Rechte hoorder
De Heere Jezus toont in deze gelijkenis ook dat de rechte hoorders, die het Woord vruchtbaar ontvangen, een nederig en gebogen hart hebben. Het is neergebogen onder het pak en de last van de zonde. Op deze wil God zien, „op de arme en verslagene van geest…”, Jesaja 66:2. Dat is het allerbeste en aangenaamste hart voor God. De stromen van genade willen het allerliefst naar het laagste punt vloeien. De nederige geeft Hij genade (1 Petrus 5:5).Doch het moet ook een eerlijk hart zijn, onverdeeld tussen God en de wereld en gereinigd van dubbelhartigheid. Zo’n hart is ook eerlijk ten opzichte van zichzelf. Het zoekt zichzelf niet te bedriegen en zoekt zichzelf niet te behagen. Het zoekt altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen.
Maar laten wij die toehoorders van de goede aarde niet alleen bezien in hun inwendige gestalte. Er staat immers ook dat ze het Woord horen. Er is onderscheid in het horen. Deze, van de goede aarde, hoorden het Woord met een heilige aandacht en opmerkzaamheid. Zij neigden het oor en gaven er acht op. Zij hoorden het Woord met diep ontzag, niet als eens mensen woord, maar als Gods Woord. Zij luisteren als diegenen die beefden (Jesaja 66:2). Zij kunnen in dat Woord al hun lust en genoegen vinden. Zij zeggen met Samuël (1 Samuël 3:10): „Spreek Heere, want Uw knecht hoort.”
Gerardus van Aalst, predikant te Westzaandijk (Parabel van de zaaier, 1748)