Kartuizers stonden dicht bij Moderne Devotie

Tom Gaens (m.) promoveerde maandag in Groningen op de relatie tussen de kartuizerorde en de Moderne Devotie. Links zijn paranimf Rombert Stapel, rechts dr. Rolf de Weijert. beeld Nina Yakimova

De kartuizerorde staat veel dichter bij de Moderne Devotie dan wel is aangenomen, zo stelt promovendus Tom Gaens. En de Moderne Devotie zélf is even verwant aan de Reformatie als aan Rome.

Gaens promoveerde maandag in Groningen op het proefschrift ”Beter dan het origineel. Kartuizeridealen en de vroege Moderne Devotie”. Daarin toont hij aan dat kartuizerkloosters in de Lage Landen en gemeenschappen van moderne devoten voor een substantieel gedeelte financieel begunstigd en bevolkt werden vanuit eenzelfde, hecht en stedelijk sociaal netwerk. De briefwisseling van Geert Grote maakt dat ook duidelijk: de Deventer koopmanszoon maakte van zijn contacten in de kartuizerwereld gebruik om te proberen mensen uit zijn onmiddellijke omgeving een plaats als monnik of lekenbroeder te bezorgen.

De kartuizerorde heeft volgens Gaens eigenlijk altijd, door de eeuwen heen, elementen uit andere tradities opgezogen. „Er heeft nooit zoiets als dé kartuizerspiritualiteit bestaan. Zij was altijd een levende spiritualiteit, waarbinnen monniken een zekere vrijheid genoten. De kartuizers hadden geen grote school van spiritualiteit zoals bijvoorbeeld de cisterciënzers die hadden.”

Rond de eeuwwisseling flirtten sommigen met een intrede in ofwel een Windesheims regulierenklooster of in een kartuizerklooster, schrijft u. Betekent dit dat beide instellingen zich richtten op gemeenschappelijke idealen, zoals hervorming en vroomheid, ongeacht de confessionele achtergrond?

„Moderne devoten zagen in hun eigen tijd vooral een gebrek aan vroomheid, of minder pure en zelfs valse vormen van devotie. Velen onder hen zagen de kartuizers als de beste, en soms zelfs als de énige, bewaarders van de devotie van de woestijnvaders. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat velen onder hen, die een strikter leven nastreefden, aanklopten aan de kartuizerpoort.”

U keert zich tegen de Moderne Devotie als een anti-monastieke lekenbeweging. Waarom?

„Zelfs indien je in erg enge zin monastiek leven definieert als volgelingen van een kloosterregel, dan nog was de Moderne Devotie voor het grootste gedeelte monastiek. De overgrote meerderheid van moderne devoten leefde immers in gemeenschappen die de regel van Augustinus volgden, of de ”derde regel” van Franciscus, en dus ook een aantal als kartuizer. Maar dat betekent niet noodzakelijk dat ze allemaal de drie kloostergeloften aflegden. Hoe dan ook, modern devoten waren nóch anti-monastiek, nóch leken.”

Recent werd nog gezegd, in een handboek De Moderne Devotie, dat de lekengemeenschappen van de Moderne Devotie steeds meer trekken van echte kloosters kregen. Betekent deze ”verkloostering” dat de voor-reformatorische wortels weer boven water kwamen? Of moeten we de term ”verkloostering” verbreden, zoals u voorstelt?

„Ik vind inderdaad dat ”verkloostering” breder moet bekeken worden dan louter het aannemen van een kloosterregel. Het kan ook bestaan uit het afleggen van één of meerdere geloften, het opgeven van eigendom, het zingen van getijden, het bijeenkomen in kapittels, het leren van Latijn, enzovoorts. In die zin zijn alle verschijningsvormen, zowel de meer kloosterlijke als de meer semireligieuze van de Moderne Devotie, onderhevig geweest aan enige vorm van verkloostering.”

Ideeën over religieuze perfectie en de kloosterlijke staat werden ook door Geert Grote en de vroege moderne devoten niet losgelaten, schrijft u, „hoe graag ook in het verleden protestantse kerkhistorici, op zoek naar voorvaders, hen als noodzakelijke voorlopers van de Reformatie wilden zien.” Wat bedoelt u daarmee?

„Het probleem met negentiende-eeuwse kerkhistorici uit Nederland en Duitsland is dat zij, misschien beïnvloed door sommige protestantse ideeën over predestinatie of door filosofen uit het Duitse idealisme, een zekere logica in de geschiedenis wilden bespeuren. In hun ogen móést de Reformatie noodzakelijkerwijs zijn voortgekomen uit de Moderne Devotie en waren de moderne devoten dus reformatoren vóór de Reformatie. Dat is al lang door anderen bestreden. In mijn proefschrift claim ik dat er in de Moderne Devotie evenzeer elementen aanwezig waren die in de katholieke hervormingen en controversen van de zestiende eeuw een rol speelden. Voor mij staat de Moderne Devotie even dicht bij de Reformatie als bij zestiende-eeuwse hervormingen in de Katholieke Kerk. Bij deze laatste werd er sterk teruggegrepen naar teksten van veertiende- en vijftiende-eeuwse moderne devoten en kartuizers.”