij het subjectieve element daarin te sterk zou vinden.

Eén ding is wel zeker: De Cock heeft voortdurend geprobeerd alle afgescheidenen bij elkaar te krijgen.”

De Cock bepleitte na 1834 zelfs een nationale synode, blijkt uit uw boek.

„Toen ik dat las, dacht ik: Nu breekt mijn klomp. Ik wist dat ook niet. Maar inderdaad: op zo’n synode, à la die van 1618-1619, zouden afgescheidenen en hervormden elkaar moeten treffen – onder leiding van de koning. Gezamenlijk zouden ze dan moeten spreken over de toekomst van de kerk van de Reformatie in Nederland. Maar hij heeft op zijn verzoeken aan koning Willem I en aan de hervormde synode geen enkele reactie gekregen.”

In 1947 richtten zes leden van de Hervormde Kerk, onder wie dr. W. Volger, zich tot de synode met het verzoek tot postume rehabilitatie van Hendrik de Cock. Hun verzoek werd afgewezen, al erkende de synode dat er „ernstige kerkrechtelijke fouten” waren begaan. Ziet u het ooit nog eens tot een rehabilitatie van De Cock komen?

„Ik heb dat een mooi initiatief gevonden. Maar er bleken te veel tegenkrachten. De Cock had toch iets van ”een fiene”, en dat woord is vaak al voldoende om verder niets met hem te maken te willen hebben. Ik zie het er ook nu niet van komen.”

Uw dissertatie kwam tot stand aan een, laten we zeggen, afgescheiden universiteit. Had u dit ook aan een van de „vaderlandse” universiteiten kunnen verdedigen?

„Hier in Groningen bijvoorbeeld… Ik heb geprobeerd het proefschrift vanuit een zo onbevooroordeeld mogelijke houding te schrijven. Mijn promotor, prof. Te Velde, heeft het in het begin ook wel eens tegen me gezegd: Harm, je laat te veel zien dat je gereformeerd bent. Ik weet het niet. Feit is dat elke promovendus zichzelf meeneemt. Zuivere objectiviteit bestaat niet.”


De Cock in het kort
– Hendrik de Cock wordt op zondag 12 april 1801 in Veendam geboren.
– Het sociaal milieu waarin hij opgroeit, is dat van de gegoede Groningse plattelandsaristocratie.
– Op 20 oktober 1818 laat De Cock zich inschrijven aan de Groninger universiteit; op 20 december 1822 wordt hij kandidaat in de godgeleerdheid.
– Op 11 februari 1824 treedt hij in het huwelijk met Frouwe Helenius Venema.
– De Cocks eerste gemeente is Eppenhuizen (1824), zijn tweede Noordlaren (1827); Ulrum wordt zijn derde gemeente (1829-1833).
– Langzaam maar zeker vindt bij De Cock een geestelijke ommekeer plaats. Een bekende naam hier is die van Ulrummer Klaas Pieters Kuipenga, die eens tegen hem zei: „Indien ik ook maar één zucht tot mijne zaligheid moest toebrengen, dan was het voor eeuwig verloren.”
– Op 19 december 1833 besluit het classicaal bestuur van Middelstum ds. De Cock te schorsen.
– Krap een jaar later, op 13 en 14 oktober 1834, scheiden de kerkenraad van Ulrum en een groot deel van zijn gemeente zich af van het bestuur van de Nederlandse Hervormde Kerk.
- Op maandag 14 november 1842 overlijdt Hendrik de Cock, op 41-jarige leeftijd.